Interview met Alan Quireyns: ‘Wij werken tailor made, de kunstenaar heeft het eindwoord’

woensdag 8 augustus 2012 15:34
Spread the love

In een statig huis tussen kranen en loodsen in de haven van Antwerpen, ontmoet ik Alan Quireyns, curator/ artistiek leider van AIR Antwerpen voor een gesprek over de betekenis van de residentieplek. Over de wisselende werkplek van de kunstenaar zegt Philippe Parreno « The studio has been replaced by urbanism and industry. Steelmills, shipyards, and fabrication plants have become my on the road extended studios. » Wat Parreno hier beschrijft als de nieuwe ruimte waarin de kunstenaar zijn oeuvre tot ontwikkeling laat komen, is ook het soort plek dat AIR geworden is: in de marge van de stad krijgt de nomadische kunstenaar even de tijd en ruimte om embryonale ideeën tot rijping te laten komen, inspiratie op te doen, ideeën uit te wisselen en onderzoek te voeren.

AIR bestaat nu bijna tien jaar. Is de werking ontstaan vanuit een noodzaak, een vraag naar  residenties in het Antwerpse?

Quireyns: AIR is ontstaan vanuit een kunstenaarsinitiatief bestaande uit kunstenaar Philippe Huyghe en architect Jan Meersman. Zij organiseerden toen Hal Antwerpen: vrij grootschalige solotentoonstellingen in een oude fietsfabriek in Borgerhout met o.a. werk van kunstenaars als Thomas Hirschhorn en Katrina Frisch. Dat waren vrij intensieve projecten – de kunstenaars werkten er over een langere tijdspanne, en de locatie was erg groot. In het begin logeerden de kunstenaars bij de organisatoren, maar na verloop van tijd bleek dat niet meer haalbaar te zijn. Toen is de zoektocht gestart naar een plek waar kunstenaars tijdelijk samen gehuisvest konden worden. Er waren andere voorbeelden internationaal van residentieplekken die internationale kunstenaars in de stad introduceerden, maar dit bestond toen nog niet in België. AIR Antwerpen was de eerste echte residentieplaats met een focus op beeldende kunstenaars, en die zich inschreef bij netwerken zoals Res Artis en Trans Artists.

AIR is dus in de eerste plaats ontstaan vanuit presentatie om later te evolueren naar een residentiefunctie?

Quireyns: Ja, dat is vrij snel gegroeid. In 2003 hebben we onze locatie op ‘t eilandje gevonden.  Toen we met ons voorstel van een residentie naar de haven stapten, werd het pand nog gekraakt. De haven stelde voor dat als de krakers het gebouw verlieten het door ons kon gebruikt worden. In 2005 ontvingen we structurele subsidies waardoor we effectief kunstenaars konden beginnen uitnodigen. Vanaf dan werd AIR een specifieke residentie die internationale kunstenaars bij elkaar bracht om hen deelgenoot te maken van de Belgische kunstscène, en hen tijd en ruimte bood om te herbronnen, te werken of te produceren.

Is er sinds 2005 in AIR een evolutie geweest in de begeleiding van residenten, en in het verlengde daarvan in de benadering van een residentie?

Quireyns: In het begin was onze werking vrij DIY. Er was geen groot budget en men moest ervan overtuigd worden om de residentie an sich als een volwaardige functie binnen het culturele veld naar voren te schuiven. Dat is echt een strijd geweest. De laatste jaren zijn we er steeds meer erin geslaagd de kunstenaar een beter pakket aan te bieden en onze selectie autonoom te behouden. Nu kunnen we de kunstenaars degelijk uitnodigen en hen een volwaardig pakket aanbieden. Ondanks het feit dat de kunstenaar geen enkele verplichting heeft, is er wel een recente verschuiving naar een actiever visueel programma. Door het programma wordt er gecommuniceerd met de locale omgeving. De verschillende modellen waaruit het programma bestaat, focussen op de manier waarop een bezoeker visueel kan voorgesteld worden aan het denk – en productieproces van de kunstenaar. Het is dus niet zozeer de productie die voorop staat, maar eerder de weg die de kunstenaar aflegt.

De laatste jaren heeft de residentie ook een nieuwe opmars gemaakt.

Quireyns: Het woord residentie wordt stelselmatig vaker gebruikt en er zijn ook steeds meer instituties die een residentieprogramma aanbieden. Ook in de in de privésector zijn er mensen die ruimtes openen om kunstenaars te huisvesten. Er zijn ook kunstenaars die professioneel verplicht worden meer te reizen, en daar bieden residenties een antwoord op. Onze werking probeert die DIY mentaliteit te behouden, zonder zich per definitie in te schrijven binnen een institutionele of commerciële omgeving. AIR Antwerpen biedt een periode aan die volledig door de kunstenaar kan worden ingevuld. AIR is een meetingpoint, voor de lokale en de internationale kunstscène. Wij werken tailor made: op maat van de kunstenaar, de kunstenaar heeft het eindwoord. Wil de kunstenaar onderzoek voeren, dan gaan we hem daarin ondersteunen. Wil de kunstenaar produceren, dan zoeken we partners, regelen we tentoonstellingen, en begeleiden we hem op alle mogelijke manieren. 

Dat is een verschillende aanpak dan bijvoorbeeld het residentieprogramma van WIELS of het postgraduaat HISK. Er bestaat geen eenduidig model voor een residentie. Kan je daar iets meer over zeggen?

Quireyns: WIELS is een institutionele residentie verbonden aan een  tentoonstellingsruimte. Zij werken met een open call: mensen kunnen zich inschrijven en al dan niet geselecteerd worden. Dat is op zich al een groot verschil met wat AIR doet. AIR gaat in een persoonlijke communicatie met de kunstenaar die hier terechtkomt. Wij selecteren de kunstenaars in samenspraak met onze beoordelingscommissie, een internationale commissie van kunstenaars en curatoren.

Zijn er (residentie)plekken die op een vergelijkbare manier werken? Hoe is jullie positionering tegenover andere instellingen met residentieprogramma’s? 

Quireyns: In AIR investeren we echt in de inspiratie en de pre-productie. Wij beschikken niet over de infrastructuur voor de productie, en willen ook geen les geven of mensen wegwijs maken binnen hun eigen oeuvre. Wij willen echt kunstenaars die op een onafhankelijke manier kunnen werken en over een eigen identiteit beschikken.
Onze doelstelling is om zoveel mogelijk interactie te krijgen tussen de lokale kunstgemeenschap en de kunstenaars die hier komen. We kijken wel of ze al dan niet ooit in België geweest zijn. We proberen echt bepaalde lacunes in België in te vullen. Concreet zijn dat kunstenaars, of oeuvres die nog niet belicht zijn door het kunstparcours dat hier gevolg wordt, maar waarvan we voelen dat ze naar hier moeten komen. In die zin heeft ons programma een vergelijkbare artistieke inhoud als die van Extra city of Objectif Exhibitions.

In AIR wordt dus geen jaarlijks programma of thema opgeworpen als criterium voor de selectie?

Quireyns: Neen, we hebben wel bepaalde artistieke richtlijnen die we gebruiken om keuzes te maken binnen het oeuvre van de kunstenaar die voor een residentie in aanmerking komt. In 2012 gaat dat vooral over de constructie van identiteit en hoe deze beïnvloed wordt door de omgeving en de socio-culturele context. Een goed vertrekpunt voor wat ik bedoel is The Tenant (Roman Polanski, 1976). De film gaat over een huurder die in een appartementsgebouw woont en door zijn omgeving wordt gezien als de huurder die daar voordien woonde, ondanks het feit dat die een vrouw was, en hij een man is. Die vrouw heeft zelfmoord gepleegd, maar de nieuwe huurder wordt door zijn omgeving toch in dezelfde situatie geduwd. Drie keer haalt hij een pak sigaretten in een bistrootje uit de buurt, en vraagt iedere keer van pak gauleoises. Iedere keer wordt hem Marlboro voorgeschoteld, omdat de vorige huurster dat rookte. Na verloop van tijd laat hij zich overtuigen en rookt hij enkel nog Marlboro Red. Het gaat over kleine gestes, gebeurtenissen en gebaren die heel definiërend zijn voor hoe iemand zich verhoudt tegenover zijn dagelijkse omgeving. Dat is een gedachtelijn die wij ook volgen bij de selectie van de kunstenaars. Het gaat dan om mensen die werk maken rond identiteit, uitwisseling en  migratie – kunstenaars  die de eigenheid van hun land, en de situatie van herkomst naar hier meenemen en waarvan we iets kunnen leren.

AIR werkt samen met een internationale adviescommissie. Zakken de leden ervan regelmatig af naar Antwerpen?

Quireyns: Ja, Luis Silva is hier bijvoorbeeld nu een week op bezoek. Anderen kom ik regelmatig tegen in het buitenland op evenementen.  Dat fluctueert eigenlijk een beetje. In principe zijn er drie manieren waarop kunstenaars in AIR terechtkomen. In de eerste plaats is dat onze eigen selectie, ten tweede zijn er de samenwerkingen zoals die met het Middelheimmuseum of met Kunsthalle Lissabon bijvoorbeeld, en ten derde worden  gasten ofwel uitgenodigd door de residenten of voorgesteld door andere organisaties. Er zijn natuurlijk ook eerst verschillende gesprekken. Het basisprincipe is nog altijd het werk – we prospecteren veel zelf, en tijdens studio visits kijken we eerst altijd of we aansluiting kunnen vinden bij het werk. Nadien vragen we of we iets voor hen kunnen betekenen.

Wat houdt de samenwerking met instellingen als Middelheim dan precies in?

Quireyns: De samenwerking met het Middelheim « De Sokkel », is een vrij specifiek project: een combinatie van een residentie van vier maanden met een werk in situ dat gemaakt wordt op een lege zuil in het stadspark en ingeschreven wordt binnen de tentoonstellingswerking van Middelheim. Dat soort samenwerkingen willen we in de toekomst intensifiëren.
We hebben ook een samenwerking met de Kulturbunker in Frankfurt: een uitwisselingsproject waarbij een Duitse kunstenaar drie maanden bij ons resideert, en een Belgische kunstenaar drie maanden naar Frankfurt gaat. De mogelijkheid bieden aan een Belgische kunstenaar om naar het buitenland te trekken, is ook iets waar we in de toekomst op willen inzetten. En dan liefst in landen die minder voor de hand liggen. Momenteel zijn we de mogelijkheden aan het bekijken in Mexico City en  Beiroet. Dat zijn ook plekken waar we screenen, en waarvan we voelen dat er iets gebeurt. We hebben nu een Mexicaanse kunstenaar uitgenodigd voor 2013, en dat zal hopelijk leiden tot een residentieplek in Mexico.

Vragen jullie ook aan Belgische kunstenaars om in AIR te komen werken?

Quireyns: In het verleden hebben we dat wel gedaan, omdat we het interessant vonden om die interactie te hebben. Onze huidige resident Alicia Frankovich, werkt bijvoorbeeld veel met Belgische dansers en kunstenaars. En natuurlijk sluiten we niet uit dat we ook hen kunnen vragen voor een residentie. Als een project zich leent aan onze werking, dan kan dat. Ook internationale kunstenaars moeten een insteek hebben in het verhaal. Wij willen geen “residentiehoppers” die overleven door van de ene residentie naar de andere te reizen, en die je nooit ziet. We willen hier mensen die effectief investeren in waar ze terechtkomen, openstaan voor de nieuwe omgeving en daar ook echt iets mee willen doen.

Je sprak daarnet over lacunes in de Belgische kunstscène. Wat bedoel je daar concreet mee?

Quireyns: Wij gaan op zoek naar kunstenaars waarvan we merken dat ze op zoek zijn naar aansluiting met wat hier gaande is, maar dat nog niet gevonden hebben. Wij bieden die aansluiting aan. Er zijn veel kunstenaars die werken met het idee van de natie, het idee van identiteit, en die specifiek hun werk daarrond opbouwen.

Die specifieke socio-culturele context is inderdaad een thema waar Belgische kunstenaars niet echt op ingaan.

Quireyns: Belgische kunstenaars zijn daar heel inactief in, en dat probeert AIR te heractiveren. Daarom voelen wij ook  noodzaak om meer residenties te ontwikkelen in meer problematische, alternatieve gebieden voor Belgische kunstenaars. Het lijkt ons heel vruchtbaar om die uitwisseling van de ene socio-culturele context naar de andere te bewerkstelligen. Kunstenaars gaan dan door een bewustmakingsproces waarbij ze ontdekken hoe het ook anders kan. Als we het hebben over identiteiten, over hoe die door een omgeving gevormd worden, gaat dat ook over het alledaagse, over hoe verbindingen en relaties ontstaan, over hoe bepaalde beslissingen worden genomen. Beslissingen in alledaagse situaties in Beiroet creëren direct sterke connotaties op politiek niveau, terwijl dat in België helemaal anders is. Vandaar dat het interessant is om mensen uit verschillende contexten aan elkaar voor te stellen.
We gaan nu werken met Mournira Al Sohl. Zij is een kunstenaar die schippert tussen Beiroet en Amsterdam. Ze komt hier zes maanden op residentie, en een deel van die residentie zal ook een bezoek aan Beiroet zijn. We willen daar een aantal evenementen organiseren – een  samenwerking tussen Mournira Al Sohl, Kunsthalle Lissabon, en AIR Antwerpen. Samen met een  Portugese en een Belgische kunstenaar zal ze een  situatie creëren waarin er in communicatie wordt getreden met de lokale gemeenschap. Op die uitwisselingen van ideeën willen we heel sterk inzetten. Het gaat over de ervaring en de heel persoonlijke ervaringen die ze meeneemt naar hier. En Belgische kunstenaars hebben die net zozeer. De residenten kennen ondertussen ook een pak Belgen en die nemen elkaar mee op sleeptouw. De verhalen die hier aan tafel verteld worden, zijn de dingen die belangrijk zijn, de dingen die gewoon gebeuren in de alledaagse realiteit.

Is er concreet gezien een werkstructuur? Hiermee doel ik op vaste momenten waarop de residenten samenkomen, of toonmomenten ter verzilvering van wat ze hier gedaan hebben. Kunstenaars krijgen hier woonruimte en een infrastructuur aangereikt waarbinnen hun werk kan ontstaan, maar hoe verloopt de opvolging? Roepen ze eens wanneer ze nood hebben aan een klankbord?

Quireyns: Er is zeker een structuur doordat we een maximum aantal kunstenaars per jaar kunnen uitnodigen voor een welbepaalde tijd. In die periode zit de structuur in de persoonlijke dialoog die ik met hen aanga. We hebben wekelijks een vergadering waarin zij updates geven, vragen stellen en omgekeerd ook. Verder zit er structuur in de dagelijkse lunch, een moment waarop de mensen die hier werken en wonen bij elkaar komen, met elkaar praten, en ideeën uitwisselen. Ik doe met hen ook een heel bezoekersprogramma. De kunstenaar die in AIR resideert krijgt verder ook de mogelijkheid om een publiek evenement te organiseren. Daar werken we wel een beetje naartoe, maar we gaan niet bepalen hoe de kunstenaar zijn residentie hier moeten invullen.

Kort gezegd: er moet geen eindresultaat zijn, het mag ook puur onderzoeksgericht zijn.

Quireyns: Dat mag zeker. Wij doen veel voorbereidend werk en hebben veel discussies vooraleer mensen naar hier komen In die zoektocht wordt bepaald wat de kunstenaar tijdens zijn residentie zal doen. Er zijn binnen het programma ook een aantal terugkerende formules: vanaf nu organiseren we AIR RIVER BAR, een project dat we twee keer per jaar willen we organiseren. Dat is een avondprogramma van performances, screenings, en tentoonstellingen, waarbij de nadruk gelegd wordt op een door een kunstenaar georganiseerde tentoonstelling uit het onmiddellijke verleden die performatief terug nieuw leven wordt ingeblazen. Het materiaal van die tentoonstelling  wordt doorgegeven aan de kunstenaars die hier resideren en zo ontstaat het materiaal voor die avond.
Daarnaast organiseren we ook AIR TAILOR MADE, een publiek evenement dat we organiseren met de kunstenaars individueel. Dit kan zowel hier bij AIR als elders plaatsvinden, in samenwerking met andere organisaties: Cinema Zuid, Extra City,… maar het kan evengoed in een café zijn (bijvoorbeeld AIR TAILOR MADE: Ryan Siegan-Smith, Café Amberes).

Of in een publicatie? AIR deelt het gebouw met GAGARIN. Is dat ook een mogelijkheid die kunstenaars opzoeken?

Quireyns: GAGARIN is onze permanente resident, en is er bijgehaald om op een meer inhoudelijke manier te werken. De manier waarop Wilfried Huet zijn boek samenstelt is vergelijkbaar met onze werkwijze: waar wij een plek garanderen voor kunstenaars, garandeert hij een wit blad. In het verleden zijn er ook een aantal residenten geweest die in GAGARIN de kans kregen om deel te nemen. We zien elkaar ook bijna elke dag,  praten er veel over, en inspireren elkaar.

Het is duidelijk dat de nadruk van AIR ligt op de ontwikkeling van de kunstenaar, maar je had het net ook over de strijd voor de legitimatie van een residentieplek. Heeft dat misschien te maken met het gebrek aan betrokkenheid van buitenstaanders? Is er een vorm van contact met de toeschouwer, of met de stad? Is er een vorm van publiekswerking?

Quireyns: Doordat de nadruk ligt op de pre-productie, is dat soms wat minder geweest. Dat doen we nu wel terug meer. Met AIR RIVER BAR en AIR TAILOR MADE zetten we nu echt in op een programma waar iedereen naartoe kan komen, en een introductie kan krijgen in het werk van de residenten. We hebben het werk van Ryan Siegan-Smith gepresenteerd in Café Amberes (Paulusplaats). Op zijn eerste dag in Antwerpen, passeerde hij voorbij een heel rare tapas bar met een enorme wandschildering.  Hij heeft toen aan de uitbater gevraagd of hij daar iets mee mocht doen. Heel die schildering heeft hij gebruikt als inspiratiebron voor een sculptuur die daar nu permanent aanwezig. Hij heeft ook een comicbook gemaakt met zijn eigen personage, Allen Mothchart die de stad binnenkomt en die in gesprek gaat met de figuren in de schildering.
Iets grootschaliger is het OPEN AIR festival, met een externe curator uit een andere discipline. Vorig jaar hebben we bijvoorbeeld OHNO-Cooperation gevraagd met Jan Lauwers en Maarten Seghers. Zij hebben toen samen met residenten in het huis een interdisciplinaire tentoonstelling gemaakt. Dit jaar doen we dat niet, omdat we bezig zijn met een publicatie dat ingaat op het archief van AIR en op het discours rond de residentie.

Heeft AIR uit die reflectie iets geleerd of conclusies gedestilleerd?

Quireyns: De publicatie gaat echt over de evolutie van AIR als residentieplek en het vormen van een eigen discours. Het woord residentie wordt onwaarschijnlijk veel gebruikt, en we willen dat wat nuanceren. Enerzijds willen we de term voorstellen aan een groter publiek, wat het zou kunnen zijn, en anderzijds dieper ingaan op onze eigen werking omdat we merken in onze communicatie met andere internationale residenties dat zij een heel ander verhaal brengen.
Concreet bestaat het boek grotendeels uit bijdragen van residenten. We hebben met alle kunstenaars die ooit in AIR geweest zijn contact opgenomen en iedereen heeft een  bijdrage geleverd die refereert naar hun huidige plaats en een beeld dat verwijst naar hun tijd in AIR. Die bijdragen zijn zeer uiteenlopend geworden: teksten, written accounts, gevonden voorwerpen. Dat beeldverhaal vormt de basis van het boek. Daarnaast hebben we twee schrijvers uitgenodigd: Wouter Davidts zal een vervolg schrijven op de fall of the studio. Hij wil de residentie meer vanuit een  architecturaal oogpunt bekijken: de rol van de keuken, de samenkomst van mensen die elkaar niet kennen en hun omgang met elkaar.
De publicatie wordt eigenlijk een voorstel van waar wij met onze werking naartoe willen. We hebben ervoor gekozen om geen zuiver theoretisch discours naar buiten te brengen, maar een iets meer breeddenkend, gerelateerd aan de manier waarop we gaan archiveren. In 2013 starten we een sporenkabinet op. Dit wordt een soort permanente tentoonstelling waarbij we kunstenaars vragen om iets in AIR achter te laten. We gaan ook een kunstenaar uitnodigen om een constructie te bouwen die samen met die objecten organisch kan groeien.

Is er volgens jou een verschil tussen het cureren van een tentoonstelling en het cureren van een residentie?

Quireyns: Ik weet niet of je dat zo kan stellen, een residentie “cureren”.

Wat is dan de definitie van cureren? Dat gaat toch over keuzes maken, en zaken op een weloverwogen manier bij elkaar brengen. Geldt dat ook niet voor een residentie?

Quireyns: Ik vind cureren niet zo een interessant woord. Je kan eindeloos discussiëren over de inhoud van dat woord, en wat de grenzen daarvan zijn. Voor mij persoonlijk gaat dat over de kunstenaars zo goed mogelijk begeleiden en mogelijkheden voorstellen waarop ze op een zo goed mogelijke manier hun werk kunnen voorstellen. In die zin is dat ver van wat een tentoonstelling organiseren is. En AIR steekt daar een conceptueel ideeëngoed in. Ik heb toch de indruk dat je bij een tentoonstelling op een meer intensieve manier betrokken bent.  Al moet ik toegeven dat je bij een residentie, en de manier waarop je kunstenaars kan begeleiden een bepaalde communicatie kan opstarten. Dat is voor mij het belangrijkste en ook wat ik bij het maken van een  tentoonstelling zoek.

AIR legt de nadruk sterk op het individuele parcours. Er is evenwel een tendens aan de gang waarbij kunstenaars steeds vaker weer in een collectief verband gaan werken. Is dat iets waar een residentie moet/kan op inspelen?

Quireyns: Er is ook een tendens van kunstenaars die zelf tentoonstellingen organiseren, en geen curator nodig hebben. Alles hangt uiteindelijk af van wat er uiteindelijk te zien valt. Ik denk dat een residentie verder kan gaan dan een tentoonstelling. Als je een tentoonstelling hebt is er een moment dat alles bevriest, en al is dat heel performatief, je wordt met die extra entiteit geconfronteerd. In een residentie blijft die discussie veel vrijblijvender. Er zijn ook heel veel dingen die hier binnen de vier muren blijven.  Er zijn kunstenaars die elke week met nieuwe ideeën op de proppen komen. Sommige ideeën halen het niet, sommige wel. Als curator vind ik dat persoonlijk heel interessant. Dat procesmatige is – als ik denk vanuit de positie van een curator van een residentie –  ook iets wat je kan visualiseren. Dat is ook voor een stuk wat we proberen te doen met ons programma. De nadruk ligt nooit op het afmaken van iets dat volledig klopt.

Tekst: Laura Herman

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!