Opinie, Nieuws, Wereld, Samenleving, Identiteit, Emancipatie, Individualisme, Neo-liberalisme, Vzw Motief -

Opstaan uit het bezette denken: emancipatie in neoliberale tijden

Wie Motief een beetje kent, weet dat wij van verhalen houden. Verhalen die iets openbaren van wat in het dagelijkse meestal verborgen blijft. Verhalen die als kleine broodkruimels een weg helpen te vinden bij het zoeken naar gerechtigheid. Verhalen die je wakker en warm houden, wanneer de uittocht langer blijkt dan verwacht. We hebben ze in alle vormen en maten: profetieën, parabels, gedichten en metaforen.

dinsdag 20 november 2012 11:01

‘Opstaan uit het bezette denken – emancipatie in neoliberale tijden’ is de titel van dit stuk. Ik zie u al denken: Hoe moet ik in godsnaam hierdoor geraken, en wie bedenkt trouwens zo’n monsterlijke titel?! Ik beken schuld. Een dergelijk zwaarwichtig thema sméékt om een verhaal. Ik heb daarom een parabel voor u.

De parabel gaat als volgt:

“Het is in neoliberale tijden als met een vrouw die telkens wanneer zij te lang in de plaatselijke zwemkom had doorgebracht, daar een geïrriteerde huid aan overhield. De jeuk was niet te harden en ze maakte zich zorgen over de littekens die ontstonden door het krabben. Zij zocht een geneesheer op en die schreef haar een zalfje voor, aan te brengen voor en na het zwemmen. De jeuk verdween als sneeuw voor de zon maar na een aantal zwembeurten werd de vrouw opnieuw door ongemakken geplaagd, dit keer: hevige astma-aanvallen. De geneesheer schreef haar een inhaler voor, te gebruiken voor en na het zwemmen. Indien nodig, ook tijdens”.

“De astma-aanvallen namen af. Maar op een blauwe maandag merkte de vrouw verlammingsverschijnselen op tijdens het zwemmen: haar armen werden plots loodzwaar, haar voeten weigerden nog langer te trappelen. En terwijl ze langzaam naar het diepe wegzonk, zag ze boven zich de benen van andere zwemmers in slow motion voorbij komen. Allemaal vuurrood en geïrriteerd. Toen ze de bodem van het zwembad raakte en stilaan ijl in het hoofd werd, zag ze nog een redder naderen. Hij droeg een bordje bij zich. Net voor alles zwart werd, kon de vrouw ontcijferen wat er op stond: ‘Indien u zich hier bevindt, dan schort er iets aan uw zwemtechniek’. En in hele kleine lettertjes daar net onder: ‘Het zwembad is niet aansprakelijk voor gebeurlijke ongevallen’ “.

Aan de hand van dit verhaal zal ik mij een weg trachten te banen doorheen dit zwaarwichtige thema van onze dag. Ik zal dit in 7 stappen doen.

1. De werkelijkheid: als het jeukt… moet je krabben?
2. De neoliberale logica: voor elk jeukje: een zalfje!
3. De patiënten: wie voelt de jeuk?
4. De behandeling: zalven of stoppen met zwemmen?
5. Bijna vergeten: De diagnose!
6. De behandeling (tweede poging): you scratch my back, I’ll scratch yours
7. En hoe de jeuk op lange termijn uithouden?

1. De werkelijkheid: als het jeukt… moet je krabben?

Laten we onze analyse beginnen bij de alledaagse werkelijkheid. Als socio-culturele vormingsinstelling gespecialiseerd in ‘levensbeschouwing en samenleving’ komen we in onze Motief-vormingen die alledaagse werkelijkheid tegen vanuit heel uiteenlopende perspectieven: in onze leerhuizen krijgen we de alledaagse verhalen van individuele zoekers via de welbekende ‘rondjes’; in onze kadervormingen horen we de verhalen van professionelen op de werkvloer via casusbesprekingen.

Ik begin met een fragmentje alledaagse werkelijkheid dat kwam bovendrijven in één van onze leerhuizen. De vraag die op dat moment centraal stond was: Wat vervreemdt ons van onszelf en van mekaar?

Een jonge vrouw met twee kinderen vertelt over de vernietigende werkdruk waaronder haar echtgenoot – hij werkt voor een grootbank – tot voor kort gebukt ging en hoe die bijna tot een depressie had geleid. De nefaste situatie begon zich intussen langzaamaan te herstellen doordat zijn werkgever hem inmiddels in een andere (weliswaar lagere) functie had geplaatst. Daardoor verdient de man nu wel minder, maar hij voelt zich beter in zijn job.

Probleem was nu alleen nog dat de afbetaling van hun huis in het gedrang kwam. Daar moest nog een oplossing voor gevonden worden. Op de vraag of ‘kleiner gaan wonen’ een uitweg zou kunnen bieden, komt ontzettend veel weerstand. Het antwoord van de vrouw: Het gaat hier wel om onze kinderen. Zij hebben toch recht op ieder een eigen slaapkamer, en een tuin om in te spelen. Of moeten wij hen dan allerlei spulletjes gaan ontnemen –binnen de kortste keren horen ze er op school niet meer bij!”.

Het is een voorbeeld van hoe irritatie groeit… We laten het voorlopig even jeuken.

Een ander voorbeeld: in onze kadervormingen krijgen we nogal wat vragen omtrent ‘het leren omgaan met levensbeschouwelijke en etnisch-culturele diversiteit’. Het is een vraag die zich blijkbaar in alle sectoren opdringt, maar wij krijgen tegenwoordig vooral vragen vanuit de dienstensector: van maatschappelijke werkers, over opbouwwerkers tot jeugdwerkers, van onderwijs tot hulpverlening en zorgsector… overal lijkt men vast te lopen op de toenemende diversiteit in onze samenleving.

Wat ons tijdens deze kadervormingen telkens weer opvalt bij de bespreking van cases, is dat niet zozeer de diversiteit onder cliënten de professionals voor onoverkomelijke dilemma’s plaatst, maar wel de werksetting waarin zij verkeren. Die werksetting typeert zich in al die verschillende sectoren vaak op eenzelfde wijze. Er is sprake van :

  • allerhande regels en procedures die gevolgd moeten worden om de efficiëntie te verhogen via een vastgelegde reeks van ‘zakelijke interventies’ en een ‘professionele afstand’ t.a.v. de cliënt
  • een verregaande opdeling van het werkproces waardoor de voeling met de mens die voor je zit en met zijn context verdwijnt, waardoor ook de betekenis en zin van je eigen handelen in mist opgaat. Professionelen voelen zich ‘een radartje in een niet te overziene machine’.
  • een uit zijn voegen barstende bureaucratie: ‘meten is weten!’ Het verantwoording afleggen t.a.v. de eigen directie of de (subsidiërende) overheid neemt absurde proporties aan. Gevolg: professionelen die van achter de stapels papierwerk hun cliënten niet meer zien zitten en dus nauwelijks ruimte overhouden voor menselijk contact.
  • jonge, pas aan de universiteit afgestudeerde ‘managers’ die op een onbegrijpelijke manier de werkvloer komen herinrichten terwijl ervaren werkkrachten geen inspraak in het beleid krijgen.
  • een ontstellend gebrek aan overleg en ethische reflectie omtrent het waarom en waartoe van de professionele opdracht.

Kortom: In de werksetting van al deze professionelen zien we een verzakelijking, net in een sector die bij uitstek om mensen draait. Wat nu het effect van deze werksetting op werknemers is, laat zich raden: een cocktail van stress en vervreemding, demotivatie, onbestemde frustraties, onderlinge concurrentie, ademnood, burn-out.

In deze geïrriteerde context wordt het probleem – de jeuk, zeg maar – benoemd als ‘te grote diversiteit’. In een monocultuur van efficiëntie is inderdaad geen ruimte voor diversiteit. Maar het is niet alleen diversiteit die voor jeuk zorgt. Ook personeelstekort creëert krabneigingen. Verhoogde werkdruk op een moment dat we de boodschap krijgen dat we langer zullen moeten blijven werken… Het jeukt overal tegelijk en het is niet eens duidelijk waar we moeten krabben.

Tijd voor een reclameblok: www.voeljegoedophetwerk.be

Aangezien ‘praten helpt’, ga ik er nog even mee door…

Die tendens tot verzakelijking is niet nieuw, maar komt van de profit naar de non-profit overgewaaid via een managerscultuur die daar al jaren ‘meerwaarde’ oplevert. Ook in de zachte sector wordt het onderhand tijd dat we gaan ‘professionaliseren’, dat we onze opdracht in vijfjarenplannen gaan uittekenen met strategische en operationele doelstellingen en daaraan verbonden acties – alles uiteraard ‘SMART’ geformuleerd (voor de leken: Smart is een afkorting en staat voor Specifiek, Meetbaar, Aanvaardbaar, Realistisch en Tijdsgebonden). Want meten is weten!

Het vraagt natuurlijk allemaal wat vertaalwerk naar de zachte sector, maar het is niet onmogelijk. Om het effect van je dienstverlening te kunnen meten, moet je je diensten vooreerst als ‘producten’ voorstellen. Om vervolgens menselijke relaties – de relatie tot je cliënt bijvoorbeeld – op hun waarde te kunnen schatten, moet je niet aan mensen maar aan ‘consumenten’ denken.

Om tenslotte ook de ‘meerwaarde’ van je handelen te kunnen afwegen, moet je niet kijken naar de impact die het heeft op je doelgroep maar je focust op het aantal consumenten dat je producten blijft afnemen. Je organiseert een behoeftenonderzoek onder ‘stakeholders’ (belanghebbenden) en je stemt je producten daarop af. Vraag en aanbod.

Ik kom hier straks op terug. Laat ons eerst even naar de jeuk kijken.

2. De neoliberale logica: voor elk jeukje een zalfje!

Dezer dagen werpt psychoanalyticus Paul Verhaeghe hoge ogen met een ontluisterende analyse van onze hedendaagse westerse samenleving. In zijn laatste boek ‘Identiteit’[1] ontleedt hij hoe wij, onder invloed van de neoliberale meritocratie, onszelf een uniforme identiteit trachten te construeren waarmee we naar de buitenwereld de schijn kunnen hooghouden dat we ‘geslaagd en succesvol’ zijn, ‘in controle’ en multi-inzetbaar, flexibel en stressbestendig, permanent in ontwikkeling ook, manager-van-jezelf, evenwichtig en vooral ook: gelukkig! Wie er niet in slaagt aan dit ideaalbeeld te voldoen, is een ‘loser’ en valt al gauw uit de boot maar heeft dat dan ook alleen maar zichzelf te verwijten.

Verhaeghe formuleert het als volgt: “In dit tijdperk van de maakbare mens voelt het merendeel van ons zich meer dan ooit verantwoordelijk voor het eigen falen. Het onderzoek van socioloog Piet Bracke bevestigt dit: er zijn veel meer depressies dan vroeger, en de betrokkenen ervaren hun depressie als een persoonlijke mislukking. Bij de angststoornissen zijn er twee toppers op te merken: faalangst en sociale angst. Begrijp: angst voor de ander, die hetzij een beoordelaar, hetzij een concurrent is en soms zelfs beide tegelijkertijd”[2].

Falen wordt als een individueel probleem voorgesteld, een ‘stoornis’, en wordt op die manier ook losgekoppeld van de maatschappelijke context. Nochtans komt ons streven naar het ideaalbeeld van de ‘winnaar’ niet zomaar uit de lucht gevallen. De normen en waarden die dominant zijn in onze samenleving, zijn ontstaan in een welbepaalde context, zijn gegroeid vanuit een zeer concrete materiële werkelijkheid. Je zou kunnen zeggen dat elk samenlevingsmodel zijn eigen ideologie ontwerpt om zo te kunnen verantwoorden waarom de dingen lopen zoals ze nu eenmaal lopen.

Een ver doorgedreven kapitalistische samenleving die gebaseerd is op grenzeloze economische groei, concurrentie, efficiëntie en winststreven heeft dus nood aan burgers die grenzeloos mee willen groeien en prestatiegericht zijn, die elk ander levend wezen als concurrent beschouwen, burgers die hyperperfectionistisch aan zichzelf willen schaven tot ze de efficiëntie van een machine benaderen maar tegelijk de rust van een zenmonnik uitstralen en ondertussen zonder gewetensproblemen de ‘losers’ achter zich kunnen laten.

We laten even Paul Verhaeghe zelf aan het woord. Hier een fragment van de presentatie van zijn boek ‘Identiteit’ in De Vooruit, Gent. Volledige opnamen te bekijken via: http://www.youtube.com/watch?v=I-YMXZCFy0A (2min. 41)

In zijn vorig boek ‘Het einde van de psychotherapie’[3] beschreef Verhaeghe hoe het neoliberalisme zijn eigen vakgebied fundamenteel hervormd heeft. Wanneer alles ‘gecommodificeerd’ wordt, wanneer alles dus benaderd wordt als product dat verhandeld kan worden en winst moet opleveren, – ook mensen zelf (‘menselijk kapitaal’), menselijke relaties, ook onze gevoelswereld – als alles dus tot handelswaar gemaakt wordt, dan krijg je het effect dat hulpverleners niet langer ondersteunend hoeven te zijn in het zoekproces van cliënten naar meer autonomie, mentaal welbevinden en reële handelingsruimte.

De taak van hulpverleners in de beschreven context kan zich dan beperken tot het opsporen van disfunctioneel of onaangepast gedrag, men dient de symptomen ervan te definiëren in termen van een ‘stoornis’ of een ‘kwaal’ om vervolgens te kunnen overgaan tot het wegwerken van de symptomen via medicatie. In concreto betekent dit bijvoorbeeld: een gebrek aan concentratie en een te grote ongerichte activiteit gaan we definiëren als ADHD. En gaan we oplossen met het voorschrijven van Rilatine.

Het stellen van een diagnose is overbodig, ja, zelfs hinderlijk en contraproductief, want het zoeken naar de oorzaken van de ‘stoornissen’ zou te tijdrovend zijn, de kosten omhoog jagen en wellicht ook structurele maatschappelijke verandering vereisen. Allemaal zaken die ongewenst zijn wanneer time money is, en wanneer ons economisch model fundamenteel niet in vraag gesteld mag worden.

Gevolg is dus dat de mentale gezondheidszorg zich alsmaar minder gaat richten op heling, en alsmaar vaker gaat focussen op aanpassing aan (economisch) gewenst gedrag, of anders gezegd: inpassing in het systeem. Integratie. Fundamenteel draait het erom dat mensen over de mentale stabiliteit en fysieke gezondheid dienen te beschikken om flexibel en efficiënt mee te (blijven) draaien in the ratrace. Om het even kort door de bocht samen te vatten.

Er ontstaat met andere woorden een cirkelbeweging. De neoliberale samenleving creëert eigen stoornissen (concentratiestoornissen, eetstoornissen, depressie…), men individualiseert deze stoornissen (los van maatschappelijke context), legt de oplossing in symptoombestrijding en bouwt daar vervolgens een industrie omheen. Voor elk jeukje, een zalfje dus.

3. De patiënten (onderklasse en middenklasse): wie voelt de jeuk?

Alle zalfjes ten spijt, je hoeft geen dokter te zijn om te beseffen dat zonder een diagnose de jeuk telkens in nieuwe kwalen zal blijven opduiken. Dat is helder. En dat die irritatie waar we geen adequaat medicijn voor vinden geen particulier geval is, maar bij brede lagen van de bevolking voorkomt, dat is intussen ook wel duidelijk. Misschien is er niet zozeer iets mis met uw en mijn huid. Zou de oorzaak van de jeuk misschien kunnen liggen in de samenstelling van het water waarin we allen zwemmen?

Zoals ik eerder al zei is de ‘vermarkting’ en ‘rationalisering’ die we vandaag meemaken allesbehalve een nieuwe evolutie, en ze beperkt zich al helemaal niet tot Verhaeghes vakgebied. Hij beschrijft zelf hoe hij deze verontrustende evolutie niet alleen in de gehele medische sector herkent, maar evengoed ook in het onderwijs en de academische wereld, in de welzijnssector, in de culturele sector…

Twaalf jaar geleden reeds signaleerden Roger Jacobs en Jef Van Doorslaer vanuit de basiseducatie net dezelfde tendensen. Deze twee vormingswerkers ondersteunden jarenlang kortgeschoolden bij het versterken van hun positie in de samenleving. Ze werkten aan het ontwikkelen van essentiële basisvaardigheden: uiteraard aan taalvaardigheid, maar ondertussen ook aan politieke bewustwording, aan inzicht in hoe ze zich kunnen organiseren om voor hun belangen op te komen, aan emancipatie.

In hun boek ‘Het pomphuis van de 21ste eeuw’[4] beschreven Jacobs en Van Doorslaer hoe hun emancipatorische doelstellingen in de jaren negentig alsmaar meer ondergraven werden door het paarse verhaal van de Derde Weg[5] en de Actieve Welvaartsstaat. Het waren Tony Blair en Gerard Schröder die eind jaren ’90 dit verhaal in Europa ingang deden vinden: ze tekenden de grondlijnen uit van een ‘nieuw soort economie’ waarin concurrentie, liberalisering, vorming en opleiding centraal zouden staan en waarin ook nogal wat aandacht zou gaan naar het bewerken van de ideeën: het verspreiden van een vrije-marktmoraal. Die nieuwe economie moest een ‘middenweg’ worden die balanceert tussen enerzijds het pure liberalisme van Reagan en Thatcher en anderzijds de welvaarsstaat van de sociaaldemocraten.

Wie de doelstellingen van het manifest erbij neemt, kan lezen dat het in realiteit moest gaan om een totale omvorming van onze samenleving tot een radicale vrije-marksamenleving – op zo’n manier bovendien dat burgers ook nog zouden gaan geloven dat de afbraak van onze sociale welvaartsstaat die ermee gepaard gaat, gewoon ‘onvermijdelijk’ en bovendien ‘in ieders belang’ is.

In de basiseducatie merkten ze het eerst de gevolgen van deze Europese ‘nieuwe weg’: de auteurs van ‘Het pomphuisbeschreven hoe ze – hoe langer hoe meer – ingeschakeld werden in het disciplineren en ‘activeren’ van mensen, ze merkten hoe de basiseducatie als instrument ingezet werd om systeemvaardige mensen aan te leveren, met de nodige ‘skills’ om zich flexibel en loyaal aan werkgevers te laten verhandelen op de arbeidsmarkt.

En wie na alle ‘inspanningen’ vanwege de overheid nog steeds niet in die arbeidsmarkt ingepast raakt, die moet vooral niet klagen, maar kan beter maar eens de hand in eigen boezem steken. Het permanent leren hoort niet langer gericht te zijn op zelfontwikkeling en bewustwording, op het analyseren van de bestaande realiteit en verwerven van inzichten om in die werkelijkheid veranderingen aan te brengen. Nee, het ‘permanent leren’ in een actieve welvaartsstaat concentreert zich op aanpassing aan de bestaande orde en het optimaal functioneren erin.

Het is interessant om te zien hoe deze analyse van 12 jaar geleden vandaag pas écht maatschappelijk weerklank vindt – nu er door een psychotherapeut aan diezelfde alarmbel is getrokken, en niet enkel door vormingswerkers uit de basiseducatie die vooral met reeds ‘gemarginaliseerde’ groepen werken. De jeuk heeft intussen ook de middenklasse bereikt zo blijkt.

En de individuele hulpverlening is intussen ook mee ingeschakeld om te helpen her-activeren: ook middenklassers beginnen nu bij bosjes uit te vallen, houden het niet vol om in die neoliberale ratrace het hoofd boven water te houden. Ook voor hen geldt nu: pompen of verzuipen…[6]

Iedereen krijgt gelijke kansen. Jij bent verantwoordelijk voor je eigen falen of succes. Zorg dus goed voor jezelf.

Reclameblok:

  • Huid moet je hydrateren, 7 op 7. “Garnier, zorg goed voor jezelf!”
  • Bespaar je omgeving de praktische en financiële zorg. Regel je eigen uitvaart.
  • Dela uitvaarten: zo zorg je voor elkaar…”

4. De behandeling: zalven of stoppen met zwemmen?

Het zwembad is niet verantwoordelijk. Er zijn geen redders. De verdrinkende zwemmers moeten zich over hun zwemtechniek bezinnen. Dat wordt ons immers in het neoliberale verhaal voorgehouden, men zegt het zo: “De sociale zekerheid wordt stilaan onbetaalbaar”.

“We zullen allemaal langer moeten werken. We zullen allemaal een tandje moeten bijsteken”. Dus: belast de gemeenschap niet door ziek of werkloos te worden, doe aan pensioensparen. Hou je ver weg van stakingspiketten. Blijf ten alle tijde jong! En als dat niet lukt, regel dan op z’n minst je eigen uitvaart.

‘Verandering’ is in de geschetste context bijna ondenkbaar geworden. Andere opties dan zwemmen lijken er niet te zijn. Het eerste geloofsartikel van het neoliberalisme is immers: There is no alternative! (Thatcher). Als we dit geloofspunt aanvaarden, kunnen we inderdaad alleen maar kiezen tussen zwemmen of verzuipen. De situatie is vandaag zo dat een groot deel van de bevolking dit geloofspunt aanvaard heeft. Punt. En dat deze groep mensen al haar energie nodig heeft om gewoon drijvend te blijven. Het is een realiteit waar we niet aan voorbij kunnen. Laat ons dus even kijken wat dat precies betekent…

Omdat verhalen ons soms kunnen helpen om anders naar onze eigen werkelijkheid te kijken, neem ik u even mee naar zo’n verhaal. De 40ers in de zaal zullen het wellicht wel kennen. Het gaat om het verhaal dat in The Matrix wordt verteld, een inmiddels 13-jaar oude Amerikaanse cultfilm, het eerste deel van een sciencefictiontrilogie waarin onze wereld in de toekomst wordt afgebeeld als een verwoeste planeet die in de macht is van kunstmatige intelligentie. Machines gebruiken de aarde om er menselijke batterijen op te kweken. Mensen dienen dus als herbruikbare energiebron voor deze machines.

Om mensen onwetend en onder controle te houden, wordt door de machines een computerprogramma gebruikt, The Matrix genaamd. Dit programma is een computersimulatie van de wereld zoals deze was in 1999, net voor de planeet vernietigd werd. Het is een schijnwereld waarin het eigenlijke systeem onzichtbaar blijft, in de plaats daarvan wordt in de hoofden van mensen een droomwereld geprojecteerd waarin het eigen huisje, tuintje, boompje het hoogste streefdoel is, waarin mensen werken, eten, kopen en beleggen, en alles ‘normaal’ lijkt.

Het verhaal gaat nu dat een groep rebellen een systeemfout in het computerprogramma ontdekt en deze gebruikt om uit The Matrix te ontsnappen naar ‘de echte wereld’. Deze rebellen zien het als hun taak om anderen uit hun lot als kweekbatterij te bevrijden.

Eens mensen bewust zijn gemaakt van de schijnwereld waarin ze leven, krijgen ze de keuze tussen een rode en een blauwe pil: wanneer ze de rode pil kiezen worden ze uit de schijnwereld gewekt, en rest hen geen andere mogelijkheid dan deel te nemen aan de strijd tegen de machines. Wanneer ze de blauwe pil kiezen, wordt hun geheugen weer gewist en keren ze terug tot de vredige schijnwereld in The Matrix, maar leggen ze zich dus neer bij hun bestaan als menselijke batterij[7].

Het is een interessante vraag die The Matrix ook ons als kijker voorhoudt. Welke keuze maken wij? Nemen we de rode pil en gaan we de strijd aan met die vaak onzichtbare vijand of kiezen we toch maar voor rust in onwetendheid, en dus: de blauwe pil?

De keuze voor de rode pil is een harde keuze: het betekent ontwaken uit de misleidende schone schijn, het is de werkelijkheid onder ogen zien en de harde realiteit van een kapotgemaakte planeet en een uitgebuite mensheid niet langer ontvluchten. Het vraagt een levenslang engagement om elke dag opnieuw strijd te leveren tegen een schijnbaar onoverwinnelijke vijand. Het is de droom van bevrijding najagen – wellicht niet eens voor jezelf, maar in het beste geval voor toekomstige generaties.

Hoe dan ook, bewustwording leidt niet vanzelfsprekend en per definitie tot bevrijding, zo laat de film zien. Integendeel zelfs, het bewustwordingsproces voegt in eerste instantie meestal lijden toe: je wordt geconfronteerd met de benarde werkelijkheid waarin je je bevindt en je gaat gebukt onder het besef dat daaruit ontsnappen een immense, haast onmogelijke opdracht is die erg veel offers zal vragen. De zekerheid van het inleveren zal door ons afgewogen worden aan de onzekerheid van wat gewonnen kan worden – en in die keuze zal de balans niet zelden doorslaan in het voordeel van de beknellende zekerheden.

Echte bevrijding zal pas kans krijgen wanneer mensen op lange termijn kunnen stand houden in een realiteit van groeiende bewustwording en er uiteindelijk ook in slagen om effectief terug zeggenschap over hun eigen wereld te krijgen. Hoe moeilijk deze weg is, wordt in The Matrix geïllustreerd met een scène waarin één van de bevrijde rebellen de uitputtende strijd tegen de machines opgeeft. De rebel vraagt aan één van de bewakers van het systeem om opnieuw opgenomen te worden in de heerlijke droomwereld van The Matrix.

We kijken even naar deze scène uit The Matrix: http://www.youtube.com/watch?v=Z7BuQFUhsRM&feature=related

De ervaren werkelijkheid mag dan valse schijn zijn: hoe héérlijk is onwetendheid… Hoe heerlijk is het om na een zware werkdag je hersenen uit te zetten en met een glas wijn onderuit te zakken in je zetel, je onder te dompelen in de droomwereld van The Bold and The Beautiful, de geuren te verbeelden van de magistrale gerechten in Masterchef, je filefrustraties te voelen wegsijpelen bij het bekijken van beelden waarin onverantwoorde ‘wegpiraten’ die je daarstraks nog via de pechstrook voorbij scheurden, door de politie geklist worden. Eindelijk ‘gerechtigheid’…!

Ignorance is bliss… Want wat ben je met een bevrijd bewustzijn als de wereld rondom je niet te redden lijkt? Als de vijand waartegen je strijdt vaak niet eens aanwijsbaar is? Liever dan maar genieten van je gevangenschap, toch? Wat doe je met het besef dat de banken ons laten opdraaien voor hun crisis als je met handen en voeten gebonden zit aan je hypothecaire lening bij diezelfde banken? Wat ben je met het besef dat we de natuurlijke grondstoffen van onze kinderen aan het verbeuzelen zijn, onze planeet onherstelbaar aan het vervuilen zijn, wanneer je je gedwongen voelt om elke dag 120 km met je oude Peugeot naar je werk te tuffen.

Wellicht voelt u het nu zelf, terwijl u steeds verder onderuit dreigt te zakken onder deze analyse: we wéten wel waardoor onze jeuk ontstaat, maar willen we het wel weten? Want onze onmacht is vaak overweldigend. In tegenstelling tot achtergestelde groepen en minderheden die nog durven hopen op een hogere sport op de sociale ladder, roept ‘verandering’ voor ons, middenklassers, vooral de associatie op met het loslaten van privileges en (schijnbare) zekerheden.

5. Bijna vergeten: De diagnose!

Ok. Stel dat we nu aannemen dat de oorzaak van ons probleem niet bij onze miserabele zwemtechniek ligt, maar gelegen is in de samenstelling van het badwater. Wat doen we dan met onze onmacht? Kunnen we nog geloven dat een alternatief wél mogelijk is? Kunnen we nog geloven dat wij, samen, wel in staat zijn om een samenleving tot stand te brengen waarin niet het streven naar winst, maar wel het streven naar menselijkheid centraal staat?

Wat kan ons overtuigen om toch te kiezen voor die levenslange strijd tegen de dominante stroom en de valse schijn in? Hoe kunnen we mekaar overtuigen dat ‘het ware geluk’ niet te vinden is in een make-over of in de titel ‘hobbykok van het jaar’, nee, zélfs niet in de indrukwekkende verzameling van onze 745 Facebookvrienden?

Hoe zullen we mekaar helpen inzien én doen ervaren dat we deze strijd niet alleen moéten voeren, maar dat er zoiets kan ontstaan als ‘samenwerken’, dat onze geschiedenis het fenomeen kent van ‘sociale tegenbewegingen’ die al eens in staat zijn geweest om reële verandering te bewerkstelligen?

En dat in deze kritische gemeenschappen samenlevings- en samenwerkingsverbanden tot stand zijn gekomen die een àndere en diepere vorm van verzadiging, geluk, welzijn, … opleverden, ondanks alle tegenslagen en complexe problemen die inherent zijn aan die strijd? Hoe zullen we mekaar eraan herinneren dat het al eens gebeurd is –voor ons? Dat er al eens mensen zijn opgestaan uit de dood van het opgelegde denken. Tijdelijk misschien. Maar wezenlijk en met diepgaande gevolgen voor latere generaties. Hoe leren wij opnieuw geloven dat die samenleving zoals wij ze dromen – dat we die ook kunnen maken?

6. De behandeling (tweede poging): you scratch my back, I’ll scratch yours

Als we geloven dat verandering mogelijk is, dan dringt er zich dus een strategievraag op. Hoe beginnen we eraan? Wat betekent opstaan uit het bezette denken? Voor onszelf? Voor ons engagement in middenveldorganisaties? Voor deze organisaties zelf?

We leggen deze vraag vandaag voor aan spelers uit middenveldorganisaties, omdat het in een democratie verkieslijk is dat het maatschappelijke debat over hoe we onze samenleving willen vormgeven breed gevoerd wordt en dus niet in handen van een kleine elite wordt gelegd. Indien sociaal progressieve organisaties (organisaties die de belangen van kwetsbare groepen en minderheden bewaken) in het middenveld deze taak onvoldoende vervullen, dan geven we het ontwerp van onze samenleving volledig in handen van banken, transnationale ondernemingen en werkgeversorganisaties.

Vandaag moeten we vaststellen dat de stem van maatschappijkritische organisaties uit het middenveld te zwak klinkt om het debat omtrent de inrichting van onze samenleving mee richting te geven. Daarvoor zijn tal van redenen aan te voeren, maar wat ons vrij fundamenteel lijkt, is dat alsmaar meer van deze organisaties zelf doordrongen raken van de neoliberale logica en van de daarstraks reeds beschreven managementscultuur waarin verzakelijking en efficiëntie centraal staan.

Dat toont zich niet enkel in de vorm van onze vijfjarenplannen die nu in productietermen meetbaar geformuleerd zijn, het wordt ook zichtbaar in de verlegenheid en de voorzichtigheid waarmee we onze opdracht vandaag omschrijven. Want: hoe geloofwaardig ben je vandaag als organisatie nog als je beweert ‘een rechtvaardige samenleving’ na te streven? Hoe verdacht klinkt het niet als je vandaag beweert aan maatschappijkritische ‘bewustwordingsprocessen’ te werken?

Het heeft een ‘sinistere’ bijklank gekregen, je wordt algauw voor één of andere sekte aanzien die mensen in een richting wil manipuleren waar ze niet heen willen. Als je een beetje politiek correct te werk wil gaan, moet je je vandaag ‘neutraal’ opstellen, zo lijkt het: niet willen sturen in een bepaalde richting, vermijden dat je je visie opdringt aan anderen, mensen niet belasten met inzichten waar ze toch niets aan kunnen veranderen. Als we deze ‘neutraliteit’ aanvaarden, dan laten we ons als sociaal progressief middenveld bij voorbaat vleugellam maken.

De oorzaak van deze schroom om positie in te nemen, ligt precies bij het aanvaarden van de heersende logica. Het neoliberale verhaal heeft ook in sociale organisaties onze taal en visie aangetast en creëert een totale begripsverwarring en stuurloosheid. En de praktijk of de opstelling die hieruit volgt is allesbehalve neutraal: Kijken we maar naar het aanbod in het verenigingsleven, bij bewegingen, in het vormingswerk en cultuur…

Dat aanbod is de voorbije twintig jaar alsmaar meer in die richting van ‘aanpassing’ geëvolueerd: het aantal activiteiten die gericht zijn op maatschappelijk debat, nadenken over alternatieven voor maatschappelijke problemen neemt af. Het aanbod dat gericht is op individuele ontplooiing, zelfhulp en zelfmanagement (bv. cursussen ‘positief denken’, leren ontspannen, enz.), het bijschaven van ‘relevante’ competenties voor de arbeidsmarkt en ‘noodzakelijke’ vaardigheden (bv. gebruik van nieuwe media) boomt daarentegen.

We zijn het begrip ‘autonomie’ kwijtgeraakt. In een wereld waarin alles geïndividualiseerd wordt, kan autonomie alleen nog betekenen dat het individu enkel voor zichzelf bepaalt hoe hij/zij wil leven, los van wie hem/haar omringen. Het voedt de mythe dat een mens de ander niet nodig heeft om te bestaan. Dat is geen zelfbepaling die tot een kritische standpuntinname leidt. Dit soort autonomie speelt ons uit mekaar, verdeelt en beheerst ons.

We zijn het begrip ‘emancipatie’ kwijt geraakt. In een wereld waarin je vooral goed voor jezelf moet zorgen, zijn we emancipatie gaan invullen als ‘empowerment’: jezelf managen, de eigen positie versterken. Het voedt de mythe dat een mens een roofdier is en dat alleen de sterksten overleven. Het populaire empowerment leidt tot individuele zelfzorg en het kweken van uithoudingsvermogen.

Op zich is dat een goede zaak – indien echter dit nieuwe zelfvertrouwen en die gewonnen kracht ook ingezet wordt in een emancipatorisch verhaal waarin mensen met elkaar verbonden worden om verandering te creëren. Indien ze dat niet doet, werkt empowerment systeembevestigend.

Dat brengt ons tot een aantal vragen en uitdagingen voor sociale organisaties van vandaag, maar ook voor u en ik:

Keuze maken

We kunnen niet én winnaars zijn in de ratrace én tegelijk verandering willen. We zullen moeten kiezen waarin we onze energie en tijd willen investeren. Allereerst staan we voor de uitdaging om onze taal en visie uit te klaren en tot een partijdige positiebepaling te komen: in onze sociale organisaties, maar ook op ons werk in het onderwijs, in het ziekenhuis, onze buurtvereniging, in onze wereldwinkel… Als we verandering willen creëren, moeten we in de eerste plaats helder formuleren waar we voor staan en waar we precies naartoe willen.

De vragen die ons daarbij kunnen helpen zijn bijvoorbeeld:

  • Willen we helpen verzakelijken of willen we helpen ‘vermenselijken’?
  • Willen we mensen helpen ‘integreren’ of willen we helpen ‘uitburgeren’?
  • Willen we helpen zalven en uithouden of willen we de oorzaak van de jeuk aanpakken?
  • Willen we ons gezamenlijk vormen tot systeemvaardige mensen of willen we ons vormen om een menswaardig systeem te helpen creëren?

Positie innemen, betekent kleur bekennen. De dingen bij hun naam durven noemen. De vaak onzichtbare machten die onze bedrijven en organisaties een onmenselijke kant opsturen, een gezicht geven en weerwerk bieden. We zullen opnieuw het stuur in handen moeten nemen en onze vijfjarenplannen terug vullen met onze eigen doelstellingen.

Daarvoor zijn toetsstenen nodig waarmee we onszelf en mekaar kritisch kunnen bevragen. Wat zo’n toetsstenen kunnen zijn? Ik geef er een paar, voor de vuist weg:

  • Mensen staan centraal. Niet het papierwerk, niet aantallen, niet winst
  • Menselijke gelijkwaardigheid krijgt voorrang op individuele vrijheid
  • De afhankelijkheid van mensen onderling, beschouwen wij als een kracht en niet als een gebrek
  • Emancipatie betekent het zich organiseren samen met anderen om gemeenschappelijke belangen te verdedigen ten einde meer handelingsruimte en meer kwaliteit van leven te creëren
  • Solidariteit vormt in ons handelen een uitgangspunt, en betekent het structureel corrigeren van reële ongelijkheden tussen mensen en bescherming van de collectieve bestaansvoorwaarden
  • De impact van onze acties zal over een halve eeuw in de geschiedenisboeken ‘gemeten’ kunnen worden, niet eerder.

Verreken hierbij wel: Als we voor verandering kiezen betekent dat ook dat we zullen moeten leren ‘falen’: wie niet langer mee zwemt met de dominante stroom, zal niet op applaus moeten rekenen.

Met wie werken we aan ‘verandering’?

Met de verschoven invulling van ‘emancipatie’ naar ‘empowerment’ is er ook een verschuiving in de prioritaire doelgroep ontstaan. Waar we 20 jaar geleden met de term ‘emancipatie’ nog achtergestelde groepen en minderheden voor ogen hadden, focust het maatschappelijke middenveld vandaag vooral op de ‘middenklasse’.

De achtergestelde groepen hebben we inmiddels afgevoerd in aparte organisaties, gespecialiseerd in de belangenbehartiging van armen, andersvaliden, ‘migranten’… Ook al kan het de belangenbehartiging en emancipatie van achtergestelde groepen ten goede komen om zich ook apart te organiseren, de verregaande fragmentering van het sociaal progressieve middenveld die we vandaag ondergaan, creëert tevens onderlinge vervreemding en is in niemands belang. Het bestendigt klassenposities en ondergraaft de solidariteit. In het ontwerpen van alternatieven hebben we mekaar nodig: om onze eigen blinde vlekken op het spoor te komen, om mekaar wakker te houden, om de neuzen in eenzelfde richting te krijgen, om onze stem krachtiger te doen klinken.

Samenwerken betekent ook dat we ons in de concrete realiteit moeten blijven oefenen in het omgaan met die verschillende posities en het centraal stellen van wie kwetsbaar zijn: hebben wij een aanbod dat tegemoet komt aan de behoeften van laaggeschoolden, zijn onze locaties toegankelijk voor mensen met een beperking, zijn onze initiatieven betaalbaar voor financieel kwetsbare groepen, maken zij mee het beleid in onze organisatie, bepalen zij mee onze doelstellingen, enz.

En eens we weer samenwerken? Waar dan te beginnen? Elk initiatief dat we ondernemen, zou het heersende denken moeten ondergraven… Een bezet denken kan immers nooit tot een bevrijdend handelen leiden. Dus:

Permanent ontmythologiseren

Permanent ontmythologiseren van de neoliberale religie en inzicht verwerven in haar logica. De economische crisis die we vandaag doormaken en die bij ieder van ons alsmaar dichter op de huid komt te zitten, vormt ook een kans. Alsmaar meer mensen ervaren aan den lijve dat deze vorm van economie, dat deze vorm van samenleven, geen welvaart en welzijn ‘voor allen’ creëert, maar integendeel uitputting en uitbuiting op grote schaal produceert.

Deze onrustwekkende ervaring bij brede lagen van de bevolking is ervaringsdeskundigheid die van onschatbare waarde is voor het zoeken naar alternatieven. De verontwaardiging kan een motor zijn om bij mekaar de overtuiging aan te wakkeren dat het anders kan. Anders moet.

De onmacht ontmantelen

De individuele mens kan zich niet emanciperen. Emancipatie buiten een groep om, is onmogelijk. We zullen dus individuen terug tot een groep moeten smeden, we zullen mensen moeten verbinden en hen opnieuw laten ervaren hoe deugddoend verbondenheid voelt.

We zullen vervolgens in die groepen moeten afleren dat ieder van ons individueel schuld heeft aan het eigen falen. We zullen moeten leren tellen met hoevelen we zijn die ‘het niet redden’ en opnieuw de vierkantswortel van onze gezamenlijke macht leren berekenen.

We zullen samen de verbanden moeten leren kennen tussen de beknelling in onze eigen leefomgeving en de beknelling die wereldwijd georganiseerd wordt, we zullen samen een diagnose van de oorzaak van onze kwalen moeten maken en met mekaar het helingsproces uitstippelen en vormgeven. Heel concreet, hier en nu, stapje voor stapje. We zullen moeten ervaren dat bij het uitvoeren van zeer concrete, deugddoende initiatieven – hoe klein ook – een ongelooflijke bron van nieuwe adem en energie vrij komt. We zullen opnieuw moeten leren geloven dat deze energie op lange termijn het enige medicijn is.

Ons organiseren

We zullen over de grens van onze eigen werkplek en organisatie heen moeten kijken. We zullen ons moeten organiseren met gelijkgezinde collega’s, groepen en bewegingen. We zullen met mekaar moeten afspreken welke stappen in dezelfde richting we zullen zetten, en hoe we mekaar onderweg zullen bevoorraden met tegendraads inzicht, bemoediging en humor.

7. En hoe de jeuk op lange termijn uithouden?

Ter afsluiting nog een laatste keer terug naar onze parabel.

De samenstelling van het water veranderen terwijl we intussen drijvend moeten blijven, zal een nieuwe zwemtechniek vragen. Wat daarbij kan helpen, is zien dat we met z’n allen in diezelfde zwemkom liggen. We zullen de samenschoolslag moeten zwemmen.
We zullen mekaars lange adem, mekaars drijfkracht moeten zijn. We zullen – een beetje ‘rood’ aangelopen misschien – moeten leren leven met een tere huid. Dat zal niet enkel strijdbaarheid van ons vragen, we zullen ook zorgzaam, warm en helend mekaar nabij moeten blijven.

Eén ding is duidelijk: wonderzalfjes zijn er niet, redders al evenmin, behalve dan die met hun waarschuwingsbordje. Wij zullen dus zelf de verandering moeten worden waarop we wachten. Of zoals de Occupybeweging het al stelde: “We are the ones we’ve been waiting for”.

Elke Vandeperre is coördinator van v.z.w. Motief en medeoprichtster van de ‘Denkgroep MaatschappijKritische Christenen’.

Voetnoten

  • [1]Paul Verhaeghe, Identiteit, De Bezige Bij, Antwerpen, 2012.
  • [2]Paul Verhaeghe, “Winners zijn ook losers (maar ze houden dat verborgen)”, Opinie De Morgen, 22/08/12.
  • [3]Paul Verhaeghe, Het einde van de psychotherapie, De Bezige Bij, Antwerpen, 2009.
  • [4]Roger Jacobs & Jef Van Doorslaer, Het pomphuis van de 21ste eeuw. Educatie in de actieve welvaartsstaat, Epo, Antwerpen, 2000.
  • [5]Sinds Tony Blair premier werd, heeft hij zich opgeworpen als baken voor de sociaaldemocratie in Europa. Dat heeft hij met de Duitse kanselier Gerhard Schröder in het gezamenlijke manifest, ‘Europe: The Third Way / Die Neue Mitte’, bekrachtigd. In dit manifest geven beiden hun visie op het sociaaldemocratische programma voor de 21ste eeuw. Met zijn Derde Weg beweert Blair een ‘middenweg’ gevonden te hebben die balanceert tussen het pure liberalisme van Reagan en Thatcher (‘het Angelsaksische model’) en de welvaartsstaat van de sociaaldemocraten (‘het Rijnlandmodel’).<br>Deze Derde Weg zet vijf richtingwijzers uit:<br><br>1. een radicale keuze voor de vrije markt (met o.a. vermindering van fiscale en sociale lasten, totale flexibiliteit van de arbeidsmarkt)<br><br>2. een ‘modernisering’ van de welvaartsstaat, aangepast aan het tijdperk van de globalisering en nieuwe technologie (overgang van een ‘passieve’ naar een ‘actieve’ welvaartsstaat)<br><br>3. een sociaal pact van klassensamenwerking (met o.a. ‘participatieve’ economie)<br><br>4. een ethisch en nationaal reveil (‘Wij steunen een markteconomie, niet een marktmaatschappij”)<br><br>5. een verder verspreiden van de vrije-marktmoraal, desnoods met dwang (met o.a. uitbouw van de ‘veiligheidsstaat’ waarmee men radicaal kan optreden tegen subversieve elementen zoals ordeverstoorders, vluchtelingen, migranten, syndicalisten, stakers, antiglobalisten…)<br><br>De Actieve Welvaartsstaat (AWS) is dus een essentieel onderdeel van het ‘Derde Weg’-concept. Uit het actieplan van de Europese top van Lissabon en de gemeenschappelijke verklaring van Blair en Verhofstadt (De Morgen, 24/07/2000) wordt duidelijk dat men de welvaartsstelsels wil aanpassen aan een nieuw soort economie, waarin concurrentie, liberalisering, vorming en opleiding centraal staan. De tewerkstellingsgraad moet verhoogd worden door de omschakeling naar de AWS.
  • [6]Op de Eurotop van maart 2011 werd het Derde Weg-verhaal nog naar een niveau hoger getild. De Europese staats- en regeringshoofden tekenden daar een ‘economisch relanceplan’ met het oog op het redden van de euro en het verstevigen van de Europese concurrentiekracht. Veel eufemismen die in de concrete realiteit vooral resulteren in het verder afbouwen van de sociaal gecorrigeerde markteconomie waar we in Europa tot op heden zo prat op gaan. Wat de doelstellingen zijn, vernemen we in onze berichtgeving dagelijks bij monde van de werkgeversorganisaties: onze competitiviteit moet omhoog, en dus moeten de lonen omlaag en flexibeler kunnen evolueren. Verder moet er bespaard worden en dus zullen ook alle publieke systemen van herverdeling die onze welvaartstaat ooit kenmerkten afgebouwd, of op z’n minst ‘gerationaliseerd’, moeten worden. Werkloosheidsuitkeringen, onderwijs, ziekteverzekering, pensioenen… ontsnappen niet langer aan een strikt economische kosten-batenlogica. Jan Blommaert vat het als volgt samen: “De rechten die we tot nu toe als onvervreemdbaar beschouwden en zagen als de kern en de fundering van ons maatschappijmodel worden nu volledig ondergeschikt aan de plicht om zichzelf als flexibele arbeidskracht ter beschikking te stellen van een steeds competitievere arbeidsmarkt. (…) Steeds meer mensen zullen ervaren dat ze in deze nieuwe samenleving slecht geïntegreerd zijn, eigenlijk ook geen volwaardig burger meer zijn en dus slecht ingeburgerd zijn. Ze zullen ook ervaren dat hun toenemende marginalisering zal worden verklaard door middel van persoonlijke eigenschappen. ‘Je bent niet dynamisch genoeg’, ’je verzorgt je slecht’, ‘je had maar zo jong geen kinderen moeten krijgen’, ‘je had maar geen fotografie moeten studeren’, ‘je ouders hebben niet genoeg in jou geloofd’…”( Jan Blommaert, De heruitvinding van de samenleving, Epo Antwerpen, 2011).
  • [7]De parallel tussen onze neoliberale samenleving en dit sciencefictionverhaal lijkt wellicht wat bij de haren getrokken. Toch zijn er meer gelijkenissen dan we zouden willen. Bij wijze van voorbeeld: Ik vermoed dat iedereen nog wel weet waar hij of zij op 11 september 2011 uithing. Maar weet u ook nog wat u deed op 6 mei 2010? Die dag stortte de Amerikaanse beurs in, om 20 minuten later zich op mysterieuze wijze weer volledig te herstellen. Een flashcrash wordt dit genoemd. Het mondiaal financieel systeem is een netwerk van zwarte dozen geworden (computers die geprogrammeerd zijn om te kopen en verkopen) waarmee geld verhandeld wordt met de snelheid van het licht.<br>In 2010 zijn 862 miljard dollar in een paar seconden in rook op gegaan en niemand die er een verklaring voor heeft. Ook de toezichthouder op de beurzen (de SEC) beweert geen idee te hebben van de oorzaak. Dat betekent uiteraard ook dat een dergelijke of zelfs totale crash op elk moment opnieuw kan voorkomen. En wat de wereldwijde consequenties van zo’n crash zijn, daar hebben onze grootouders in de jaren 30 van de vorige eeuw al een idee van gekregen.<br>Voor de documentaire over de flashcrash van mei 2010 VPRO – Money and Speed:Inside the Black Box- surf naar volgende link: http://www.youtube.com/watch?v=fySPOHpHuig

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!