De Senegalese delegatie op de openingszitting van de zaak-Habré voor het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag op maandag 12 maart 2012.
Nieuws, Afrika, Politiek, België, België, Mensenrechten, Senegal, Tsjaad, Straffeloosheid, Den Haag, Hissène Habré, FOD Buitenlandse Zaken, 'genocidewet', Analyse, Misdaden tegen de mensheid, Internationaal Hof van Justitie, Aut dedere aut judicare -

Internationaal Hof van Justitie in Den Haag behandelt zaak-Habré in België vs. Senegal

Maandag 12 maart is voor het hoogste rechtscollege van de VN, het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag, de zaak begonnen van België tegen Senegal. België eist van het West-Afrikaanse land de uitlevering van de voormalige Tsjadische dictator Hissène Habré (69) wegens misdaden tegen de mensheid begaan tijdens zijn schrikbewind in de jaren tachtig. De zaak sleept al erg lang aan.

donderdag 15 maart 2012 13:25

Maandag ging de eerste mondelinge fase van start in de ingewikkelde juridische procedure die België tegen Senegal aanspande voor het Internationaal Hof van Justitie. Donderdag 15 maart komt Cheikh Tidiane Thiam, directeur-generaal van het Senegalese ministerie van Buitenlandse Zaken, aan het woord.

Op 19 februari 2009 heeft België een inleidend verzoekschrift ingediend in de zaak-Hissène Habré. Op 1 juli 2010 volgde de indiening van een ‘schriftelijke memorie’ door België, waarop de Senegalese autoriteiten op 23 augustus 2011 een ‘memorie van antwoord’ afleverden bij het Hof in Den Haag. Maandag is de procedure echt begonnen, een uitspraak wordt pas tegen het einde van dit jaar verwacht. De zaak kreeg alvast heel veel weerklank in de Afrikaanse pers.

Diplomatiek geschil België-Senegal over uitlevering ex-dictator Habré

De Belgische autoriteiten hoopten aanvankelijk het geschil met Senegal, waar Habré sinds zijn vlucht uit Tsjaad in 1990 in ballingschap leeft, over de zaak van de uitlevering van de vroegere dictator via bemiddeling op te lossen. Toen dat niet lukte, werd overgegaan tot een voorstel via arbitrage. Maar ook dat leidde tot geen succes.

“Daarom heeft België de laatst mogelijke procedure aangevat, gebaseerd op artikel 30 van de Conventie van de Verenigde Naties van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing”, schrijft de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in een persmededeling.

Dit houdt in dat het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag (niet te verwarren met het Internationaal Strafhof, ICC, dat ook in Den Haag is gevestigd, maar van veel recentere datum is en zich uitsluitend bezighoudt met strafrechtelijke zaken in gevallen van genocide en zware mensenrechtenschendingen) zich zal moeten uitspreken in dit aanslepende geschil tussen twee lidstaten van de VN.

Dit rechtsmiddel is zowel gebaseerd op de Conventie van 1984 zelf als op het algemeen internationaal recht die beide het juridische principe van ‘aut dedere aut judicare‘ vastleggen. Dit betekent dat een staat zelf moet overgaan tot vervolging, wanneer een verzoek tot uitlevering van een verdachte die onder internationaal aanhoudingsmandaat staat, wordt afgewezen door de tegenpartij. In dit geval is het de plicht van België om zelf tot vervolging van Habré over te gaan om zo te voldoen aan de conventie die verdragstaten oplegt “te strijden tegen de straffeloosheid van de meest gruwelijke misdaden”.

Universele jurisdictie van de Belgische ‘genocidewet’

België is bij deze zaak betrokken geraakt toen enkele Tsjadische slachtoffers van de terreur onder Habré – die ondertussen als vluchtelingen in België ook de Belgische nationaliteit hadden verworven – in november 2000 diverse klachten met burgerlijke partijstelling indienden bij een Brusselse rechtbank, waarbij ze beroep deden op de universele jurisdictie van de Belgische genocidewetgeving in zaken van misdaden tegen de menselijkheid.

De Brusselse onderzoeksrechter Daniel Fransen en zijn team hebben duizenden dossiers van slachtoffers onderzocht, ook ter plaatse in N’Djamena. Op 19 september 2005 heeft Fransen het onderzoek afgesloten en meteen een internationaal aanhoudingsmandaat uitgevaardigd tegen Hissène Habré. De beschuldiging luidt: misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, systematische marteling van gevangenen en zware overtredingen van het internationaal humanitair recht. Senegal is dus op basis van internationale verdragen die het land ondertekende verplicht om Habré te arresteren en uit te leveren.

Toch is dat tot op vandaag nog altijd niet gebeurd wat de aanleiding is van het diplomatiek conflict tussen België en Senegal dat nu zal moeten worden beslecht door de veertienkoppige jury van het Hof in Den Haag. België vraagt concreet aan het Hof “om de Senegalese schending vast te stellen van zijn internationale verplichting tot uitlevering van personen onder internationaal aanhoudingsmandaat”. Er zullen zes openbare zittingen plaatsvinden tot 21 maart waarbij beide partijen de kans krijgen om hun standpunten uiteen te zetten.

Tienduizenden gevallen van martelingen en buitengerechtelijke executies

De uitlevering aan België, waar bij wijze van spreken alles klaar is om het proces tegen Habré onmiddellijk van start te laten gaan, ligt voor de hand en is ook duidelijk de optie die de voorkeur wegdraagt van de organisaties van slachtoffers en hun familieleden en van talrijke Tsjadische en internationale mensenrechtenorganisaties.

Tijdens de Koude Oorlog kon Habré rekenen op de steun van Frankrijk en de VS in zijn strijd tegen de militaire bemoeienissen van de toenmalige Libische leider kolonel Khaddafi in Tsjaad. De CIA, onder toenmalig VS-president Ronald Reagan, bood Habré uitgebreide hulp aan bij de uitbouw van zijn beruchte geheime inlichtingendienst DDS, die tussen 1982 en 1990 verantwoordelijk was voor tienduizenden gevallen van martelingen en buitengerechtelijke executies van al dan niet vermeende tegenstanders.

De overlevende slachtoffers van de terreur en hun familieleden zijn al die spelletjes die boven hun hoofden worden uitgevochten meer dan beu. Zij wachten al 21 jaar op gerechtigheid die een einde zou moeten maken aan de straffeloosheid.

De weigering van Senegal om Habré uit te leveren, zou ook te maken hebben met de politieke toestand in het land. Op zondag 25 maart volgt de tweede ronde in de presidentsverkiezingen waarbij uittredend president Abdoulaye Wadé kandidaat is om zichzelf op te volgen. Maar zijn kandidatuur is erg omstreden en de oppositie roert zich de laatste maanden hevig.

“Habré verdient het niet om in alle rust in ballingschap te leven”

Telkens opnieuw vinden de autoriteiten in Dakar andere argumenten om niet tot uitlevering over te gaan. Op 4 januari 2012 verklaarde president Wadé nochtans dat hij voorstander is van uitlevering aan België “als de rechtbank van Dakar dit beslist”. België heeft al driemaal een verzoek tot uitlevering herhaald: op 15 maart 2011, 5 september 2011 en de vierde keer nog op 17 januari 2012. Het tweede en derde verzoek werden wegens ‘procedurefouten’ onontvankelijk verklaard door de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep van Dakar op 18 augustus 2011 en op 10 januari 2012.

Paul Rietjens, directeur-generaal Juridische Zaken bij de FOD Buitenlandse Zaken, die de Belgische delegatie leidt op de hoorzittingen in Den Haag, verklaarde maandag tegenover AFP dat “Habré het niet verdient om in alle rust in Dakar in ballingschap te leven terwijl de slachtoffers van zijn terreurbewind op gerechtigheid blijven wachten”.

“Voor de Belgische regering is het essentieel dat gerechtigheid geschiedt op basis van de klachten ingediend tussen 2000 en 2001 door de slachtoffers onder wie Belgen van Tsjadische afkomst. Dit stemt overeen met het belang dat onze regering hecht aan de strijd tegen straffeloosheid voor de meest ernstige internationale misdaden.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!