Opinie, Politiek, Cultuur -

Siegfried Bracke een marxist?

Als het over cultuur gaat, stuurt N-VA Siegfried Bracke op pad. Maar zijn verschijning is eigenlijk zelf een opmerkelijk en leerrijk cultureel fenomeen.

dinsdag 13 mei 2014 12:59

Het moet gezegd dat
Bracke er, zowel tijdens het Rekto:Verso debat
als het DS cultuurdebat,
met zijn entertaintalent voor zorgde dat de aandacht op N-VA gevestigd bleef,
alsof het een all-in partij is die
tegelijk radicaal als gematigd zou zijn, vernieuwend maar toch ook beschermer
van de vaste waarden. Nieuwrechts, en net daarom de enigste echte sociale
partij. Zoiets.

N-VA: V-plan Cultuur

Opmerkelijk
is hoe Bracke, zeg maar via de kunst van het mediageniek warm en koud blazen,
de bewuste vaagheid inzake het N-VA cultuurprogramma retorisch in maestoso kan
blijven bespelen, zo zelfs het debat weet te beheersen, terwijl dat programma
nochtans duidelijk samen te vatten valt in een ‘V-plan’, om het in Romeins van
N-VA te zeggen:

(I)           focussen en
aansturen op de verrotting van het
federale niveau

(II)          kunst en cultuur
instrumentaliseren voor Vervlaamsing

(III)        
de macht
van cultuurhuizen wegkapen via een charmeoffensief naar                          de grote Vlaamse
instellingen (‘verticalisering
promoten)

(IV)        
cultuur commercialiseren (primaat van de populaire
cultuur, ‘volle zalen’                      eisen, i.e. doen alsof cultuurhuizen dit nu nog niet
hard zouden nastreven)

(V)          cultuursector
privatiseren (crowdfunding, fiscale
voordelen voor sponsors                  en bedrijven, promotie van privaatpublieke samenwerkingen,
etc).

Kortom, hoe kan kunst nu verheffend zijn, als cultuurpolitiek dat
totaal niet is? Ook opmerkelijk is dat N-VA er
tijdens deze debatten in slaagde de eerste viool te spelen terwijl, toch wat
besparing en vermarkting betreft, de radicaalste stellingen steeds van Open VLD
komen. Dit terzijde.

Maar
laten we het over iets anders dan cultuurbeleid hebben. Best veelzeggend is
namelijk dat Bracke – onze volgende Cultuurminister? –  zodra hij in een debat op een slappe
koord komt, als verrassingseffect al eens een verwijzing boven haalt naar
niemand minder dan Karl Marx.

Pseudoprogressieve spin

Dat
deed hij tijdens de twee vermelde cultuurdebatten op quasi-identieke wijze.
Retorisch gezien is dat natuurlijk een klassieke pseudoprogressieve
truc, een handelsmerk van conservatieven: progressief gedachtegoed recupereren
als dekmantel voor een reactionair verhaal.

Hoewel
Bart De Wever in Knack (19 april) verklaarde een absolute anti-marxist te zijn,
jongleert Bracke graag met Marx in culturele middens. Wellicht in de vreemde
veronderstelling dat de cultuursector links zou zijn en dat hij bijgevolg met
zo’n verwijzing de tegenstander op eigen terrein kan bestrijden. Dat ging zo: ‘Cultuur is een deel van de bovenbouw en die
wordt gesteund door de economische onderbouw.
’ Zei Marx, aldus Bracke, om
er dan aan toe te voegen: ‘En 1 euro kun
je maar één keer uitgeven.’

In
wat volgt, twee kanttekeningen om duidelijk te maken dat Marx eigenlijk exact
het tegendeel bedoelt van wat Bracke met zijn parafrase wil zeggen.

Maakbaarheid primeert, niet economisch determinisme

Bracke’s
verwijzing is veelzeggend, ten minste, toch de verdraaiing die hij ervan maakt.
Ten eerste, het is uiteraard onjuist dat Marx zou beweren dat eerst de economie
moet draaien vooraleer we ons enigszins met het sociale en culturele kunnen
inlaten. Integendeel: het sociale en culturele zijn altijd prioritair voor deze
maakbaarheidsdenker. Hij benadrukt juist dat het lot ervan af hangt van een
politieke strijd om de economische machtsverhoudingen. Dat negeren of toedekken,
is mensen voor de gek houden.

Zoiets
als ‘lifestyle-transitie’ bijvoorbeeld, denk aan de recente tips
tegen de klimaatopwarming
van weerman Frank De Boosere, zijn (onder meer) voor
een marxist uitermate problematisch omdat het niet alleen de kern van de zaak
uit de weg gaat, maar ook een depolitisering in de hand werkt en tegelijkertijd
de verantwoordelijkheid integraal doorverwijst naar het individu. Die kan zich
bijgevolg nooit genoeg engageren en moet blijven dweilen met de kraan open.

Ook
een marxist zal daarentegen wel bottom-up
en peer-to-peer initiatieven
aanmoedigen, bijvoorbeeld de geefpleinen van o.a. Jeroen Olyslaegers, ook al
zijn die in economisch opzicht misschien marginaal, zelfs verwaarloosbaar. Deze
zelforganiserende burgerinitiatieven zijn desondanks van onschatbare waarde
omdat ze stapsgewijs voor een bewustmaking zorgen.

Ten minste, voor zover ze
ook effectief sensibiliseren, mobiliseren en politiseren. Dat is immers ook hoe
in de negentiende eeuw zoiets als ziekenkassen en vakbonden zijn ontstaan.
Het zijn overigens net dergelijke cruciale initiatieven, wat Bracke er ook van
mag denken, die vooral in en vanuit de brede en diverse cultuursector een
nieuwe lente aankondigen.  

Trickle-down is voor liegebeesten

Ten tweede, natuurlijk zal een marxist onder een goeie
‘economische onderbouw’ iets heel anders begrijpen dan Bracke. Om het in het
keukenvocabulaire van Gwendolyn Rutten te zeggen, Bracke bedoelt eigenlijk dat
we ‘eerst de taart moeten bakken voor we kunnen herverdelen’. Kortom, als het
winstbejag op volle toeren draait, zou alles wel in orde komen.

Dit liberale
dogma dat het duo Thatcher en Reagan vanaf de jaren 1980 zo dominant maakten,
wordt sindsdien in elk Westers land voortdurend door de feiten tegengesproken. Toch
kreeg het neoliberalisme ingang want na de naoorlogse heropleving was de
systematische afbraak van de sociaaldemocratische welvaartsstaat nodig om de
crisis van het kapitalisme uit te stellen.

Intussen heeft Thomas Piketty, die al eens de bijnaam ‘de nieuwe
Marx’ meekrijgt, met zijn ophefmakende wetenschappelijke studie, Capital
in the Twenty-First Century
, het zogeheten Trickle-down effect definitief naar het rijk der fabels verbannen.
Het klopt gewoon niet dat iedereen beter wordt, als het kapitalisme goed boert.
Of om het met Bracke te zeggen: ‘het
ergste wat de armen kan overkomen, is dat er geen rijken meer zijn.’
Het
omgekeerde is waar: kapitaalaccumulatie en miserie gaan hand in hand.

Bracke
hanteert dus een neoliberale lezing van ‘de onderbouw’. Niet alleen zijn het
sociale en culturele voor hem daaraan ondergeschikt, ook het politieke moet integraal in
functie staan van de vrije markt. Dat is de hoofdzorg, de rest volgt dan wel. Een
regeringsleider moet bovendien zoals een bedrijfsleider de concurrentie met de
buurlanden aangaan: ‘kosten’ besparen, vermarkting aanblazen, goedkopere
werkkrachten zoeken, opbod in sociale afbraak, koplopen in een ratrace naar de
bodem. Big Flanders als een mini-Duitsland.

Klassenstrijd

Als
Marx daarentegen naar de ‘onderbouw’ verwijst, heeft hij vanzelfsprekend in de
eerste plaats over de klassenstrijd: de dialectiek tussen hen die werken en
diegenen die hun kapitaal uit vermogen en bezit opbouwen. Newton was diegene die
de zwaartekracht ontdekte, Freud legde het bestaan van het onbewuste bloot en
Marx ontmaskerde de dagdagelijkse werkelijkheid: er zit een specifiek
economisch systeem achter dat ongelijkheid, vervreemding en crisissen
produceert.

Bracke
spreekt daar natuurlijk met geen woord over omdat N-VA precies hier zo bang
voor is. Met name, dat steeds meer mensen beseffen dat onze politieke klasse
voor de bezittende klasse werkt, en dat wat dus een ‘volkspartij’ heet
eigenlijk neerkomt op een geprivatiseerde politiek ten dienste van de
financiële elite: VOKA Vlaanderen.

Om
nu terug te keren naar cultuurbeleid: deze tegenstelling in wereldbeeld leert
ons ook waarom Bracke zo graag cultuur wil doen samenvallen met Vlaamse
televisieseries of musicals. Entertainment als opium voor het volk, dat zou
overigens de enige echte motor van onze ‘Vlaamse identiteit’ zijn. N-VA wil dus vooral geen
maatschappijkritische kunst die mensen politiserend informeert over uitbuiting, sociale
alternatieven, duurzame transitie, radicale democratie of superdiversiteit.
N-VA wil, kortom, net vermijden dat het volk op straat komt, wakkergeschut uit
hun roes achter de Vlaamse treurbuis of ander mediaspektakel.

Marx 2.0

Stel
u voor: een groeiend besef bij een breed publiek dat politiek beleid iets
anders zou moeten zijn dan een overheid die zichzelf als een clubje managers
opvat, dat niet alleen de publieke dienstverlening (toch wat er van
overblijft) wil leiden alsof het over bedrijven gaat, maar de ganse samenleving
opvat als een onderneming die de concurrentiestrijd met buurlanden op de spits
moet drijven. Iets anders denken zou gewoon ‘niet realistisch’ zijn?

Zo
wordt helaas ook politiek zelf herleid tot een ’vrije markt’ waarin politici-entrepreneurs,
door hun onderlinge wedijver en opbod, ons welzijn offeren voor een blind,
verspillend en chaotische boekhoudkunde waarin alles ondergeschikt is aan het
humeur van aandeelmarkten en ratingbureaus. Kortom, die
Vlaamse ‘ontvoogdingsstrijd’ werkt duidelijk een andere afhankelijkheid, zelfs verknechting in de hand.

Marx
zou zeggen: laat de heersende klasse vrezen voor een socialistische revolutie.
Wij, werkende mensen, hebben niets te verliezen tenzij onze kettingen. We
hebben een wereld te winnen, onze wereld.

Of om de antisocialistische denker
Ludwig von Mises te parafraseren: ‘socialisme
is de meest krachtige hervormingsbeweging die de geschiedenis gekend heeft, de
eerste ideologische stroming die niet beperkt bleef tot een deel van de
mensheid, maar ondersteund werd door mensen van alle rassen, naties,
religies en beschavingen
.’ Dus ook… Walen, luie Grieken en Moslims? Dat
zou Bracke misschien denken. Over een andere ‘Verandering voor
Vooruitgang’ gesproken.

Bracke
zou natuurlijk Bracke niet zijn, als hij ook hierop niet met enig woordenballet zou kunnen
antwoorden. Bijvoorbeeld: ‘ik ben zelf een socialist geweest, maar dat werkt dus
niet.’ Daarmee is hijzelf wel een mooie illustratie van het feit dat het marxisme
bijvoorbeeld in 1976 nog wel veel aanhang kende en bijvoorbeeld in 1990 niet
meer.

Dat kwam niet omdat die generatie ondertussen kleuters had lopen en de
lange haren had geknipt. Evenmin omdat er plots collectief een epidemie was
uitgebroken die de illusie verspreidde dat het nieuwe kapitalisme nu ineens wel
zou werken.

De
oorzaak is te zoeken in het feit dat die generatie gedesillusioneerd raakte in
de mogelijkheid dat het kapitalisme nog bestreden kon worden. Meelopen leek dan de enige optie. Cognitieve dissonantie deed ondertussen zijn werk: het
systeem zou het probleem niet meer zijn.

Maar de frustratie bleef natuurlijk,
puinhopen en ellende stapelden zich op, en dat is de
voedingsbodem voor het absurde feit dat het vandaag net ‘de conservatieven’ zijn
die zouden weten wat vooruitgang is. Maar ook dat is intussen nu eenmaal onderdeel van de rijke Vlaamse cultuur. Met Siegfried Bracke als fenomeen, zelfs cultureel erfgoed.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!