De integratiesector: wat houdt dat eigenlijk in?

De integratiesector: wat houdt dat eigenlijk in?

donderdag 1 december 2011 11:07

Dinsdag 29 november in de namiddag was er een hoorzitting in de commissie “inburgering en integratie” in het Vlaams Parlement. Enkele mensen uit de sectoren ‘participatie’, ‘inburgering’ en ‘integratiewerking’ konden er gedurende een tiental minuten komen toelichten wat ze dachten over de geplande reorganisatie van die sectoren die Minister Bourgeois, na een adviesronde georganiseerd door Ernst&Young, op het oog heeft. Laat me toe om hier al onmiddellijk te melden dat de discussie sereen verliep en enkele parlementsleden, waaronder de voorzitter, volgens mij effectief ook wel begrepen waarover het ging en wat op het spel stond. Dus wat dit betreft ging ik toch wel weg met een positief gevoel naar huis.

Niettemin is er iets wat me opviel en waarover ik het hier even wil hebben. Heeft iedereen wel een goede omschrijving in het hoofd over wat integratiewerking precies inhoudt? Ik meen de verwarring of het tekort aan precisie te begrijpen: wie het woord “integratiewerking” hoort, denkt spontaan aan iets heel breed in de omvang en veelvoudig in het takenpakket, waar dan tegenover staat dat het moeilijk te definiëren valt. Eigenlijk moet het verwondering wekken dat de mensen in de sector zelf zelden geprobeerd hebben om eens heel duidelijk te omschrijven wat “integratiewerking” inhoudt én wat het niet inhoudt. Het had hen in het verleden een hele boel mijns inziens onterechte kritieken kunnen besparen. De meeste kritieken hebben immers met een misvatting van de term te maken.

Ten eerste: wat doe de integratiesector niet? De kern van een integratiebeleid is eigenlijk: participatiebevordering ( bv door nationaliteitsverwerving of het verlenen van stemrecht, wat federale materie is), en onderwijs en tewerkstelling (wat gemeenschaps- respectievelijk gewestelijke materie is). De kern van de financiële investeringen in integratiebeleid heeft dus met onderwijs en tewerkstelling te maken en met de kwaliteitsbewaking ervan. Logisch gevolg: wie beweert dat een integratiebeleid zou mislukt zijn (- wat niet mijn standpunt is, want zoiets vind ik een simplistische uitspraak: elk beleid mislukt immers voor een deel, ook het mobiliteitsbeleid of een beleid tegen luchtvervuiling), wie dat dus zegt, moet zich keren tegen de ministers van onderwijs en tewerkstelling, niet tegen de integratiesector. Het is enkel  door een verkeerd woordgebruik (maar kent u een beter woord?) dat de integratiesector de agressie oproept, alsof zij de taak van onderwijs en tewerkstelling had kunnen overnemen.

Wat doet de integratiesector  evenmin? Zij spreekt niet in naam van heel precieze gemeenschappen of minderheidsgroepen. Zij kan hoogsterns, in de mate dat sommige minderheden nog geen echt goede woordvoerders hebben, naar buiten toe vertolken wat zij denkt de wensen te zijn voor een bepaalde gemeenschap. Maar eigenlijk moet de integratiesector ervoor zorgen dat daar eigen woordvoerders uit de gemeenschappen zelf voor gevonden worden. Zal dit op zijn beurt vroeg of laat geen problemen geven?

Evident wèl, en je kan die voorspellen: zo zal er blijken dat bepaalde gemeenschappen in meerdere subgemeenschappen uiteenvallen die de zaken niet op dezelfde wijze zien, en er zal met tijd ook blijken dat veel mensen uit wat wij een gemeenschap noemen niet tot de allochtone gemeenschap gerekend willen worden maar “overgegaan” zijn tot de meerderheidsgroep en zich daarbinnen wensen te identificeren. Je merkt trouwens nu al bij enkele van de allochtone parlementairen dat zij die keuze gemaakt hebben. Het is een van de problemen van de parlementaire vertegenwoordiging, dat het die mensen zijn die het best slagen in de overgang en zelfidentificatie met de meerderheidsgroep die erin opgenomen worden. (Dit was overigens het succes eertijds van Abou Jahjah, nl dat hij zelf als persoon perfect de overgang gemaakt had naar de meerderheidsgroep, maar de rol opnam van iemand die dit niet gedaan had… waardoor veel ‘jongeren’ zich in hem herkenden.).

Ten tweede: wat doet de integratiesector dan wel? Eigenlijk creëert een integratiewerking sociaal en cultureel kapitaal, dat als een soort motor-olie de motor zo soepel mogelijk moet helpen draaien. Is dit nodig? Uiteraard kan je het proberen zonder motor-olie…. Maar ik heb de uitspraak dat de integratiesector zichzelf moest overbodig maken, altijd een curieuze slogan gevonden. Dit gaat er immers van uit dat de migratiebewegingen stoppen (en zo ziet het er niet naar uit) en dat de instellingen plots uit zichzelf naar alle mensen toe in dezelfde mate een enorme toegankelijkheid zullen opbrengen. (Eerst zien, dan geloven, zou ik zeggen.) In alle geval, er is geen twijfel over mogelijk dat minstens vandaag, en minstens in de grote steden, sommige gemeenschappen en meerdere mensen ‘nog niet meedraaien’, zelfs niet in een goed geolied systeem. Je zal ook merken dat instellingen, zelfs EVA’s en IVA’s op sommige plaatsen absoluut niet ‘aanslaan’ bij bepaalde mensen in bepaalde wijken.

Je zal merken dat zelfs instellingen in hun afstemming op mekaar er niet zo spontaan in slagen om mekaar te vinden als het om bepaalde mensen uit bepaalde groepen gaat. Je zal merken dat het niet alleen om nieuwkomers gaat. Die laatsten, die op een precieze dienstverlening georganiseerd door de overheid afkomen, staan vaak zelfs al dichter bij het functioneren van het maatschappelijk raderwerk, dan sommige tweede- of derde generatie restgroepen die in bepaalde volkswijken wat achterop geraakt zijn… Wat ik bedoel, is dat een zichzelf goed begrijpende integratiewerking in feite niet van de dienstverlening op zich, noch van de ‘empowerment’ van de minderheidsgroepen, haar prioriteit maakt, maar van het goed functioneren van de afstemmingen, de detectie van de lacunes en het concrete engagement om dit heel gelocaliseerd te verbeteren, en dienstverlening enkel daar inbrengt waar die niet geleverd wordt of bij de betrokkenen niet terecht komt. Maar daar moet ze het dan ook durven doen, zolang het nodig is.

Is zulk integratiewerk een belangrijk werk? Ik heb ooit geschreven dat een van de grote verschillen tussen London, Parijs en Brussel, is, dat Brussel (zoals andere steden in Vlaanderen) over een heel efficiënt middenveld beschikt dat op de onvermijdelijke lacunes en tekorten aan dienstverlening inspeelt. Zeg ik daarmee dat dit “de redding van Brussel” is? Het zou te gek zijn en een schromelijke overschatting van wat men met een integratiewerking kan bereiken. Maar zoiets uitschakelen, of zoiets naar een dienstverlenende EVA of IVA ombuigen, zal beslist geen stap vooruit zijn, en zal de olie in de machine doen opdrogen. Mijn stelling is dat een integratiesector die haar werk heel nauwgezet en precies omschrijft en erover waakt dat de werking geen lege doos is (een lege doos is voor mij een werking waar enkel vergaderd wordt en waar enkel maar nota’s geschreven worden, daar waar ‘olie’ en ‘sociaal kapitaal’ verwacht wordt), een ontzettend belangrijke aanvullende taak vervult tegenover wie de ware verantwoordelijken voor het integratiebeleid zijn (nl. de ministers van onderwijs en tewerkstelling). En dat zij daarenboven bij uitstek de plaats is die een labofunctie heeft en waar heel creatief expertise opgebouwd kan worden die dan later door overheidsdiensten kan overgenomen worden als ze dit wensen.

Hiermee beweer ik ook dat in het verleden soms verkeerde beleidskeuzes gemaakt zijn geweest. Men heeft veel te veel in termen van organisatieprincipes en handboek-organogrammen geredeneerd, en veel te weinig in termen van inhoud. En vandaag bereikt men zelfs een dieptepunt: een instantie waarbij sommigen misschien nooit een migrant gezien hebben, krijgen plots meer deskundigheid aangemeten door de Vlaamse regering dan mensen, waaronder academici die internationaal meetellen, die jarenlange concrete ervaring opgebouwd hebben. Geef toe… zoiets zou je eens moeten proberen te doen met de banksector of bij andere ernstige reorganisaties.

Waar situeer je zulke integratiesector dan eigenlijk het best? Geen bezwaar dat dit bij een gemeentelijke dienst is, als die bereid is om sommige mensen die maneuvreerruimte te geven, maar ideaal gezien… hoort zoiets thuis in het middenveld, en in Vlaanderen betekent zoiets: bij een locale v.z.w., wat dan nog het bijkomend voordeel heeft dat daar veel vrijwilligerskapitaal uit de onmiddellijke omgeving kan bij betrokken worden. Iets anders is, dat men wildgroei inderdaad moet vermijden, dat men afstemming moet realiseren, dat het mogelijk moet zijn tot een loketfunctie te komen. Het “in pluribus unum” is echter niet van vandaag, maar is een uitdaging die al lang bestaat en meestal ook opgelost werd door beide componenten de pluraliteit en het ‘unum’ te respecteren, niet door een van de componentes, namelijk het “in pluribus’ weg te snijden.

PS. Ooit hebben sommigen in de integratiesector een reflectie opgezet over ‘sociale cohesie’… Ik kan enkel vaststellen dat men daar veel te gemakkelijk overheen gegaan is, en dat men bij een invulling terecht gekomen is, die echt niet aanvaard wordt vandaag in de wetenschappelijke literatuur, omdat ze maar één van de vijf componenten in haar omschrijving opneemt. Ware die reflectie grondiger verlopen, dan had men vermoedelijk ook meer klaarheid gecreëerd over het type sociaal kapitaal dat in de integratiesector eigenlijk opgebouwd en gecultiveerd moet worden..

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!