Jean-Luc Dehaene: van ACW naar Dexia

Jean-Luc Dehaene: van ACW naar Dexia

Of het neoliberale ontwikkelingspad van een ‘groot staatsman’

donderdag 5 juni 2014 13:26

Over de doden niets dan goed. De doden zelf zal het een zorg zijn. Maar niet de nabestaanden. Wie de overledene ook is, voor de (meeste) nabestaanden is er steeds het grote verdriet dat met een overlijden gepaard gaat. Ook al is dit overlijden soms een ‘verlossing’ voor zowel de overledene als voor de nabestaanden. Maar: uit respect voor het verdriet van de nabestaanden over de dode niets dan goed. En zo was het dus ook bij Jean-Luc Dehaene.

Maar Jean-Luc Dehaene was natuurlijk meer dan een echtgenoot, een (groot)vader, een vriend, een voetbalsupporter. Jean-Luc Dehaene was een politiek figuur met een stevig palmares: 10 jaar topmedewerker op belangrijke politieke kabinetten, 10 jaar minister en ten slotte 8 jaar eerste minister. Daarna volgde nog een Europese loopbaan als europarlementair en een locale loopbaan als burgemeester van Vilvoorde. Zijn optreden in deze lange politieke loopbaan leverde hem – naast talrijke bijnamen als loodgieter, architect, verzoener, bruggenbouwer – de ‘eretitel’ van ‘groot staatsman’ op. Over wat een politicus nu juist tot een ‘groot staatsman’ maakt, kan men van mening verschillen. Maar feit is dat JLD tussen 1975 en 2000 een steeds groeiende tot beslissende rol speelde in het politieke beleid in ons land en nadien ook nog in Europa. Hoe groot die rol was, kan men goed nalezen in zijn Memoires die hij in 2012 publiceerde.

Maar wat de inhoudelijke invulling van die rol betreft, het concrete beleid dat JLD mee bepaalde en besliste, valt er zeker vanuit de christelijke arbeidersbeweging heel wat kritiek te geven. En dat is in al die jaren ook gebeurd. JLD begon zijn ‘politieke’ loopbaan feitelijk in 1965 op de studiedienst van het ACW. Wanneer hij in 1972 de overstap maakte naar het formele politieke circuit van de ministeriële kabinetten, werd hij ten volle beschouwd als ‘iemand van ons’, ‘iemand van de beweging’, een ‘echte ACW’er’. Van 1967 tot 1971 maakte hij ook deel uit van het zogenaamde ‘wonderbureau’ van de CVP-Jongeren met Wilfried Martens als voorzitter en leden als Paul Pataer, Rita Mulier, Ward Bosmans, Georges Monard en Miet Smet. Maar dat hoefde in die tijd helemaal geen tegenstelling te betekenen met zijn job en engagement in het ACW. Eerder integendeel. Het ACW was toen de sterkste steunpilaar van de CVP. Wie als lid van de christelijke arbeidersbeweging politiek actief was, was dat vanzelfsprekend in de CVP. En wie politiek niet koos voor de CVP riskeerde zichzelf buiten de christelijke arbeidersbeweging te plaatsen. Dat risico heeft JLD nooit gelopen. Want JLD was minstens evenzeer CVP’er als ACW’er. Zeker in zijn politieke beginjaren was hij een belangrijke politieke spreekbuis voor de ACW-standpunten binnen de CVP, voor zover die standpunten van elkaar verschilden. Maar het omgekeerde was minstens evenzeer het geval en naarmate de jaren vorderden, steeds meer. Zeker in de jaren ’80 en ’90 speelde JLD een cruciale rol om ACW, ACV en CM in het spoor te doen lopen van het beleid dat door Wilfried Martens en hemzelf werd gevoerd. In de jaren ’80 o.a. als minister van Sociale Zaken en vanaf 1988 ook als vice-premier, steunde hij volop het antisociaal beleid, o.a. drie indexsprongen, van de regeringen Martens (zie dewereldmorgen.be/blogs/beweging/2013/10/18/wilfried-martens-en-de-christelijke-arbeidersbeweging). In die jaren mengde hij zich ook zeer actief in de discussie binnen het ACW over de verhouding tot de politiek en hij verdedigde hier met klem de band van het ACW met de CVP. JLD was de facto reeds de regeringsleider van Martens VIII in 1988. Hij was de regeringsformateur en gaf nadien het premierschap aan Martens. Hij hield de pen van de begroting die een besparing van 80 miljard BEF doorvoerde die op de eerste plaats de werknemers en de sociale zekerheid trof. Hij maakte hierbij voor het eerst gebruik van een kaderwet die de regering moest toelaten snel in te grijpen wanneer de ‘concurrentiepositie van het bedrijfsleven’ in gevaar zou komen. Er zouden nog veel zulke kaderwetten volgen met als kroon op het werk de wet van 26 juli 1996 ‘tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen’, beter bekend als de ‘loonnormwet’ die de loonkostenontwikkeling in België afhankelijk maakt van de verwachte loonkostenevolutie bij onze voornaamste handelspartners Duitsland, Nederland en Frankrijk. Het is deze loonnormwet die er mee verantwoordelijk is dat we de voorbije zes jaar bijna geen reële loonsverhogingen meer kennen. En de kans is groot dat er ook de volgende vier jaar geen reële loonsverhogingen meer komen en wie weet met een indexsprong of een totale uitholling van de index zelfs geen aanpassingen aan de stijgende levensduurte met een feitelijke loonsverlaging als gevolg.

Pas na de doorbraak van het Vlaams Blok op ‘Zwarte Zondag’ 24 november 1991, werd JLD begin 1992 premier van de regering Dehaene I. Samen met de regering Dehaene II zou die regering tot 1999 een nietsontziend besparingsprogramma doorvoeren om België te doen slagen in de economische voorwaarden voor toetreding tot de Eurozone. Bij zijn aantreden begin 1992 schreven we in ons tijdschrift Beweging: “Dehaene is een man van de beweging, een invloedrijk zwaargewicht die ondermeer bij het begin van de jaren tachtig een doorslaggevende rol speelde in het opleggen van de zware inleveringsinspanningen aan de kristelijke arbeidersbeweging. Dehaene is de invloedrijke, alle tegenspraak overdonderende stem van de CVP in de kristelijke arbeidersbeweging. Sommigen geloven graag het omgekeerde (Dehaene als doorslaggevende ACW-stem in de CVP), maar zij nemen hun wensen voor waarheid of creëren bewust een schrikbeeld dat hen van pas komt in hun kruistocht tegen de ‘macht der drukkingsgroepen’” (Als Dehaene Europa preekt… volk, let op je centen!, in Beweging, mei 1992, p.4). Bij zijn aantreden als premier, probeerde Dehaene eerst nog de sociale partners tot een Sociaal Pact te overhalen, maar dat stootte op veel weerstand van de vakbonden. En zo legde hij zijn ‘Globaal plan’ op dat hij nog eens herhaalde bij het aantreden van de regering Dehaene II in 1995. Over acht jaar gespreid nam hij een hele rist besparingsmaatregelen die alles samen goed waren voor meerdere honderden miljarden BEF. De bedrijfs- en financiële wereld en de meeste binnen- en buitenlandse commentatoren loofden hem en loven hem nu als de man die België de Eurozone heeft binnengeloodst door het (jaarlijks) begrotingstekort te herleiden tot nul en de overheidsschuld te verminderen van 138% van het BBP in 1993 tot 117% in 1999. Nergens wordt daarbij verteld dat dit gepaard ging met zware besparingen in de SZ en de inkomens van werknemers en de uitkeringsgerechtigden. Dehaene voerde ook de gezondheidsindex in en startte met de eerste loonkostverlagingen (subsidies maar vooral vermindering van de SZ-bijdragen) voor de werkgevers. Toen nog zeer bescheiden maar ondertussen opgelopen tot 11 miljard euro per jaar. Dehaene was ook de eerste politicus die de ‘vergrijzing’ hoog op de agenda plaatste en er meteen aan toevoegde dat het in de nabije toekomst onvermijdelijk zou zijn om langer te werken om de ‘vergrijzing’ (pensioenen en gezondheidskosten) betaalbaar te houden. Hij zette ook de eerste stap daartoe door de pensioenleeftijd voor vrouwen stapsgewijs op te trekken tot 65 jaar in 2010. Wie zich vandaag verbaast of verontwaardigd is over het diepblauwe sociaaleconomische programma van de N-VA moet misschien eens de verkiezingsboekjes van Dehaene (her)lezen: Sleutels voor Morgen (1995) en Sporen naar 2000 (1999). Hierin kan je lezen over de reeds vernoemde noodzaak om langer te werken of de afschaffing van de perequatie in de overheidspensioenen; de privatisering van de overheidsbedrijven spoorwegen, post, telefoon, enz; de onvermijdbaarheid van de resultaatsgebonden beloning; de noodzaak van grotere flexibiliteit, enz. enz. De kritiek in de jaren ’90 op de regeringen Dehaene door het ACV was dan ook heel groot. Hem werd openlijk verweten dat hij een neoliberaal programma doorvoerde.

Wanneer de CVP bij de verkiezingen van juni 1999 mede door de dioxinecrisis een forse nederlaag lijdt, neemt Dehaene de verantwoordelijkheid hiervoor op zich en stapt uit de nationale politiek. Voor de bedrijfswereld was dit het signaal om de man, die zo goed hun belangen had verdedigd in de voorbije jaren, in te lijven. Zo kwam Dehaene terecht in diverse Raden van Bestuur, zoals bij Umicore, Lotus Bakeries, AB InBev en Thrombogenics, en ten slotte werd hij voorzitter van de Raad van Bestuur van Dexia. Die zitjes leverden hem royale vergoedingen op en omvangrijke aandelenpaketten. Het meest opvallend daarbij was AB InBev dat hem in 2012 een aandelenpakket ter waarde van 5 miljoen Euro opleverde en dat op een moment dat de multinational forse besparingen en afdankingen doorvoerde. Voor velen was het toen al lang duidelijk dat Dehaene niet (meer) iemand van ons was. En toch bleef (de leiding van) het ACW Jean-Luc Dehaene tot op de dag van zijn overlijden (en ook daarna, zie Visie 30 mei 2014, achterblad) beschouwen als iemand van de beweging. Maar het is niet omdat men ooit actief was in een organisatie en een geëngageerd voorvechter was van haar programma, dat dit een blijvende garantie is dat je dit ook in de toekomst zult doen of dat je daarmee voor eens en voor altijd het recht hebt verworven om dit label te dragen. Wij noemen Paul Huybrechts, de voorzitter van de Vlaamse Federatie van Beleggingsclubs, toch ook geen communist meer omdat hij in zijn jonge jaren een overtuigd lid was van Amada, Alle Macht aan de Arbeiders, de voorloper van de huidige PVDA, en daarvoor zelfs enkele jaren fabrieksarbeid voor over had? Of voormalig SP-voorzitter en oud-minister Frank Vandenbroucke, een ‘Trotskist’ omwille van zijn lidmaatschap en sterk engagement in de SAP tijdens zijn studentenjaren?

Dus laat ons alsjeblieft ophouden met JL Dehaene ‘iemand van ons’, ‘iemand van de beweging’, ‘een acw’er’ (laat staan in hart en nieren) te noemen. Laat ons Jean-Luc Dehaene als politicus beoordelen op zijn woorden en zijn daden en tot de vaststelling komen dat hij zowel op nationaal als op Europees vlak mee het pad heeft geëffend voor de neoliberale ontwikkeling van de voorbije 30 jaar die sinds de bankencrisis in 2008 ten volle tot ontwikkeling is gekomen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!