Google-screenshot blauwe planeet

De ontdekking van de blauwe planeet (een filosofische verjaardagskaart)

zondag 3 februari 2013 18:16

Omdat de maanlanding een van de wereldhistorische gebeurtenissen was van mijn kindertijd – ik werd tien in 1969 – was ik gek op alles wat met ruimtevaart te maken had. Nu, ook zonder de maanlanding was mijn ruimtevaartgekte misschien voorgevallen: het was immers toch de space age. Ik liep voorwaar in de buik van mijn moeder rond op de wereldtentoonstelling van 1958. Dus ik heb de spoetnik en de raket van Kuifje door de ogen van mijn moeder gezien, de hele afstand tussen de gedroomde en de gerealiseerde ruimtevaart heb ik in embryonale toestand afgelegd. Voor mij is het atoomtijdperk en de bijhorende atoomstijl een prenatale ervaring.

Mijn ruimtevaartcollectie stelde helaas niet erg veel voor: ik had een mooi boek over ruimtevaart, met op de cover de historische foto van de aarde die aan de horizon van de maan verschijnt, en ik had wat parafernalia, wat weet ik eigenlijk niet meer. En toch meen ik dat deze fascinatie voor ruimtevaart mijn leven fundamenteel heeft bepaald. Natuurlijk niet zo erg dat ik kosmonaut geworden ben. Nu ik het opschrijf begin ik te lachen. ‘Ben je wel zeker?’, vraagt een stem in mij. Ben ik een kosmonaut?

Misschien wel. Het denkbeeld van ‘de mens als kosmonaut’ is, nu ik er zo over nadenk, ook ongetwijfeld een van de belangrijke ontdekkingen die ik aan mijn kinderlijke fascinatie voor ruimtevaart overhoudt: dat we allemaal medereizigers zijn op Spaceship Earth. Maar die idee (van de mens als kosmonaut) begint al met Joeri Gagarin. Hij was een van mijn helden bij uitstek.

Belangrijker nog dan Paul Van Himst of Will Tura misschien. Zijn naam alleen al: Joeri Gagarin. Jaren later, lichtjaren later ben ik opnieuw op Joeri Gagarin gestoten. Terwijl ik na mijn doctoraat meewerkte aan een bloemlezing over architectuurtheorie. Het was een echte aha-erlebnis.  In een van zijn meest scherpe en zelfs geestige bladzijden vereeuwigt Emnauel Levinas Gagarin als antiheideggeriaanse, ik zou bijna durven zeggen antifascistische held: tegenover de gevaarlijke eigenheid en eigenlijkheid van het gewortelde wonen van Heidegger (en ook tegenover bloed en bodem), stelt Levinas het nomadische van de mens als kosmonaut, die zich losmaakt van de donkere natuur, de duisternis van de aarde en de plek… Indrukwekkend, poëtisch en polemisch tegelijk. Ook Hannah Arendt schrijft in 1958 haar boek over de menselijke conditie juist vanuit het oogpunt van de mens die de aarde verlaat, als een soort terugblik.

Het lijkt me waarschijnlijk dat de ruimtevaart voor mij ‘voorbeeldig’ is geweest,  in de zin van paradigmatisch. Meer zelfs: de ontdekking van de blauwe planeet is een kantelmoment in de menselijke geschiedenis. Het is een ontdekking van jewelste: het is tijdens die ruimtereizen van de jaren zestig dat de camera voor het eerst beelden maakte van de aarde in haar geheel. (De eerste foto is van 1966 en is zwart-wit, de eerste kleurfoto is door Apollo 8 in 1968, en in 1957 is er zelf al een getrokken door de Russen). Het is in die tijd dat de mensheid voor het eerst zijn onderkomen in het heelal, zijn kosmische woonst echt voor zich ziet, als een object, als een hemellichaam. En dat we vaststellen dat die planeet er blauw uitziet, mooi, subliem zelfs. Maar ook fragiel. De bloedmooie blauwe planeet. Blijkt nu volgens de engelse wikipedia dat de foto van de blauwe planeet uit 1972 stamt, en hij heet the blue marble. Nooit van gehoord: de blauwe knikker. Nee, niet bij ons. Wat er ook van zij, de eerste foto’s van de blauwe planeet waren een mokerslag van een openbaring.

Het lijkt me dan ook niet toevallig dart het woord planetair iets van een magnetische werking op mij uitoefent. Ik hou van de planetaire schaal en die bestaat alleen in de afstand tussen het al te intieme, microscopische en het gigantische, macroscopische, het galactische. Voor mij, misschien sinds ik op mijn tiende naar de aarde ben beginnen kijken vanaf de maan, vanuit de patrijspoort van een ruimtecapsule, als een ingebeelde astronaut, is het planetaire de juiste schaal, de ultieme norm, het ijkpunt. Dat is me nu zonneklaar. Mijn hele wereldbeeld komt daar vandaan, het heeft mijn kinderkosmologie wezenlijk bepaald. Het is mijn metafysica en mijn mystiek.

Sterrenkijken is nog wat anders dan dat wat ik bedoel met de ontdekking van de blauwe planeet. Dat is het kosmische. Dat besef dat opkomt door het kijken naar de sterrennacht is een kortsluiting van het niet te vatten immense, dat is het sublieme. Terwijl de ontdekking van de blauwe planeet meer de ontdekking is van de wezenlijke broosheid van de aarde. De blauwe knikker is een naald in de hooiberg van het universum…

Zegt mijn vrouw terwijl we op een nazomerdag de ondertitel van een nieuw boek, Entropic Empire (nu te koop!), aan het afwegen zijn, namelijk ‘Considerations on the Planetary State of Emergency’ of ‘Or The New World Disorder’ (het werd geen beide) – zegt ze, om de eerste mogelijkheid definitief af te knallen: ‘En daarbij altijd dat planetaire!’. Ik zeg: “Auw! Dat doet pijn!”. We lachen, maar het is waar: ik gebruik het woord planetair te pas en te onpas. Het is pas door het geplaag van mijn vrouw dat ik het mij ten volle bewust wordt: de andere woorden voldoen niet. Te beginnen met het internationaal. Voldoet niet. Ten eerste: naties zijn achterhaald, ten tweede: er zijn duizenden, miljoenen staatlozen, te beginnen met de Palestijnen en dan de steeds groeiende groep zogenaamd illegalen. Dus met het woord international kan ik niets aanvangen. Het woord globaal evenmin. Globaal is slecht Nederlands, als het gebruikt wordt voor de planetaire schaal. Het komt van het Engels global, in het Nederlands betekent globaal: in globo, een zaak in zijn totaliteit bekijken, over het algemeen. Ideaal voor afrondende opmerkingen. En zo kan ik nog even doorgaan. Wereldlijk gaat ook niet, want te archaïsch, te theologisch. En universeel is te groot. Dus: planetair.

Ik ben, hoe kan het ook anders, ook gefascineerd door wereldbollen. Ik heb er een tentoonstelling over uitgedacht voor het jaar 2000 in het Plantin-Moretusmuseum. Orbis terrarum. Hedendaagse wereldbollen en wereldkaarten in een sprookjesachgtig historisch kader… Wat mij telkens weer opviel: de globes van Mercator en de zijnen waren niet blauw. Niet dat diepe, machtige, koningsblauw, dat donker lapis lazuli van de blauwe knikker. Ze zijn fletsgroen, bruinig, vergeeld. Mercator had zeker de juiste pigmenten in huis gehaald, had hij geweten dat den aardkloot in werkelijkheid blauw was, maar hij wist het niet. Wat moest worden bewezen. Quod erat demonstrandum: de ontdekking van de blauwe planeet was een paradigmashift, minstens een coloristische. En de breekbaarheid van die knikker, de broosheid van dat ecosysteem – ook die kon Mercator niet zien.

Mijn fascinatie voor de kosmos, voor het heelal is niet tot een jongens-en-wetenschap-passie voor sterrenkunde uitgegroeid, jammer misschien. Maar, wel tot een filosofisch insisteren op de planetaire schaal. Zo staat de publicatie van Grenzen aan de groei in 1972 voor mij zonneklaar in een constellatie met de ontdekking van de blauwe planeet in 1969. We leerden in de lagere school al over de Noordzee als Moordzee. Mijn complimenten voor de schoolmeesters van toen. We zeggen en schrijven ergens rond… 1969. Ja, het is een constellatie. Er zullen wel meer punten deel uitmaken van die figuur. De maangekte, de lunacy van de hippies bijvoorbeeld? Vergezocht. De New Age? Misschien. Maar één ding staat als een paal boven water, één beeld beheerst alles, ik zou bijna zeggen mijn hele leven:  de blauwe planeet staat als een breekbaar hemellichaam aan de horizon van de Maan. Ik zie het maar al te duidelijk vanuit mijn patrijspoort.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!