Jostein Gripsrud over ‘National Identity and the Public Sphere’
Jostein Grisprud, Eurovisiesongfestival, Publieke sfeer, Nationale identiteit, Franqui Chair -

Jostein Gripsrud over ‘National Identity and the Public Sphere’

woensdag 16 maart 2011 11:24

Professor Jostein Gripsrud, verbonden aan het departement voor informatiewetenschappen en  mediastudies van de universiteit van Bergen in Noorwegen, is vorig jaar door de departementen communicatiewetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel, de Université Libre de Bruxelles en de Universiteit Gent voorgedragen als internationale Francqui professor. Het Francqui Fonds heeft het voorstel van de drie universiteiten gehonoreerd. Dit betekent dat professor Gripsrud de prestigieuze titel van International Francqui Chair mag dragen en dit semester onderzoek en onderwijs in de organiserende departementen zal ondersteunen. Gisteren vond in de Salle Dupréel van de ULB de officiële plechtigheid plaats om het professorschap in te zetten, gevolgd door de inaugurale lezing van professor Gripsrud zelf.

In zijn openingsrede gaf professor Pierre Van Moerbeke, gedelegeerd bestuurder van de Francqui-Stichting, een overzicht van de geschiedenis en activiteiten van de Francqui-Stichting en van de verdiensten van Gripsrud voor het domein van de communicatiewetenschappen. Als toonaangevende figuur in onderzoek naar de publieke sfeer, televisie, mediabeleid, filmgeschiedenis en journalistiek heeft Gripsrud niet alleen tal van publicaties op zijn naam staan, maar tevens de theoretische basis van de communicatiewetenschappen uitgediept en in contact gebracht met andere sociaalwetenschappelijke theorievorming. Daarnaast is Gripsrud een sturende kracht achter grote pan-Europese onderzoeksprojecten over cultuur, media, politiek en democratie. Het eerbetoon aan professor Gripsrud werd besloten met de overhandiging van de medaille van de Francqui-Stichting voor de laureaat.

Hierna benadrukte professor Lode Wyns, vice-rector onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel, dat dit een unieke gebeurtenis is. Voor het eerst wordt aan een communicatiewetenschapper deze prijs toegekend. Dat wijst op de verzelfstandiging van de jonge discipline die weliswaar opgebouwd is op basis van theorievorming uit andere disciplines, maar waarin in toenemende mate eigen scholen, paradigma’s en concepten ontwikkeld worden. De toenemende mediatisering van de samenleving, nu ook digitaal, laat vermoeden dat dit ontwikkelingsproces verder gezet wordt en de relevantie van de discipline verstevigd zal worden.

In zijn inaugurale lezing National identity and the Public Sphere behandelde Gripsrud het centrale thema in zijn werk: de interrelatie tussen cultuur en media, de natie, identiteit en de publieke sfeer. Wat zijn de linken hiertussen en hoe kunnen de communicatiewetenschappen hier een bijdrage aan leveren? Door middel van een historisch overzicht van het concept van de publieke sfeer, met bijzondere aandacht voor het werk van Jürgen Habermas, Benedict Anderson, Pierre Bourdieu, Ernest Gellner, Max Weber en Louis Althusser trachtte Gripsrud de vele lagen van het concept af te pellen en te duiden. Ondanks verschillende terechte kritieken van Nancy Fraser op de Habermasiaanse (bourgeois) publieke sfeer – die sterk verwant is met (of gereduceerd wordt tot) de Westfaalse natie-staat, een kapitalistische economische organisatie, een nationalistische communicatie-infrastructuur en die in een monolinguïstisch kader plaatgrijpt – blijft Habermas voor Gripsrud het uitgangspunt.

Waarom voelt de Noorse inzending voor het Eurovisiesongfestival, waarin een gekleurde dame, weliswaar met wanten met de Noorse vlag op, in het Engels en Swahili het liedje ‘haba haba’ zingt, toch als Noors aan? Om dergelijke en huidige maatschappelijke evoluties beter te begrijpen herinnert Gripsrud het publiek aan het werk van Ernest Renan (Qu’est-ce qu’une nation?, 1882), waarin de cruciale bijdrage van spirituele principes aan natievorming aangestipt wordt. M.a.w. de natie is niet Blut und Boden, maar opgebouwd door gemeenschappelijke herinneringen (of de keuze om aspecten van het verleden te vergeten) en een bijna dagdagelijks referendum over de wil om samen te leven. Moderne media, begrepen als zowel gemeenschappelijke media-systemen als narratieven die erin circuleren, spelen hierin een cruciale rol. Het semiotisch web, of web van connotaties dat gecreëerd wordt in de culturele publieke sfeer en gedistribueerd via ‘nationale instellingen’ (media, maar ook onderwijs) dient in de analyse van de publieke sfeer een centrale plaats in te nemen.

Globalisering en technologische ontwikkelingen als het internet stellen evenwel opnieuw uitdagingen voor de conceptualisering van de publieke sfeer. Onze economie wordt in toenemende mate gereguleerd op Europees niveau. Maar kunnen we spreken van een Europese publieke sfeer? Of is een reeks van publieke sfericulen in Europea een adequater beschrijving? Dergelijke conceptuele vraagstukken staan op Gripsruds onderzoeksagenda in de komende jaren.

In twee commentaren, respectievelijk van professor Dave Sinardet (Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Antwerpen) en professor François Heinderyckx (Université Libre de Bruxelles), werd het conceptuele kader van Gripsrud getoetst aan de complexe vraag of er sprake is van een Belgische publieke sfeer. Beide professoren zijn geneigd in vraag te stellen of hiervan sprake is. Uit recent onderzoek puttend gaf Sinardet een aantal impressies mee die het bestaan van een Belgische publieke sfeer problematiseren.  Ten eerste, hoewel de Belgische federale regering linguïstisch paritair is, komen in de media in zowel de Vlaamse als Franstalige gemeenschap ministers van de ‘eigen’ gemeenschap voor ongeveer 80% van het totaal in beeld. Ten tweede, wanneer over een cruciale kwestie zoals de al dan niet splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde gedebatteerd wordt, gaat het debat in feite niet over de kwestie as such omdat de deelnemers vaak uitsluitend Nederlands- dan wel Franstalig zijn en het debat bijgevolg niet de grenzen van de politieke consensus in één van de landsdelen overschrijdt. Ten derde, is er nog steeds geen sprake van werkelijk federale verkiezingen en een federale kieskring. Heinderyckx sloot zich hierbij aan en zoomde in op de verschillende mediaconsumptie in Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Zowel in het lezen van kranten, het kijken naar televisie of internetgebruik, als in de mediapraktijk zelf (bv. de verslaggeving over de begrafenis van Marie-Rose Morel) doen zich grote verschillen voor die doen vermoeden dat een Belgische publieke sfeer eerder veraf staat. Aldus besluiten Sinardet en Heinderyck op basis van het Belgische voorbeeld dat de ontwikkeling van een Europese publieke sfeer minstens bijzonder complex zal zijn en waarschijnlijk utopisch. 

Dr. Jan Loisen is communicatiewetenschapper en als senior-onderzoeker verbonden aan het Steunpunt Buitenlands Beleid en aan SMIT-IBBT

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!