Screenshot Google Afbeeldingen

Digitale sneeuw

dinsdag 29 januari 2013 13:11

We waren met mijn vriend Juup weer eens aan het werk aan de computer waar, zoals bekend, altijd wel wat aan scheelt. Ik vroeg, meer om de tijd te doden dan uit hoogdringendheid: ‘Wat is een torrent?’ Juup antwoordde kort: ‘Een letterbak. Het is eigenlijk een raster. Neen, het is anders, het is als een schilderij. Een schilderij van Emile Claus. Allemaal puntjes.’ ‘Dus, een torrent is digitaal pointillisme?’ vulde ik aan. ‘Alles op een computer is een bouwpakket van stipjes. Stipjes en streepjes: tekens. Het is allemaal zo… ancient’, zei hij gemaniëreerd, wereldwijs en bijna moedeloos. ‘Binnenkort zijn we er ook niet meer. Binnenkort is alles gedigitaliseerd. En gelukkig maar.’

Maar gelukkig was hij niet, want zonder overgang vervolgde hij heel Hollands: “Alles gaat naarrrr de rrrratsssmodeeeei.” Meteen begon hij het woord te googlen. Juup houdt van vreemde woorden. Ratsmodee komt van het Jiddisch, en het betekent zoals de goede verstaander al had begrepen dat iets kapot gaat of naar de vaantjes is. Juup vervolgde docerend, terwijl hij aan mijn antieke bureaulamp zat te frunniken, omdat de spaarlamp er wat vierkant en treurig uit hing: ‘Wat eigenlijk absoluut van de hond in de pot is, is het feit dat alles gedigitaliseerd kan worden. Alles is te kopiëren, niets is nog uniek’. Die namiddag hadden we het nog over van alles, maar niet meer over digitalisering.

Een paar weken later zit Juup weer aan mijn computer te priegelen. Ik wil terugkomen op dat pointillisme, want daar zat nog meer in, maar Juup houdt niet zo van lang uitgesponnen conversaties. Hij springt liever van de hak op de tak. Ik wilde erop terugkomen omdat ik net nog opnieuw naar de Matrix had gekeken en er was op doorgegaan in een les. De bottom line was: probeer altijd de constructie te zien. Dit is ongeveer wat ik zei: ‘Twee jaar geleden hebben we gezien, toen we het boek Archeologie van de kick lazen, dat de Alpen en ook het strand eigenlijk niet alleen ‘onhistorische landschappen’ zijn, maar ook historische constructies. De Alpen en het strand zijn om zo te zeggen niet alleen ontdekt, maar ook uitgevonden. Dat perspectief is voor mij cruciaal. Als je één ding van al mijn lessen onthoudt, dan mag het voor mij dat zijn: probeer zo naar de dingen te kijken, dat je altijd ook de constructie ziet. Doorzie de Matrix.’

Toen ik het vertelde aan Juup, had ik duidelijk een snaar geraakt. Hij begint zijn gedachten over het digitale pointillisme uit te spinnen: ‘Het analoge, ambachtelijke bestaat niet meer, alles wordt digitaal kopieerbaar. We zijn omringd door replica. En,’ zegt Juup terwijl hij bedachtzaam aan zijn sigaret lurkt, ‘het vreemde is dat mensen er genoegen mee nemen. In die zin was Warhol een ziener. We leven is een wereld van doorslagjes, hoe geperfectioneerd ook, hoe high definition ook, het blijven een soort van zeefdrukken, serie-reproducties.” Ik ben onder de indruk van de trefzekerheid waarmee Juup, die als computerspecialist toch zowat leeft in de digitale wereld, er zo kritisch en lucide tegenover staat. Ik vraag: “En jij gaat ervan uit dat de analoge, ambachtelijke wereld ook echt zal verdwijnen?” Juup, even trefzeker: “Neen, maar hij sneeuwt onder.” ‘Dat heb je heel mooi gezegd, Juup, de echte wereld raakt ondergesneeuwd. Misschien is het niet toevallig dat ook in de film the Matrix de Matrix een soort van cijfersneeuw is. Ja, een pointillistische weergave van contouren. Op het moment dat Neo de Matrix doorziet, ziet hij digitale sneeuw in plaats van de geprojecteerde contouren en de valse werkelijkheid binnen de Matrix. De witte ruis op de televisieschermen van onze jeugd, heette ook sneeuw. Misschien moeten we er een heel boek over schrijven – een bestseller, dat spreekt voor zich: Digital Snow.’

Juup brengt in het midden dat een CD minder kwaliteit heeft dan een LP en er toch weinig mensen zijn die nog naar LP’s luisteren. Ik zeg: ‘Ik ben een man van het analoge tijdperk.’ Waarop Juup: ‘Dat zou waar zijn, als je alleen vinylplaten draaide, bandrecorders en cassettes gebruikte, etc.’ Waarop ik: ‘Ik weet het. Dat is het nieuwe: de digitale revolutie, het internet, de informatietechnologie – het is allemaal allesomvattend geworden. Je kan er niet aan ontsnappen, je kan niet ontsnappen aan de Matrix.” Juup probeert verder door te dringen in het digitale pointillisme. “Het zit ook in het woord,” zegt hij “analoog verwijst uiteraard naar analogie, wat overeenstemmend, gelijkend, nabootsend is. Naar analogie van, naar gelijkenis van. Daartegenover zijn digitale kopieën absoluut.” Ik volg even niet en kom niet veel verder dan een vraagteken. De kortsluiting ligt ergens tussen de Warholiaanse zeefdrukken en het absolute: de doorslagjes van daarnet blijken plots absoluut te zijn. Juup legt uit dat analoge kopieën hun eindigheid tonen omdat er verlies op zit. De kwaliteit van de reproductie degenereert. De generaties van de reproducties gaan snel achteruit. Oude films waren versleten als ze teveel gedraaid werden.

Als ik begin over de etsen van Piranesi, die ook in de verschillende drukken groezeliger worden, mijmert Juup over de hand van de meester. Hij zegt: ‘De hand van de meester is afwezig. Die hand die met die verliezen wist om te gaan, wist te kampen, ze wist in te dijken. Nu is er een onontkoombaar alternatief: alles wordt gedigitaliseerd. Of beter, nu is er geen alternatief meer. Probeer eens een goed fotolab te vinden, zelfs dat kost nu al een aardige duit.’ Ik vul aan: “En dat is eigenlijk nog niet eens ambachtelijk’. Dan ga ik verder door op die sneeuw: ‘De versnelling van de informatietechnologie maakt dat ook wijzelf ondergesneeuwd raken, bijvoorbeeld verdrinken in de mailmaalstroom – dat alleen al. De informatieoverkill, de overvloed, ja we raken ondergesneeuwd. En ik noteer als conclusie: op het moment dat we helemaal zijn ondergesneeuwd is het onmogelijk geworden om nog de constructie te zien. Wij zijn digitaal sneeuwblind.

Een paar dagen later, als ik mij weer eens erger aan het irritante getuut dat mijn laptop produceert wanneer hij mij vingerafdruk niet meteen herkent, denk ik: ik heb mij laten doen. Toen we samen een nieuwe laptop hadden gekocht, wou Juup per se dat ik op mijn laptop ‘fingerprintrecognition’ had. Een van de technologiewetten van Gunther Anders: als het mogelijk is, zal het gedaan worden. Hoe meer ik protesteerde hoe vastberadener hij was – hij installeert je nieuwe laptop, dus zeg je tot jezelf: ‘ach, ik kan hier geen princiepkwestie van maken’. Nu heb ik dus toegang tot mijn laptop niet via een wachtwoord maar via de barcode van mijn vingertoppen. Grapjas. Nu, ik moet het toegeven: in feite is het heel gemakkelijk.

De vingerafdruk gebruiken als barcode is de logica zelve. Het zit onze technologie om zo te zeggen in de genen. Het lijkt wel in de sterren geschreven: zijn vingerafdrukken niet altijd al onderweg geweest naar hun digitale toestand als barcode? Dat is een kolos van een vraag. Dat is de oorsprong van alle digitale mystiek: dat alles, het geheim van het leven zelve, het genoom, zich in onze tijd geopenbaard heeft als een barcode. Dat is onuitsprekelijk diepzinnig, maar vooral ook totaal onuitstaanbaar. Het lijkt een slechte grap van God. Mijn vingerafdrukken als barcode, nee, mijn hele hebben en houden, is niet meer dan een genetische code, die vanuit de allerkleinste partikels van mijn lichaam kan gereconstrueerd worden. Mijn genetische handtekening is overal, tot in de schilfertjes die uit mijn haar vallen. Zelfs dat is digitale sneeuw. Dat is toch obsceen, Meneer God! Moest dat nou? 

Dit is een fragment uit Het Boek der verbazing. Van de grote woorden en de kleine dingen. Een boek dat onder meer hier onstaat. Van Lieven De Cauter, “een warrige professor die, gezien het niveau van zijn tussenkomst, de gunst van de anonimiteit behoeft”, (Bart Sturtewagen in De Standaard, 29/12/2012).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!