Oorsprong van de stad

Oorsprong van de stad

dinsdag 4 februari 2014 15:28

            Dido, zo vertelt Vergilius, was op de vlucht voor haar broer Pygmalion en, kennelijk wanhopig en ten einde raad, vroeg ze aan koning Iarba of ze een lap grond kon krijgen niet groter dan de omtrek van een ossenvel. De koning dacht dat hij niets te verliezen had. Dido kreeg haar ossenvel. Ze sneed echter de huid in ragfijne repen en maakte er een grote cirkel mee rond een heuvel. Dit gebaar van de grote cirkel was de stichting van Carthago…

            Ook in de wiskunde bestaat een probleem dat heet ‘Dido’s probleem’. Het vraagstuk van de de grootst mogelijke oppervlakte met de kleinst mogelijke omtrek. Nu, daar kunnen we voorlopig weinig mee, maar de anekdote uit de Aeneïs, is mind blowing, van een afgrondelijke diepzinnigheid: de sleutel tot de oorsprong van de stad…

            Beginnen we bij de aflijning, de cirkel. De stad is een uitsnijding, een stuk gesneden uit de natuur. Deze snede is ingrijpend. Het is het onderscheid tussen nomos en fusis, tussen norm of wet en natuur. De stichting van de stad is een tijgersprong van natuur naar cultuur. De stad is, zeker op het moment van zijn rituele stichting, een absolute cirkel, een uitsnijding, een magische cirkel en speelveld, een temenos. Temenos betekent letterlijk: snede, uitsnijding, maar is in het Oudgrieks de aanduiding voor tempel. Een tempel is een heilige uitsnijding uit het profane. De stad is in zekere zin ook zo’n uitsnijding: daar waar natuur was, opent zich een culturele ruimte. De stad is een uitsnijding van cultuur uit de chaos en ‘ongeborgenheid’ of onherbergzaamheid van de natuur. Er is in zekere zin een absoluut verschil tussen binnen en buiten. Binnen heerst de nomos, de wettelijke orde van de mens. Buiten heerst de fusis, de natuur, het recht van de sterkste, de wetteloze natuurtoestand, de oorlog van allen tegen allen. De polis, de mensenstad, is niets anders dan de negatie van de natuurtoestand. (Ergo: politiek is de negatie van de natuurtoestand).

            De stichting als het trekken van de grens tussen binnen en buiten is ook de introductie van het onderscheid tussen wij en zij, eigen en vreemd. En dus de oorsprong van vijandigheid. De stichting van de stad is niet alleen het openen van een ruimte maar ook vooral een ‘sluiting’, een bescherming, een vesting. Marshall McLuhan schrijft daarover, op de hem eigen visionaire wijze: ‘the city itself is traditionally, a military weapon, and it is a collective shield, an extension of the castle of our very skins’.  De stad is een militaire constellatie, een schild, een prothese voor onze al te tere huid. Als kleren de tweede huid zijn en architectuur de derde, dan is de stad onze vierde huid. Dat is uiteraard een oergegeven: de stad is niet alleen een vestiging, maar ook een vesting, een vaak ommuurde verschansing tegen invallende barbaren of vijandelijke steden. Dat ossenvel symboliseert misschien dit oerbesef van de stad als vierde huid.

             De stad herbergt de mens, is dus (heidereggeriaans gezegd) de ‘berging’ van de mens. Berging betekent in het Vlaams ‘voorraadkamer’. En inderdaad is de stad de plek waar de rijkdommen van de omgeving worden verzameld en opgetast. Marxisten zouden zeggen: ‘de stad is de ultieme plaats voor de accumulatie van kapitaal en de surplus-productie’. Vandaar dat de stad vaak geassocieerd wordt met luxe en decadentie, van de hangende tuinen van Babylon tot onze shoppingstreets, luxetenten of red-light districts. In elk geval: de stad is de plek van berging, van ‘herbergzaamheid’, van geborgenheid maar ook van accumulatie, verzameling (van levensmiddelen, werktuigen, wapens en buit).

            Daarom is de absolute scheiding tussen binnen en buiten natuurlijk niet mogelijk en niet houdbaar. De stad heeft openingen nodig, openingen voor verkeer, voor het heen en weer, het verkeren van mensen en goederen, voor de drukte van de stad als knooppunt, voor de stofwisseling met de omgeving. Dit metabolisme heeft er vaak toe geleid dat men de stad als een organisme is gaan opvatten. Het blijft echter een metafoor. Men kan de mensenstad, de orde van de polis, de politieke orde niet naturaliseren, want de polis is en blijft het tegendeel van de fusis, de natuur.

            De architectuurhistoricus Joseph Rykwert vertelt (in zijn tekst over ‘de idee van de stad’) dat de stad Rome gesticht werd door met een ploeg een cirkel te trekken. En de openingen in die cirkel zijn de plekken waar de ploeg even gedragen wordt en dus geen groef trekt, geen lijn. Dat zou de oorsprong zijn van het woord ‘porta’, van het Latijnse werkwoord ‘portare’: dragen. De poort is de onderbreking van de gesloten cirkel van de stad door het dragen van de ploeg. Wat er voor mij zo betekenisvol is aan die op zich vrij willekeurige anekdote over de oorsprong van het woord ‘poort’, is dat dit gebaar van het opheffen van de ploeg, als ritueel gebaar, het openbreken van de magische sluiting van de cirkel, de temenos, tastbaar maakt.

            De grens van de stad is een drempelruimte, zeker de poort: de onderbreking van de grens, de opening in de gesloten cirkel. De poort is daarom een liminale ruimte, een overgangsruimte. De doortocht door de poort is nooit neutraal, vandaar de triomfpoorten en triomfbogen. Vandaar de blijde inkomsten, enzovoort. Een stad wordt gesticht door de sluiting, maar veroverd door zijn openingen. In die zin is de feestelijke intrede van de vorst na de onderwerping, een herhaling van de stichting.

            Het sterke aan het verhaal van Dido en haar ossenvel ligt uiteraard in de list. Eén van de betekenissen van het Griekse woord ‘technè’, is naast kunde, kunst en techniek, ook list, listigheid. Kunde is een truc, kunst is bedrog. Het is dus zeker niet toevallig dat Dido de stad fundeert door en met en in een list. De stad is de plaats van de cultuur, het kunstmatige, het kundige, het weten, tegenover het wilde, de onwetende wildgroei van de natuur. De stad is gemaakt, niet geschapen. De stad groeit niet vanzelf maar wordt gesticht, geïnstitueerd, ‘geïnstaureerd’. Dido, zou in Vergilius, bij de scene van het ossenvel een woordspel hebben gebruikt tussen het Latijnse ‘tegere’, bedekken en ‘tenere’, houden, bezetten. Wat je met een ossenvel kan bedekken is iets anders dan wat je met een ossenvel kan afbakenen. Dus de list zit dan ook in een woordspel, dat Dido gebruikt om koning Iarba om de tuin te leiden. Is niet alle politiek (alle kunst van de stad) gegrond in de verschillende interpretaties die tegenpartijen aan de woorden van hun overeenkomst geven? 

            In elke stichting van de stad als nederzetting, als berging, als honkvaste verankering van de mens, wordt de overgang van het nomadische zwerven naar het sedentaire wonen voltrokken – of in een soort van mythologisch ritueel herhaald. In die zin is elke stichting van de stad of misschien zelfs elke stichting, een mythologisch re-enactment: het rituele herhalen van een oerhandeling. Alleen via de technè, kan de mens de sprong maken van fusis naar nomos. Men kan de tijgersprong van natuur naar cultuur alleen maar maken via de techniek, via de listigheid. List is mètis:La ruse de l’intelligence’ waarover de franse historici van het oude Griekenland Detienne en Vernant schreven: intelligentie is in het Griekse denken altijd ergens een list van de rede. Wat zou het anders zijn? Wie niet sterk is moet slim zijn. Zeker in het geval van Dido gaat het om een toe-eigening door list. De cirkel beschermt het onbeschermde leven van de vluchtelingen. Het naakte leven van de banneling wordt door de cirkel uit ossenvel afgeschermd in een polis, een politieke entiteit, een stad.

            En dan is er ook een hele kwestie met dieren, waar we niet omheen kunnen. Er is natuurlijk de os, die dan zijn echo krijgt in de ploeg die wellicht getrokken wordt door de os. Maar er is natuurlijk ook de wolf. Romulus en Remus, de stichters van Rome zijn wolvenkinderen. De stad is schatplichtig aan Moeder Natuur (hier in de gedaante van een wolvin), maar neemt er ook afscheid van. De wolvin is wild. De os is tam en ontmand. De os is misschien het symbool van de overgang van een nomadische naar een sedentaire cultuur. De os is het emblematische dier van de ‘agricultuur’, de landbouw. Trouwens de Feniciërs hebben volgens de legende bij het graven voor de funderingen van de muren van Carthago in de heuvel Byrsa (wat in het Grieks hetzelfde klinkt als ossenvel) ook een ossenkop gevonden, die wees op weelde maar ook op onderwerping, en een paardenkop die een voorteken was van militaire sterkte. De dieren zijn in de mythische cultuur de tekens van het lot van de mens. De rol van dieren is echter niet alleen mythologisch: dieren zijn van oudsher deel van de mensenstad. De stad is ook de berging van de dieren van de mens, een ark van Noah. 

            Maar toch is en blijft de stad het andere van de natuur. Alle politiek, de hele kunst van de polis, bestaat erin om aan de natuurtoestand, aan de wetteloosheid, het recht van de sterkste, de oorlog van allen tegen allen, de chaos, de anarchie, paal en perk te stellen. De stad is ingeperkt en van grenspalen voorzien om de natuurtoestand uit te sluiten. Daarom moet de nomos, de wettelijkheid, vooral de geest van de wet (aan de letter kan en moet voortdurend gesleuteld worden), met man en macht verdedigd worden, ook en vooral om het andere extreem van de anarchie, de tirannie, te vermijden. Terwijl de anarchie overeenkomt met de natuurtoestand (al dan niet rousseauïstisch verheerlijkt tot utopie), werkt de tirannie op basis van de permanente uitzonderingstoestand – het opheffen van de wet in het woord van de tiran (dat kracht van wet heeft). In modernere termen: de vervaging of opheffing van de scheiding der machten. De politiek, als kunst van de polis, heeft sinds de stichting van de steden, Carthago en Rome (of Athene, Uruk of Babylon,…), die twee extremen van burgeroorlog en dictatuur proberen te vermijden. Het moet gezegd: met wisselend succes.

            Daarom moet de mensenstad, of althans de politieke orde, de nomos, telkens weer hersticht worden. Dat gevecht voor de enig juiste politiek (tussen de extremen van natuurtoestand en uitzonderingstoestand, anarchie en tirannie), en dus voor een vorm van democratie, is helaas – ver voorbij Dido en haar ossenvel – brandend actueel. We hebben nood aan een nieuw sociaal contract. Misschien moet echter de verhouding tussen mensenstad en natuur, tussen technè en fusis, ons nog meer zorgen baren. Het Antropoceen: de tijd waarin de menselijke soort in die mate het hele lot van de planeet bepaalt dat het een nieuw geologische tijdvak is genoemd. Ook van die kant dringt een herstichting van de stad zich op, een nieuw contract met de natuur (op naar het parlement der dingen à la Latour!).

            In het licht van de ecologische catastrofe en de demografische explosie krijgt het sciencefictionscenario van een ruimte-exodus een nieuwe actualiteit. Wie weet komt het ooit zover dat we een nieuwe nederzetting, een nieuwe kolonie stichten ergens op een andere planeet. Dit sciencefictionvisioen leidt ons tot een verbijsterende ontdekking: de list van Dido is de list van de kolonisator. Onmiskenbaar. Die ‘Fenicische’ doet misschien alleen maar alsof ze op de vlucht is voor haar broer Pygmalion (die haar man zou hebben laten ombrengen om zijn rijkdom in te pikken). Maar misschien was dit koningsdrama alleen maar theater, allemaal komedie. Is de vlucht niet het mooiste excuus die een Feniciër kan verzinnen om een nieuwe Fenicische kolonie te stichten?

            De stichting van de stad is een oergeste van kolonisatie van grond, een listige toe-eigening binnen de eeuwige gebiedsuitbreiding. De kolonisering van het dagelijks leven en de kolonisering van de ruimte liggen, bekeken vanuit dit antropologische (en nogal misantropische) standpunt, gewoon in elkaars verlengde. Het ossenvel van Dido zou zich wel eens aan het eind van de rit kunnen uitstrekken over ruimtestations en gekoloniseerde planeten. ‘Dido’s probleem’ (hoe een zo groot mogelijk oppervlak met een zo kort mogelijke lijn te omtrekken) heeft naast een mathematische, misschien ook een heel filosofische kant: we zijn een koloniserende soort. Of erger nog: we zijn een koloniale soort.

            En als het moet sluiten we de poorten af met ploegscharen (en scheermesdraad natuurlijk). De ruimtekolonie is het ideaal van de totaal gesloten stad: een bubble (ook geometrisch de oplossing voor Dido’s probleem ongetwijfeld). De mensenstad beweegt zich op dit moment in de richting van de bubble als stedelijk ideaal. De gated community is een stad zonder ‘porta’, zonder contact, zonder stofwisseling met de omgeving. De shoppingmall is de banale (sub)urbane voorafname op de stad als ruimtestation. De shoppingmall (en de bijhorende uitzaaiing van verkavelingen) is en blijft het eindstadium van de stad, het einde van de stedelijkheid.

            Nu, wat er ook van zij, de basisgedachte van heel onze gedachtegang is intussen duidelijk: het stichten van de stad is een overgangsritueel, dat verschillende overgangen markeert: van nomadisch naar sedentair, van natuur naar cultuur, van wetteloosheid naar wettelijke orde, van vreemd naar eigen. Misschien is de stichting van de stad wel het belangrijkste collectieve ritueel in de geschiedenis van de mensheid.

            De stichting van de stad bevat echter ook een vervreemding: de polis is de politieke eenheid, de vorm van het stelletje ongeregeld van stammen (en hun eeuwige twisten), van clans en families. De polis is de politieke vorm voor de commons. De (stad)staat is de vorm van het vormeloze gemeenschappelijke, het gemene. Daarom is de staat (de polis) altijd ook een tegenpool van de menigte en haar gemeengoed. Maar de nederzettingen kunnen niet zonder politieke vorm, niet zonder de bancirkel van de nomos. Daarom is de stichting van de stad een vloek (hij lijkt een einde te maken aan het ‘anarchische’ van de menigte, van de gemeenschap, van het natuurlijke gemeengoed) maar ook een zegen (alleen de wet kan het gemeengoed beschermen en het gemene gebruik van de bossen, de gemene gronden, instellen).

            Vooral de ontbinding van de polis in de burgeroorlog is dat fatale noodlot dat door de cirkel van de nomos en het sociaal contract tussen de menigte en de soeverein, moet worden vermeden: de terugval in de natuurtoestand. De stichting van de polis of de herstichting van de staat door een nieuw sociaal contract, is telkens opnieuw een kantelmoment in de geschiedenis van een maatschappij (denk aan de perikelen in Egypte en de burgeroorlog in Syrië). Daarom is de stichting van de stad het belangrijkste collectieve ritueel van de mensheid.

            Maar dit evenement der evenementen heeft nooit plaats gevonden. Het kan alleen in mythen, epen, sagen en legenden worden naverteld. ‘Toen Dido aanspoelde aan de kusten van Afrika…’ , ‘Toen Aeneas aanspoelde op de kusten van Latium…’ De stichting van de stad is altijd een legendarische fictie, omdat de echte fundering van de stad in nevelen is gehuld – want in de unspeakable act van de kolonisering ligt, in het recht van de sterkste (of de listigste). De stad ontstaat in en uit de natuurtoestand (kolonisering, oorlog, etc).

            Erger nog, in de mensenstad, binnen de nomos van de staat, zet het recht van de sterkste zich door: de onderdrukking, niet alleen door de usurpator van de macht, de tiran, maar door het inherent tirannieke van de macht, van al wie de macht heeft, soeverein is en/of rijk, en dus de wet kan gebruiken – de weegschaal van het recht kan niet altijd op tegen het gewicht van het goud. De natuurtoestand werkt altijd door en keert terug, in extremis, als uitzonderingstoestand, de opheffing van de wet door de tiran, wat dus ook een vorm van wetteloosheid is (maar dan die van de dictatuur).

            Daarom heeft de stad zijn ondergrond en zijn marges. Extra muros bevinden zich de afvalligen, de zieken, de filosofen (die ontsnapt zijn aan de gifbeker of de brandstapel), de opposanten, de malcontenten, de vervolgden, de onaangepasten, de wierdos  – alle excentriekelingen houden zich verre van het centrum.

            Na de dood van Socrates vond Plato een onderkomen voor de filosofie in een sportschool (laten we dat nooit vergeten: het eerste onderkomen van de academia is een turnclub), ook Aristoteles gaf les aan een sportschool, het gymnasium. En hij nam de benen toen het hem in Athene te heet werd onder de voeten. Toch hoort de filosofie thuis in het centrum van de mensenstad, op de agora. Zoals Christus de handelaars uit de tempel verdreef, zo moet elke leerling van Diogenes de machthebbers de mantel uitvegen. De filosoof is niet geschikt voor de macht (zoals Plato dacht, bij Strauss wordt hij zelfs raadgever van de tiran) maar hij is wel een van de belangrijke hoeders van de mensenstad. Daarom zijn publieke intellectuelen van levensbelang voor de democratie. Het doorwerken van de natuurtoestand en de uitzaaiing van de uitzonderingstoestand in de mensenstad aan de kaak stellen, is de hoogste politieke taak van de filosofie.

            Filosofen zijn altijd aan het herzien, aan het herdenken, aan het ondersteboven keren, aan het achterwaarts vooruitdenken – en in hun innerlijke monologen zijn ze bezig met het herstichten van de stad. Daarom hebben filosofen al van voor Plato nagedacht over de best mogelijke, ja zelfs ideale politieke orde (Hippodamus, de eerste urbanist, schreef al een utopie!). De perfecte cirkel: niet meer dan een projectie, het uitwerpen van stippellijnen, flinterdunne flarden ossenvel rond een heuvel. De verleiding, de ingeboren list, het gezichtsbedrog van de perfecte cirkel. De perfecte stad is een utopie en een illusie. Maar de imperfecte stad moet verbeterd worden, moet gelijken op, zich meten aan die oercirkel van ossenvel – de nomos: elke wet moet gemeten worden aan het idee van de wet, de gerechtigheid. De cirkel, hoewel met list gelegd, overstijgt de list, in de list van de rede overstijgt de cirkel van de nomos met noodzaak zichzelf: vooruitgang is een vooruitgang in de wettelijkheid en de gerechtigheid. In het eenvoudige gebaar van Dido zit, alles welbeschouwd, heel de complexiteit van de mensenstad vervat.

[*De tekst is het resultaat van een nachtelijke brainstorm met Pascal Schwaighofer over een werk van hem, Mythological re-enactment, dat deze scene met het ossenvel verbeeldt.]

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!