Openbaar vervoer: naar een rendabele lijn? Of toch maar niet?

Openbaar vervoer: naar een rendabele lijn? Of toch maar niet?

woensdag 17 februari 2016 01:20

Het is al enige tijd geleden sinds mijn laatste opiniestuk. Mensen die mij wat beter kennen, weten dat ik het schrijven van deze stukken beschouw als een manier om mijn eigen gedachten en ideeën op een rijtje te zetten en om mijn eigen mening over bepaalde kwesties scherp te stellen. 

Sinds een maand of twee denk ik na over ons openbaar vervoer, en meer bepaald over de berichtgeving hieromtrent. Wat mij steeds opvalt, is hoe alle wijzigingen gebeuren om een betere rendabiliteit na te streven. Is echt openbaar vervoer echter niet per definitie tegenstrijdig met rendabel zijn? Gaat het hele idee van basismobiliteit niet net lijnrecht in tegen dit idee?

Eerst en vooral wil ik heel goed duidelijk maken waarover het gaat. Daarom enkele definities volgens Van Dale:

  • Openbaar: voor iedereen toegankelijk = publiek
  • Openbaar vervoer: de algemene middelen en gelegenheden tot verplaatsing (te land) die het publiek ten dienste staan, zoals trein, tram en bus >< eigen vervoer
  • Rendabiliteit: winst opleverend, voldoende opleverend om voortgezet te kunnen worden = lonend, winstgevend

Twee andere begrippen die ik hier wil introduceren zijn die van basismobiliteit en basisbereikbaarheid. Deze twee begrippen zijn eigenlijk beleidstermen van de Vlaamse Overheid en tonen aan hoe zij het beleid over openbaar vervoer zien. Omdat het hier gaat over overheidstermen, biedt de Van Dale geen definitie. Omwille van de volledigheid zocht ik deze toch even op. Over deze begrippen bestaan een aantal definities, waaronder definities door politieke partijen. Om een argument zonder partijkleur op te bouwen, kies ik telkens voor de definitie van De Lijn.

  • Basismobiliteit: Basismobiliteit is een principe uit het decreet Personenvervoer dat een basisaanbod aan openbaar vervoer voorschrijft. Iedereen die in een woongebied in Vlaanderen woont, heeft recht op een gegarandeerd aanbod aan openbaar vervoer. (Bron: De Lijn)
  • Basisbereikbaarheid: Bij basisbereikbaarheid staat het kunnen bereiken van bestemmingen centraal: Het is gericht op het bereikbaar maken van bestemmingen in steden en kernen voor een zo groot mogelijk aantal daadwerkelijke reizigers met een optimale inzet van middelen. Het gaat om centraal gelegen tewerkstellingsplaatsen, scholen, winkels, ziekenhuizen en andere attractiepolen voor het publiek. (Bron: De Lijn)

Openbaar vervoer

Zoals uit de definities blijkt, is openbaar vervoer een middel dat ten dienste moet staan van iedereen. Iedereen, dat wil ook zeggen dat die man die in de derde straat rechts van het hol van Pluto, vlot op zijn bestemming moet geraken. Iedereen, dat is ook inclusief de alleenstaande vrouw die op woensdag haar kinderen naar hun sportclubs, vriendjes en muziekschool moet brengen. Iedereen, dat is ook de student uit dat kleine gehucht die op maandag vlot in zijn lessen moet geraken Onderbenutte lijnen schrappen om het vervoer rendabel te maken, druist volgens mij dan ook regelrecht in tegen dit principe van ‘iedereen’.

Iets rendabel maken is namelijk alles schrappen wat geen winst oplevert. In het geval van De Lijn gaat dat om die buslijnen waar ik het net over had. Wat men noemt: ‘onderbezette’ lijnen.

Er bestaat zoiets als het “Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten”. Dat verdrag bepaalt, naast vele andere zaken, ook dat iedereen recht heeft op deelname aan cultuur, onderwijs en vrije schoolkeuze (Bron: Wikipedia). Het openbaar vervoer werkelijk rendabel maken, zou er net voor zorgen dat zowel de man, de alleenstaande vrouw en de student in de problemen zouden komen om dat recht uit te oefenen.

 

Basismobiliteit versus basisbereikbaarheid



Vlaams minister van Mobiliteit, Ben Weyts

Het idee van basismobiliteit is één van de stokpaardjes van wijlen Steve Stevaert. Concreet betekent het dat iedereen op 500m, of 750m, van de voordeur een bushalte moet hebben. Naast deze bepaling wordt ook het minimumaanbod vastgelegd (bv: een kern van meer dan 500 inwoners moet minstens één doorkomst van een bus per uur hebben)
Het concept van de basisbereikbaarheid wordt door de Vlaamse Overheid voorgesteld in december 2015 als opvolger van die basismobiliteit. Concreet houdt dat in dat men de focus wil verleggen van het vertrekpunt, naar de bestemming. De Overheid is tot de vaststelling gekomen dat heel wat cruciale bestemmingen (zoals bedrijventerreinen) moeilijk te bereiken zijn met het openbaar vervoer. Ze wil dus afstappen van die minimumeisen en het vervoer efficiënter maken. Hoewel ik er mee akkoord ga dat bepaalde gebieden moeilijk te bereiken zijn en dat er verandering moet komen, vrees ik dat dit een verdoken vorm van privatisering van het openbaar vervoer wordt. De Overheid stapt namelijk af van dat idee van bushaltes op een minimumafstand. Minister Weyts legt het alternatief uit:

“Volgens minister Weyts wil dat zeggen dat het vervoer nu meer zal afgestemd worden op de wensen van de reizigers zelf. Niet iedereen wil een bushalte vlakbij de deur, heeft die nodig of gebruikt die nooit. Er zou dus meer flexibiliteit moeten komen en meer efficiëntie. Concreet denkt Weyts dat de private sector en dan met name taxi’s de rol kunnen overnemen van de soms erg dure belbussen die op verzoek rijden.” (Bron: De Redactie.be)

Concreet houdt dit echter ook in dat er buslijnen zullen verdwijnen en dat bushaltes opgedoekt zullen worden. Voor de mobiele medemens is dit geen probleem, een fietstochtje van 500m of van 1km is geen groot verschil. Voor de minder mobielen onder ons, wordt dit echter wel een issue. Weyts rekent namelijk op de private sector om die mensen aansluiting te laten vinden op het net. Moeten die mensen dan de volle pot betalen, omdat ze anders niet in staat zijn om aan de halte te geraken? Volgens mij zal zo’n initiatief leiden tot een sterke onrechtvaardigheid en bepaalde groepen zullen hierdoor sterk worden benadeeld.

 

Economie

Deze discussie over het openbaar vervoer is voor mij echter ook een stille getuige van iets dat veel dieper zit in onze samenleving. Namelijk een heilig geloof in de economie en de verheffing van economie tot alwetende wetenschap. In een eerder stuk heb ik dat al enigszins aangeraakt, maar ik wil er hier even opnieuw op ingaan. Een politicus moet maar insinueren dat iets goed, of niet goed, is voor de economie om zijn standpunt kracht bij te zetten en, met de spreekwoordelijke vingers in de neus, de winst binnen te halen. Economie is de heilige graal van onze samenleving geworden, en we dreigen iets zeer belangrijk te verliezen in ruil voor materiële welvaart. We dreigen ons welzijn te verliezen.

Gent, 17/02/2016

Jeroen

 

Bronnen:

Meer lezen:

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!