Shat Standing solliciteert voor een functie in de harem van Clitt Romney.

maandag 7 april 2014 15:46

Beste Clitt Romney,

Ik volg je al een tijd
op Facebook. Iemand die voor Mitt Romney een harem opricht heeft sowieso mijn
aandacht. De man verdient het. Ik daarentegen, ben Shat Standing en tot
vandaag zat ik in de naschoolse opvang, in het lokaal met op de deur het
naambord Observatiekamer. Eerste verdieping, de gang met de kapstokken,
links van de gietijzeren trap, op het einde, tweede deur rechts. Enfin, de eerste
helft van mijn leven bracht ik door in Parijs. Daar zag ik de heer Romney voor
het eerst. Hij was een soort pastoor in maatpak. Zijn volgelingen deden
zendingswerk op straat en vroegen bijvoorbeeld aan voorbijgangers of ze al dan
niet gelukkig waren. Wat ze zelden waren. We tekenen Parijs, eind jaren zestig.
De existentialisten hadden hun werk grondig gedaan. Allicht hadden onze jongens
iets horen waaien over de hel, die een doordeweekse kamer bleek te zijn, met
wat mensen rond de tafel en alle deuren op slot. L’enfer c’est les autres, had
iemand aan tafel gezegd. Ondertussen is het citaat een cliché geworden, maar in
de context van een harem niet minder relevant. Enfin, onze zendelingen hadden
het niet onder de markt. Ze moeten gedacht hebben dat de Parijse jeugd zich voornamelijk
van kant wilde maken. Ondertussen hadden ze onder luid protest de straten in de
fik gestoken. Ze waren tegen zowat alles wat toen normaal en vooral heel saai
was. Hier en daar werd er een tiet ontbloot en hand in hand rond een hartvormig vuurgedanst. Dan werd er tegen de oorlog in Vietnam gezongen,
of over iemand van wie de vader blijkbaar een Mercedes Benz bezat. Dat was niet
echt wat onze kerkvader voor ogen had met de kinderen van God. Uit ellende en
om zijn Frans bij te schaven, toerde hij door het land met een theatergroep. Om
kort te zijn: de Gary Grant uit de ‘Kerk van Jezus Christus van de
Heiligen der Laatste Dagen’ is me sindsdien bijgebleven. Toen ik je
Facebookpagina bezocht, dook de herinnering opnieuw op.

Tijdens mijn pubertijd
zat ik voornamelijk op café, waarvan enkele maanden in Le Clochard Cistercien,
een taverne op zijn retour met hier en daar nog wat vaste klanten. Ja en? (zou
je je afvragen) Wel, de maanden in Le C.C. waren het begin van wat in jouw
musical ‘A Mitt Summer Night’s Dream’ een orgelpunt zou kunnen worden, voor mij
althans. Deze brief is een open sollicitatie voor de vacature van bewaker van
de harem. Ik ben niet echt een eunuch pur sang, maar werd het gaandeweg, in de
geest van het concept zullen we maar zeggen. Niet dat ik geestelijk gecastreerd
zou zijn. Het is ingewikkelder dan dat.

Toen ik vaste klant in
Le C.C. was geworden, viel het me op dat, wanneer er een vrouw naar het toilet
ging, er onmiddellijk een man achterna trippelde.
De toiletten bevonden zich in de
kelderverdieping van het café, met aan de linkerkant een gang voor de vrouwen,
en aan de rechterkant een voor de mannen. In het midden was er een lavabo en
daarnaast een telefoon. In het begin kwam ik er voornamelijk om te bellen. Ik
had het woord ‘gat’ al een paar keer horen vallen en ook: “…deze was nochtans
heel jong.” Ik moest denken aan
een gat in de damestoiletten; een kijkgat, inderdaad. Ik vertelde het aan mijn
huisgenoot die thuis was in de kleine en grote verhalen van Le C.C.

“Tuurlijk maatje,
natuurlijk is daar een gat. Dat heb je goed gehoord”, zei hij. “Alleen, het
bevindt zich op een rare plaats, op tien centimeter van de grond. Ik zal je
tonen hoe je dat doet.”

Hij zette zich op zijn
knieën op het tapijt naast zijn bed en boog naar de grond, zoals de moslims
doen wanneer ze bidden. “Allez!”, riep ik uit.
“Ik kan toch niet met mijn kont in de lucht en een wang tegen de grond door een
kijkgat liggen gluren. Komaan seg, op een openbare plaats? Dat kan je niet
maken?”

Hij grijnsde: “Ja
maatje, zonder damp op je brilglazen, kan je geen kaarsen uitblazen. Begint eer
je bezint.”

Zoals ik al zei, kwam
ik in Le C.C. om te bellen. Soms moest ik wachten tot er iemand terugbelde. Soms namen ze niet
op en moest ik terugkeren. Ik bleef daar wat staan draaien, totdat er een
silhouet van de trap kwam. Uiteindelijk heb ik me in de positie gezet. En
inderdaad, er was een gat. Het is te zeggen: de deur was onderaan afgeschaafd
op de plek waar ze aansloot met de muur. Dit was het werk van een vakman. Eerst
was er het gat en dan Le C.C. Het gat maakte deel uit van de originele plannen
van het café. Dat denk ik. De invalshoek was perfect uitgemeten. Het eerste en
het enige wat je zag was het kutje van de vrouw die op het toilet zat; een
directe eerste kennismaking. Na een tijdje had ik de samenzwering onder de
mannen door. Telkens er een vrouw naar het toilet vertrok, tikte er iemand met
de hiel van zijn schoen op het parket. Algauw lag ik op kop in de pikorde.
Avant la garde il n’y a plus personne, inderdaad. Ik maakte er een gewoonte van
vrouwen te begluren die ik nog niet had gezien, ik bedoel niet in hun geheel.
Sommige vond ik geil, andere minder. Van sommige kreeg ik het zuur. Ik moest
denken aan de uitspraak “…deze was nochtans heel jong.” Ondertussen werd ik de
beste leerling van de klas. Maar ik nam te veel plaats in. Vriendje, nu ga je
te ver. Twee maanden heb ik het volgehouden. Op dagelijkse basis,
welteverstaan. Na een tijd vroeg ik vrouwen op date en probeerde ik hen zo vaak
mogelijk te trakteren. Thee of bier. De vrouwen wisten doorgaans nergens van.
Niettemin was mijn wereld uit balans. Achteraf kon ik het niet laten de
eigenares van een leuke foef te gaan groeten. Het waren types waarvan ik het
normaal gezien warm noch koud kreeg. Mijn houvast was weg. De wereld zat vervat
in het kutje. Ik heb ooit eens een date gehad met een fotomodel. Wel, ik kreeg
oprispingen toen ik haar exemplaar zag. Het was zo’n hautain type. Eentje die
denkt dat de nulmeridiaan door haar bilspleet loopt. Ze was die dag
geconstipeerd en heeft nooit geweten dat ik haar -ook daar- bekeken had. De
timing klopte niet. Het is niet normaal dat je eerst de foef en dan pas de
vrouw ziet. Eigenlijk was ik er ondersteboven van. De ziel van de mens zat
anders in elkaar, had ik geleerd. Ik werd geil van een kutje en niet van de
vrouw die er rond zat. De ontmoeting vooraf of achteraf was nooit een goed idee
geweest. In het geval van het fotomodel leek mijn tweede indruk er niet naast
te zitten. Dat mens was -ook op de pot- niet te pruimen.

Ik heb het nog nooit
aan een vrouw verteld. Jij bent de eerste. Mannen knikken altijd instemmend, soms al na twee zinnen.Allicht wil je me niet
meer aanwerven als bewaker van je harem.

Bon, ik stopte net op
tijd denk ik. Een tijd later zijn we met ons gezin naar Londen verhuisd. Daar
baatte ik een parking van een verzekeringsbedrijf uit, maar dat is een ander
verhaal.

Sinds mijn Parijse
periode heb ik heel wat vrouwen gekend. Telkens ik met een vrouw was, nam ik
karaktereigenschappen van haar over. Ik deed dat niet om me te verontschuldigen
voor mijn Parijse periode of zo. Neen, er leek sindsdien altijd iets opgevuld
te moeten worden. “Der Unheimlichkeit fragt eine Praktische Vernunft’, zei mijn
therapeut vaak. Het zijn van die uitspraken die tot op vandaag raadselachtig
blijven. Enfin, wanneer de vrouw en ik geen eigenschappen meer konden
uitwisselen, dan ging ieder zijn eigen weg. Zo ging dat met de ‘Unheimlichkeit’
en het ‘Praktische Vernunft’. Ik vervrouwelijkte gaandeweg, want de residuen
van de vrouwen die ik had gehad, stapelden zich in me op, zoals in het onderste
deel van een zandloper, die ik af en toe had omgedraaid, dacht ik. Wie bevond
zich in bovenste gedeelte en wie in het onderste? Of liet ik de zandloper
eerder horizontaal op mijn wijsvinger balanceren? Was het ons te doen om het
middelste deel van de zandloper? Daar waar het zand van plaats verwisselt? Ik
weet het niet. Feit is dat ik vervrouwelijkte. Het zand van de overkant kwam
vlotjes binnen, zullen we maar zeggen. Ik weet niet of er een link is met het
kijkgat. Keek ik als het ware door de glazen bodem van een zandloper? En was de
bodem een metafoor voor het kijkgat? Een metafoor voor het kijken? En het zand
het beeld dat in mijn oog ‘stroomde’. Enfin, het is allemaal nogal ver gezocht.
Uiteindelijk besefte ik dat je enkel die eigenschappen van een
ander kan overnemen wanneer je ze zelf ook bezit. “Ergens diep van binnen”,
vulde mijn therapeut dan aan. Iedere vrouw was een alter ego van mezelf, en als
ze het al niet was, dan had ik haar uiteindelijk wel zo omgeturnd. Ik keek niet
naar de ziel, maar zocht herkenning in de ander, alsof er een polaroid van
mezelf op het gezicht van de ander droogde. Bon, ik mag zeggen dat het een
geslaagde operatie was. Wat er diep van binnen in me verborgen zat, heb ik met
behulp van een resem vrouwen naar buiten gebracht. Het heeft me tot in de
tippen van mijn tenen vervrouwelijkt. Tot op het punt dat het een ware
travestie werd.

Ter compensatie
verdiepte ik me in de Bijbel en begon parallellen in de canon te zien. Ik
bedoel, in het achtergrondverhaal, in de woorden, zinnen en verhalen die er
niet stonden. Het is te zeggen: ze zaten erin, maar tegelijk waren ze eruit
geschrapt. Het is een echt mannenblad geworden. Hier werden vrouwen geschrapt,
of omgeturnd tot sterke vrouwen achter nog sterkere mannen. Lilith
bijvoorbeeld; zij werd uit het Oude Testament verbannen. Zij was de eerste
vrouw van Adam. Tijdens de seks wou Lilith nooit onderaan. Ze liet zich niet
domineren en beleefde haar eigen Midsummer Night’s Dream. Uiteindelijk werd ze
uit het paradijs én (zo goed als) uit de Bijbel geflikkerd. Echtscheidingen
lagen moeilijk in het paradijs. Een zandloper mag je nooit uit elkaar halen,
zoiets? Toch duikt Lilith af en toe nog op, ditmaal in de vorm van een monster
met vleugels en vuur en zo. Zo bruin heb ik het nooit gebakken. Ik weet waar
mijn roots liggen. Wat meer is: ik heb de resten van de vrouwen die in mij
achterbleven hun werk laten doen. Misschien is dat wel de reden waarom ik zo
verslingerd was aan het kijkgat. Enfin, ik heb me zonder al te veel protest
laten vervrouwelijken. Ik werd een alter ego van de vrouw, die voor me stond.
Tegelijk werd ik er een van mezelf. Een hybride dus. Ik vraag me af of de
vrouwen waardoor ik zo vervrouwelijkte, op hun beurt vermannelijkt zijn. Ik mag
hopen van niet.

Dit alles om te zeggen
dat ik graag auditie zou doen voor jouw harem en bijhorende musical. Terwijl er
niet echt een auditie is. Ik weet het. Toch ben ik jouw ideale kandidaat. Een
vaderfiguur én moederkloek die tegelijk alle voordelen van een minnaar en een
echtgenoot bezit. Ik ben betrouwbaar, intelligent, genereus, kalm, empatisch en
fatsoenlijk, maar tegelijk ook humeurig, dom, egoïstisch, onbetrouwbaar en
brutaal. Het hangt ervan af wat er van mij geëist wordt, of welke sensaties er
van mij verwacht worden. Trouwens, welke rol zal de heer Romney spelen? Wie is
de echtgenote? Wie is de minnares? En hoe zit het met de takenverdeling? Zijn
er existentialisten in de harem? Het zijn dingen
die we op een meeting moeten bespreken.

Ik kan me voorstellen
dat Mitt een vurige gelovige is, en om een vurige gelovige te worden mag je
vooral niet voldoen aan het ideaal dat God de Vader je voorhoudt. Sublimatie
van het verlangen, heet dat, MAAR het is niet de bedoeling dat het verlangen
naar God de Moeder zou uitgaan. Daar komen vodden van, volgens de mannen van de
canon althans. Wanneer je dat verlangen toch zou willen sublimeren, dan moet je
maar ter compensatie een paar kerstballen en een piek op je kerstboom zetten.
Een keer per jaar mag dat. Enfin, we dwalen af. God is doorgaans geen
moederkloek. De extase wordt naar de vader gekanaliseerd. Ik heb me laten
vertellen dat bijvoorbeeld de zusters het zelden droog houden wanneer de
Heilige Geest in hen waart. En De Heilige Geest komt doorgaans ‘top down’ en
niet ‘bottom up’. Diegenen die dat niet willen aannemen, worden door de ‘CEO of
the Universe’ de laan uitgestuurd, of tenminste herleid tot een verwaarloosbaar
residu. Ik vraag me af wat de heer Romney over dit universele dilemma te zeggen
heeft. En wat te denken van het kruis waar de Zoon van God de Vader hangt te
treuren? Want de vader heeft een treurende zoon en geen wenende dochter.
(Alweer een handige list van de nerds van de canon) Trouwens, moet de Zoon niet
omgekeerd aan het kruis hangen? Ik bedoel, met zijn neus naar het snijpunt van
het kruis gericht? Wat zie je dan? (met een voldoende verbeelding –metaforen!-
en gevoel voor perspectief) Ik zal het je zeggen: iemand die met de armen wijd
tussen twee gigantische billen duikt. Deus Cunnilingus et Spiritus Sanctus,
inderdaad. Teken een cirkel bovenop het kruis en de navel van de wereld
verschijnt voor je neus. De Heilige Geest is in deze context niets minder dan
de eeuwige stroom van vrouwelijke residuen die achterblijven in het hulpeloze
mensenkind. Vandaar dat treuren van de Zoon. Waar hebben we dat nog gehoord?
Inderdaad, stilaan komen we tot het sluitstuk van mijn feminiene bewijsvoering.
Ondertussen heb ik mezelf in het zonnetje gezet. Wat mooi meegenomen is, gezien
de context van deze brief. Het lijkt erop dat God de Vader en zijn personeel panisch
zijn voor de zachte vrouwenhand die in werkelijkheid de wereldbol voor haar
gezicht houdt, en ze doet dat niet terwijl ze op een bezem door de lucht vliegt,
maar ze doet dat bijvoorbeeld wanneer ze zich naakt op haar bed aan het
vervelen is, in de bol kijkt en in een moment van verlangen haar hand
uitsteekt. Zelfs Michelangelo heeft dat nooit zo in de hemel zien staan en naar
het schijnt had hij een telescoop op zolder.

Om kort te gaan: in
plaats van een vervrouwelijking van God en zijn personeel is het
tegenovergestelde gebeurd. Een van de redenen kan zijn dat mannen een talent
hebben voor hiërarchie. Ze zullen het nooit ontkennen als je het hen vraagt. De
zandloper staat rechtop. De heer Romney kan daar allicht een en ander over
vertellen. Hiërarchie dus. Een piramide. Met op de top de ‘CEO of the
Universe’. Inderdaad. Wat had je gedacht? In het beste geval staat achter hem
een sterke vrouw, natuurlijk, zolang ze geen kinderen aan het baren is, maar
goed, het wordt stilaan tijd een punt te maken. DUS wanneer ik als
vervrouwelijkte bewaker van jouw harem zou mogen aantreden, dan zullen al deze
eeuwenoude problemen en erfzonden niet jouw deel worden. Het zal simpel zijn:
iedereen die het toch probeert, wordt eruit geflikkerd. Zodat de focus ligt waarop hij moet liggen:
op de onbewogen beweger van dienst, in dit geval de heer Mitt Romney.

Ten slotte
wil ik nog mijn niet onfraaie stem op tafel
gooien. In mijn jeugd was ik grote fan van de Amerikaanse groep Survivor. ‘The
eye of the tiger’ was toen een echte meezinger.

(…) so many times it
happens too fast

you change your
passion for glory

don’t lose your grip
on the dreams of the past

you must fight to keep
them alive

it’s the eye of the
tiger

it’s the thrill of the
fight

rising up to the
challenge of our rival (…)

Met vriendelijke
groeten,

Shat Standing (eunuch
in hart, geest en nieren)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!