Holebi’s of allochtonen: het dilemma van de progressief

Holebi’s of allochtonen: het dilemma van de progressief

zondag 18 maart 2012 18:29

Berichten over conflicten tussen allochtonen en holebi’s zijn dagelijkse kost. De hedendaagse progressief ziet zich daarbij, zoals steeds, gesandwicht tussen conservatieve (religieuze, vaak allochtone), en liberale (op vrije beleving van seksualiteit en geaardheid gerichte) minderheden. Wat te kiezen? Of misschien: niet te kiezen, en beide groepen tot redelijkheid op te roepen?

De recente conflicten tussen vrouwengroepen en holebi’s enerzijds, en allochtonen anderzijds, lijken wel een ‘remake’ van de negentiende eeuwse wedijver tussen liberalen (ruimdenkend, ook op vlak van geaardheid en geslacht) en katholieken (conservatiever op dat vlak, en met een religieuze invalshoek). Deze conflicten zijn echter bijzonder contraproductief: door zich op elkaar te fixeren en tegen elkaar op te jutten, bestendigen vrouwen- en holebivereningen en allochtone verenigingen anderzijds, alleen maar de gevestigde orde, die hun beider werkelijke onderdrukker is. Als ze vooruit willen, moeten ze progressief zijn, en progressief zijn is veeleer het vechten tegen ongelijkheid, dan het beschermen van de rechten van een (numerieke of niet-numerieke) minderheidsgroep. Een minderheidsgroep is immers enkel minderheidsgroep binnen een bepaalde context, en die context durft al eens te veranderen. Hierbij kunnen twee problemen onstaan: verticaal kan de underdog een underdog-tot-de-tweede onderdrukken, die soms met de onderdrukker van de eerste underdog een alliantie heeft gesmeed, en zo verder; horizontaal kunnen twee groepen die elk binnen een eigen domein de rol van underdog vervullen, elk de hulp van de onderdrukker gaan inroepen om de op het andere domein onderdrukte groep, harder te gaan onderdrukken.

Underdog

Het eerste probleem komt tot uiting in het debat rond het interventionisme: zijn de recente invallen door westerse troepen in het Midden-Oosten (Afghanistan, Irak, Libië), waarbij onafhankelijke (Midden-Oosterse) staten door sterkere (Westerse) staten worden binnengevallen, deels met als argument dat de nog zwakkere groepen in die staten (vrouwen in Afghanistan, Koerden en soennieten in Irak, opstandelingen in Libië) door de staten zelf onderdrukt worden en door de sterke Westerse mogendheden beschermd moeten worden, terecht geweest? Wat moet, met andere woorden, de sterkste groep doen als de tweede sterkste groep de minst sterke groep onderdrukt, en als die sterkste groep die minst sterke groep enkel kan ontzetten als het zelf de tweede sterkste groep onderdrukt; als het, met andere woorden, politie-agent speelt? En wat als de door de politie-agent belaagde tweede sterkste groep de derde, minst sterke groep onderdrukt om een nog minder sterke vierde groep te beschermen, door op haar beurt politie-agent te spelen?

Context

Wie progressisme dus vooral ziet als een “opkomen voor de zwakste”, moet er rekening mee houden dat de verhouding tussen een sterke en een zwakke groep zeer sterk afhankelijk is van de context, het raamkader waarbinnen een bepaalde situatie wordt beschouwd. Binnen België, en a fortiori binnen Vlaanderen, is het Frans een minderheidstaal ten opzichte van het Nederlands, maar op wereldvlak, binnen de Verenigde Naties, is het Frans een werktaal, en het Nederlands niet. Het heeft daarom geen zin om de rechten van een op een gegeven identiteit gebaseerde groep (holebi’s, vrouwen, bepaalde etnische groepen, psychiatrische patiënten) te verdedigen: binnen elke context zijn de machtverhoudingen tussen die groepen en hun onderdrukkers anders. Om het cru te stellen: als ik, gewapend met een geweer, in een bos een woeste bruine beer tegenkom, dan ben ik plots geen ecologist meer, al heb ik net een grote som gestort in het red-de-bruine-berenfonds. Kortom: wie de rechten wil verdedigen van groepen die, op basis van een kenmerk dat ze niet zelf gekozen hebben, worden gediscrimineerd, moet zich er van bewust zijn dat er niet zoiets bestaat als ‘the good guys’ of ‘the bad guys’.

Negativiteit

Wie strijdt, strijdt altijd tégen iets, nooit vóór: hij of zij strijjdt altijd tégen een onevenwicht dat binnen een bepaalde context de kop opsteekt, maar binnen een andere context misschien de tegenovergestelde richting uitgaat. Hij of zij strijdt tégen de ongelijkheid tussen man en vrouw (en niet voor, bijvoorbeeld, vrouwenrechten); tégen de ongelijkheid tussen holebi en hetero (en niet voor, bijvoorbeeld, holebirechten); tégen de ongelijkheid tusssen autochtoon en allochtoon (en niet voor, bijvoorbeeld, migrantenrechten); tégen economische ongelijkheid (en niet, bijvoorbeeld, voor meer rijkdom of voor meer werkgelegenheid). Zoniet verzandt men in lobbygroepen, in sektes, in nationalismen. Ik ben noch voor holebirechten noch voor migrantenrechten. Ik ben voor gelijke rechten tussen holebi’s en hetero’s, en tussen autochtonen en allochtonen. Als ik hoor dat homo’s in Brussel door Marokkaanse inwijkelingen in elkaar worden geslagen omwille van hun geaardheid, dan ben ik daartegen. Als ik hoor dat in het Marokkaanse Agadir, maar ook in Brusselse homobars, Marokkaanse hetero-jongetjes zich aan rijke westerse homo’s moeten prostitueren omdat ze anders niet meer uit de kosten kunnen komen, dan ben ik daar ook tegen. En misschien heeft het ene wel iets met het andere te maken.

Bewustzijn

Indien we ons niet voldoende bewust zijn van dit ‘verticale’ probleem (er bestaat geen zinvolle ‘positieve’ strijjd, enkel een zinvolle ‘negatieve’ strijd, de strijd tégen bepaalde ongelijkheden), kan dat ertoe leiden dat we het ‘horizontale probleem’ gaan creëren; dat we, voor het bereiken van onze fixatie, datgene wat onze sekte, ons nationalisme, onze lobbygroep wil promoten, de hulp gaan inroepen van anderen, een coalitie oprichten tégen hen die ons onderdrukken, terwijl onze tegenstanders, de mensen van de andere club, met ook een eigen fixatie, precies diezelfde ‘neutralen’ wil mobiliseren om de eerste groepering de duvel aan te doen. Dat is natuurlijk een comfortabele positie voor onze ‘neutrale’, ‘gematigde’ mens: hij of zij kan rustig van twee walletjes blijven eten: beetje sussen, beetje aansporen, en ontertussen slapend rijk worden. Noch de holebi- of heteroverenigingen, noch de allochtoon- of autochtoonverenigingen, beseffen dat ze in werkelijkheid de voetveeg en de nuttige idioten zijn van de ‘neutrale’ heersende klasse, die door hun onderlinge geschillen het bestel bevestigd ziet. Het gaat niet om geloof of cultuur; het gaat niet om vrijheid of fatsoen: het gaat erom wie in de pikorde bovenaanstaat, daar gaat het om. Geld en macht, dat is wat men met deze divide-et-imperacampagne wil behouden en uit wil breiden.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!