Heibelieren zonder subsidie, wat een verademin!

Heibelieren zonder subsidie, wat een verademin!

dinsdag 15 mei 2012 11:16

HEIBELIEREN ZONDER SUBSIDIE, WAT EEN VERADEMING!
OF HOE JE ZONDER CLIËNTELISME EN REGELDICHTHEID EEN GEESTIG(*) TIJDSCHRIFT KUNT REDIGEREN!
(*) vernuftig, fijn, fraai, vrolijk.

120 bladzijden kritiek, satire en polemiek. Wat kan een kritisch mens nog meer verwachten van een tijdschrift dat geen blad voor de mond houdt? En ik geef het grif toe: meestal ook nagels met koppen slaat.

De huiscartoonist Manten maakt het al duidelijk op de cover: die van Heibel zijn geen royalisten. Wat moeten wij doen om de Koninklijke familie diets te maken (wat een woordspeling: diets, dietsch*) dat zij vanaf heden gewone burgers zijn.

* Ik heb het onder andere over de aanduiding voor bepaalde Germaanse, al dan niet historische, maar wel reële, bestaande of verdwenen taalvariëteiten, maar in de eerste plaats toch over het begrip “Diets” als projectie in politieke ideologieën. Zoals ieder zijn eigen interpretatie aan een begrip als democratie kan geven, kan je dit ook met de term “Diets”.

Ik sla 48 bladzijden over om te belanden op … 49. Juist! Ik kom seffens (mooi woordje) terug op: “de onstuitbare bloei van de powezij” (p. 11), Jan van den Weghe, “een Vlaming die wellicht groter was dan Hemingway” (p. 41).

Op deze bladzijde begint de “Nieuwjaarsbrief van Frans Depeuter”, gepubliceerd op 5 januari 2012 in “De Geletterde Mens” (weblog waarvan ik de eindredactie verzorg: www.geletterdemens.blogspot.com).
Ik had in mijn vorige besprekingen van de nieuwe Heibelnummers herhaaldelijk geschreven dat Frans “alles wat links is met de grond gelijkmaakt”. Amai, ik moet mij met luide stemme op de Grote Markt van Olen excuseren: Frans was socialist en is links. Was en is. Was: omdat de socialisten hem zwaar ontgoocheld hebben: door machtshonger, betweterigheid, intolerantie, graailust. Je kent toch de grootste graaier? Bij de derde leugen graait Dehaen(e) driemaal. En of, Frans “de Christelijke, Democratische & Vlaamse loodgieter die zeven zakken tegelijk vult” kent!
Ook het links georiënteerde VFL heeft Depeuters “afvalligheid” in de hand gewerkt. Links of rechts, nu links dan rechts, een beetje naargelang van die het voor het zeggen heeft: ik draag het VFL(*) niet in het hart.

* Voorstel tot herschrijven van het decreet van 30 maart 1999 – houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren.
Art. 5 van Hoofdstuk II. De oprichting van een VFL zegt dat “Het VFL tot doel heeft de Nederlandstalige letteren … in den brede zin van het woord te ondersteunen en de sociaal-economische positie van auteurs … te verbeteren.”
Onder andere door de toekenning van subsidies. Oké, maar welke is de positie van de auteur als het decreet stelt dat productiesubsidies alleen door uitgevers kunnen worden aangevraagd en verkregen en dat stimuleringsbeurzen niet kunnen worden toegekend voor uitgaven “in eigen beheer”.
Voor een gezond letterenbeleid staat het subsidie-instrument centraal. Maar er zijn voorwaarden: het VFL mag zich niet lenen tot het ondersteunen van enkel erkende uitgeverijen door het toekennen van welke subsidievorm ook. Zo verleggen zij het accent van de auteur (die hulp behoeft) naar de uitgeverij (die handel drijft en winst op het oog heeft). Niet de uitgever (tenzij die dezelfde persoon als de auteur) moet worden ondersteund maar de individuele auteur (waar en hoe hij ook uitgeeft, indien het professioneel gebeurt). Alleen het criterium “kwaliteit” is de objectieve norm!
Eén criterium:
“Indien u een boek schrijft of wilt schrijven (poëzie, roman, essay, biografie), dan kunt u in aanmerking komen voor subsidie van het VFL.”
Voorwaarden:

    toegankelijk voor een breed publiek en geschreven in de Nederlandse taal;
    gepubliceerd in boekvorm;
    verkrijgbaar in de boekhandel (de wijze waarop is niet relevant);
    in een redelijke oplage.

Als auteur hebben wij recht op subsidie. Deze vorm van “uitkering” mag niet afhankelijk worden gesteld van het loon, het leefloon of een andere bijstandsuitkering. Het zou redelijk zijn indien hulpbehoevende auteurs ook een uitkering kregen op grond van werk en inkomen, maar dit is nu niet aan de orde.
Indien het nieuwe decreet zou stellen dat het de auteur is die moet worden ondersteund en niet de uitgever, dan pas zou de decreetgever zich een aureool van rechtvaardigheid kunnen opeisen.
Natuurlijk moet het decreet ook de uitgever helpen, zoals de overheid andere bedrijven in nood helpt. Niemand zal dit betwisten. Maar mijn punt is: niet uitsluitend en met het accent op de auteur!
De vraag luidt niet: “Is het echt wel de taak van de overheid om schrijvend Vlaanderen financieel te helpen?”. Natuurlijk, maar: “Moet de hulpbehoevende auteur niet eerst en méér worden geholpen?” en “Is deze hulp niet groter of kleiner naargelang van zijn hulpbehoevendheid?” In deze vraagstelling zit terecht een vingerwijzing naar de grote bedragen voor “grote” auteurs, de kleine bedragen (indien ze bij een erkende uitgever onderdak vonden) voor de “kleine” auteurs en de non-subsidiëring voor de auteurs die geen uitgeverij vonden en toch aan de kwaliteitseis voldoen.
Literatuur beoordelen is geen sinecure. Heeft het niet alles met smaak te maken? Wie is een goede auteur? Wat is goede literatuur? Het grote probleem blijft dat 90% van de auteurs zich in een grijze zone bevinden. Hoe verklaar je anders dat auteurs na hun dood worden opgehemeld, die tijdens hun leven aan het kruis werden genageld of niet eens aan de bak kwamen (bij het VFL)?
Dit is het gehele probleem in een notendop! De overheid heeft de dekselse plicht de auteurs te promoten. Wat als er helemaal geen boeken meer verschijnen en de cultuur, zoals de dino’s vroeger, spoorloos verdwijnt?
Wat is het resultaat van deze foute subsidiëringpolitiek?
Auteurs zoeken ijverig (en soms vergeefs) naar media-impact en sponsoring, nemen ijverig deel aan wedstrijden, creëren een eigen uitgeverij, storten zich vol overgave op het nieuwe fenomeen “print-on-demand”, stampen e-zines uit de grond, prostitueren zich. Maar blijven gefrustreerd toekijken hoe de grote uitgevers, met in hun zog de grote auteurs, de VFL-koe leegmelken.
Deze toestanden hebben niets met “kwaliteit” te maken of met “gebrek aan kwaliteit”. Literatuur moet zich niet verstoppen achter intellectueel struikgewas. Af en toe moet er grondig worden gesnoeid, maar zoals de subsidiëring nu werkt, hebben de “kleine” auteurs zelfs geen recht op een snoeibeurt. Zij worden niet au sérieux genomen door de overheid, hun kwaliteit wordt niet eens gemeten, hun groeiproces wordt niet eens begeleid.
Het VFL bestaat voor 95% uit professoren en assistenten van professoren en hun vrienden. Kun je van deze mensen een redelijkheidsprincipe verwachten? Of zijn ze geneigd aan elitevorming te doen? Of hebben ze geen voeling met de “werkvloer”? Auteurs moet je in het VFL zoeken let een vergrootglas.
Dezelfde problematiek stel je vast in de subsidiëring van tijdschriften? Sinds 1989 zijn er een kleine 20 verdwenen. Als gevolg van het subsidiebeleid van het VFL, waarbij vooral andere belangen speelden dan zuiver literaire en kwalitatieve. Tijdschriften hadden “geen profiel, te weinig kwaliteit, geen schrijvers genoeg uit de eerste linie”. “Schrijvers uit de eerste linie”? Wie zijn dat? Ja, die!
Een randbemerking is hier wel op zijn plaats. De tijdschriften zijn blijkbaar geen ladder meer om hoger te komen in het wereldje van de literatuur. Met andere woorden: ze zijn geen onontbeerlijke schakel meer in de ketting van het literaire bedrijf. Het probleem is echter dat de literaire tijdschriften niet meer worden gelezen. (Lees: nog minder worden gelezen dan vroeger!) En wie zijn weer de dupe? De “kleine” auteurs, de “kleine” uitgeverijen. Kranten hebben in hun bijlagen deze taak overgenomen? Larie, wie komen er aan bod, denk je? Gelukkig zijn er nog redacteuren voor wie tijdschriften maken een ziekte is, een obsessie.
Wat is het VFL van plan? Bibliotheken overtuigen van de noodzaak om een abonnement te nemen(en nu komt het) op de door het VFL gesubsidieerde literaire tijdschriften.
Ik kan het probleem niet oplossen. Wie kan het beter dan de auteur zelf, de uitgever, de redacteurs, de overheid, de adviseurs, in een aantal rondetafelgesprekken.

Daar zijn Frans en ik het over eens.
Maar over nog veel meer. Wij zijn contra (de pro’s zijn minder interessant) de literaire profeten à la Lanoye, ze doen ons “het zuur naar de mond stijgen”. Wij hebben een hartsgrondige hekel aan hen “die knikken en zwijgen, die mee kwelen of mee lippen”. Wij willen vrij blijven, wij willen altijd en overal kunnen zeggen wat wij denken.

Op sociaal gebied is Frans “zo rood als een paprika”. Op ethisch gebied “draagt hij de stempel die zijn oerbrave en oerchristelijke moeder hem gaf”. Dit doet er mij aan herinneringen dat mijn moeder Broeder Isidoor, Don Bosco en Dominiek Savio sponsorde, maar nooit naar de kerk ging. Toen het donderde en bliksemde, sloeg zij wild om haar heen met een gewijde palmtak. Maar op Aswoensdag trok zij met de “koterhaak” (de pook) een groot kruis op mijn voorhoofd.
Maar ook zij was niet te spreken over de tsjeven met wie geen land te bezeilen valt!

Op communautair gebied is ook bij mij “de Vlaamse Leeuw wakker geworden”. Was hij slapende? Zo kun je het wel zeggen. Na vier jaar college, waar gewezen VU-volksvertegenwoordiger Luc Vansteenkiste mijn beste vriend was, – toen reed ik ook met een vaantje in mijn fietsspaken rond waarop stond: “Daels vrij!” trok ik naar het atheneum in dezelfde stad en de Leeuw viel in slaap. Hij werd opnieuw wakker met de oprichting van de VU, maar ik liet hem sluimeren in zijn kot. Ik werd zelfs parlementair secretaris van een SP-senator en schreef speeches voor de kameraden. Nu heb ik de handen vrij en laat horen wat ik wil: wie hier komt wonen, moet mijn moedertaal spreken, punt aan de lijn!

Terug nu naar p. 11.
De poëzie bloeit indien je de stadsdichters, straatdichters, boomdichters, beekdichters, waterdichters, winddichters, clubdichters, campusdichters, poezendichters en pruimendichters optelt in Vlaanderen. Om maar te zwijgen over de “Haspengouwse Fruitdichter” Jan Goffa, de “Boomdichter van de Duizendjarige Eik in Lummen”, de “Plattelandsdichter van Oost-Vlaanderen” Lut De Block (Depeuter houdt van haar poëzie), de “Bard van Berchem” Kris Verellen, “Hofdichter en Stadspeter HaHa” Holvoet-Hanssen, de Nederlandse stadsdichter Arnoud Rigter.
De stadsdichters nemen een onbegrensde uitbreiding: ca. 103 steden in Vlaanderen en Nederland hebben er een.
Heibel kroont E.P. Adolf Mennekens uit Postel tot eerste “Vlaamse Vogeldichter”.
Een andere bijzondere categorie van gelegenheidspoëten zijn de bedrijfsdichters. Piet Cosemans is de eerste “VDAB-bedrijfsdichter”. Hij werd gekozen door jurylid Rick de Leeuw, een Hollandse onverstaanbare brabbelaar. Leen Raats is de tweede VDAB-bedrijfsdichter.
Clubdichters heb je ook: Dick Rijsdijk (Rotterdam), Peter van der Linden en Kees Klok (Dordrecht), Siem Korthuis (Geluwe). En wat te denken van de “Dichter van de Tinnekensvrienden” Wim Demeyere?
Ik som nog enkele “biotoopdichters” op: Cees van Zuilen die zich ook “Huisdichter Cornelis” noemt, beekdichter Stijn Meuris en beekdichteres Lieve Joris, de Hollandse waterdichter Niels Blomberg (Zuiderzeeland), de Hollandse treindichter Mario Withoud.
Depeuter heeft gelijk: “Met duizenden overspoelen de gedichtenschrijvers het internet” de stad en het platteland. En toch denken al die stads-, plattelands- en andere dat zij onontbeerlijk zijn.
Zoals Jan Greshoff zegt: “Het huldigen van schrijvers is gemakkelijker en knusser dan het bestuderen van hun geschriften.”

Robin Hannelore tekent enkele herinneringen op aan Jan van den Weghe “die behoorde tot “de absolute elite in Vlaanderen”. Jan publiceerde zowel in “Kreatief” als in “Boulevard” (het eerste richtte ik, samen met Lionel Deflo, op in 1966; van het tweede was ik hoofdredacteur van 1970 tot 1980). Ik heb hem nooit lijfelijk ontmoet. Volgens Robin was het een boom van een vent die aardig uit de hoek kon komen (anekdote: hoe hij van uitgever Jan Berghmans ‘gewelddadig’ zijn royalty’s opeiste, die hij ook cash kreeg).
Na Van den Weghe (2 m, 100+ kilo) vervoegden ook Hubert Lampo, Armand Boni, Herman Vos, Dries Janssen, Marc Andries en Walter van den Broeck de Heibelredactie. Het werden leuke redactievergaderingen met veel drank. Postscriptum: Hannelore was “in de zevende hemel” toen jij Jans vrouw zag: “zo jong, zo mooi” en zo koket!

O ja, nu weet ik waarom Depeuter en Hannelore er de brij aan gaven in 1975: de eerste “Heibelprijs” zou worden toegekend aan Jef Geeraerts en de tweede aan Johan Anthierens! Jos Borré luidde een neomarxistische periode in en de redactie bestond nog uit “rood geïndoctrineerde ideologen”.

Depeuter herinnert de lezer aan het feit dat Margot Vanderstraeten “al drie romans” schreef! Zij kreeg lof toegezwaaid door Yves Desmet (“commanditaire lofsocialist”), Remco Campert, Ward Ruyslinck en Leo Vroman (“vergeelde knarren”).

Bart De Man “lust de Vlaamse schrijfsters rauw”. Hun taalgebruik is hem “te tuttig”. De literaire V3 moest Margot (van hierboven) laten gaan, maar algauw vonden zij een “nieuw Josje”, met name Saskia (van) de Coster. De nieuwe V3 heeft “als mascotte Paris Hilton gekozen”.

Zatte Sien Eggers schoot de hoofdvogel af toen zij aan een Bourla-tafel de “175 cm lange, beeldschone Senegalese Véronique Boubane”, die aan een belendend tafeltje te pronken zat, een paar domme, racistische uitspraken naar het hoofdje slingerde. We kennen de frustraties van velen (?): zij werken niet, zij komen profiteren, hemeltergend dat hier zoveel zwarten rondlopen… “De beste actrice ter wereld” kon in een zatte bui haar extreemrechtse sympathieën niet onderdrukken. Of zoals de moeder van Frans Depeuter placht te zeggen: “Wat er nuchter inzit, komt er zat uit.” (Lees p. 62 het stuk van Depeuter.)

Mooi en echt gebeurd verhaal van Hannelore die op zekere dag (“in september 1999 geloof ik) een brief ontving van notaris Herman Van Hemeldonck (zoon van wijlen Emiel) met de vraag of hij als moderator wilde optreden tijdens de viering van het zilveren jubileum van de Olense heemkundige kring. Het debat kreeg uiteindelijk de naam: “Olen tussen Verleden en Toekomst”, met als moderator Frank Tubex. Robin zat op 2 december mee aan de debattafel met Frans Depeuter en Walter van den Broeck.
Hannelore was helemaal niet gelukkig met het programma. “Toen moeiden de goden er zich mee.” In de supermarkt liep hij Werner van Gelder tegen het lijf die hem in snelvaart de trieste toekomst van Olen schetste: Olen was een smeerpijp, de fabriek van Olen was een radiumfabriek, Olen rot van radioactiviteit. Robin had stof te over om “als groene moraalridder” op te treden tijdens het debat. Hij kreeg echter de kans niet: Tubex had alleen belangstelling voor het schrijversbestaan van hem en zijn Heibelvrienden.
Een week later las Hannelore in de krant dat Werner van Gelder zich voor een trein had gegooid.

Staf Versweyveld (ik lees iedere keer Staf Vertwijfeld) somt dan weer de exits op: Nelly Byl, Jacqueline Moerman, Phil Bosmans, Piet Römer, Doeschka Meijsing, Wislawa Szymborska en Yvonne Verbeeck.

Dat Frans Depeuter “betinteld” (Westhoeks voor belust) zou zijn om een stuk te schrijven over de vleeswaren van Lesley-Ann Poppe lag voor de hand. Een mooie bijdrage. Ik onthoud graag: “Vanonder bloot tot aan het gat en vanboven tot aan de navel, zo liep ze daar op hoge naaldhakken te schuddegatten”. Of “wat bloot gestoei in de slagroom”. Of “Woeps, en plotseling was hij daar, die deugniet van een tepeltje. Heel even kwam hij goedendag zeggen”.
Maar zij blijft de vrouw van één man: “Mijn liefde en seks horen toe aan één man,” kakelt het melkfabriekje. Opgelet, ze is niet dwaas, hoor, Lesley-Ann: licentiate Handelswetenschappen, directrice van een Schoonheidsschool met vijfduizend leerlingen, ondervoorzitster van de Nationale Beroepsfederatie Personenzorg, voorzitster van de Belgian Blondes Federation, veelgevraagd model, mediafiguur, presentatrice, chanteuse, boekenschrijfster, het kan niet op!
En Frans is “overmand”: “Godnagantoe, al die gaven bij elkaar gepompt binnen één enkele ribbenkast, een mens zou voor minder een minderwaardigheidscomplex oplopen”.
En of ze succes heeft, Lesley-Ann. Het artiestenheir staat in de file: Warre Borgmans, Peter Dewelf, Sandro Pieri, Geert Jansen, Goeman Dirk, Glenn Parmentier, Matthew Latta, Delphine Cappelle, Benny Merckx, Hatice Mejor, Sabrina De Ruisseaux, Emilio Mees, Maïté Goddyn, enz.

Julien weet al langer dan vandaag dat ik zijn “hersentjes met appelmoes” lust.
Hij serveert deze keer 123 Wereldgedichten van Koen Stassijns en Ivo Van Strijtem. Dan moet hij naar de huisarts om een “paar tubes bloed af te tappen”. Terug thuis dient hij de gasten Het boek ik uit 1951 van Bert Schierbeek op. Tussenin vertelt hij over twee auteurs die hun leven lang gehunkerd hebben naar de Nobelprijs: Hugo Claus en Harry Mulisch. Bij het dessert geeft hij zijn visie over justitie vandaag, over rechters die in opspraak komen, over hun beoordeling-om-de-lieve-vrede, tot hij een vloek niet kan onderdrukken: “Merde!” Hij heeft het over de grote seksuele appetijt van DSK! Over normvervaging, over “meiden die hun geslachtsdelen ter beschikking stellen” om hogerop te geraken, over “de vurigste schuinsmarcheerder” uit zijn schooltijd. Bij het zoveelste pousse-cafeetje mijmert hij over zijn eerste schrijfmachine, zijn eerste pc. Inmiddels zijn de gasten het huis uit(geslopen).

Wat mij nu pas opvalt (p. 87): Heibel neemt naast kritisch nu ook creatief werk (poëzie/proza) op. Joepie! Ik mail enkele gedichten door uit mijn bundel Chaos. Ik heb met graagte het fragment uit Huize Zonneschijn gelezen.

Wie duikt daar op p. 98 op? Ferre Denis miljaar! Met “Japanse dichtvormen”. Uiteraard, hij is in Vlaanderen de “specialist”, zelf goede haikudichter en promotor van deze dichtvorm.
Als secretaris van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (geassocieerd met het Haikoe-centrum Vlaanderen, sinds 1 januari 2011) is hij ook mede-uitgever van “De Auteur”, het ledenblad.
Het moet mij van het hart dat ik als recensent/essayist vergeefs alle moeite van de wereld doe om mijn stukken gepubliceerd te zien in het blad. Ook mijn publicaties komen er niet aan bod: tweeëntwintig gedichtenbundels, zeven romans, zes essays, vier bloemlezingen gaan aan de aandacht van de redactie voorbij. Zelfs mijn goede vriend Guy van Hoof kan het tij in mijn voordeel niet doen keren!
Ja, ik weet het: ik stel mij niet tevreden met korte recensies, mijn besprekingen, zijn veeleer korte essays. De dichters/schrijvers zijn daar heel blij mee. Waarvoor doe je het anders?
Ja, ik weet het: voor een interview na een publicatie kom ik niet in aanmerking, omdat de Westhoek (Bachten de Kupe) ver af ligt van Antwerpen waar het krioelt van (betere) dichters en schrijvers.
Ik weet het: ik kom fel op tegen de discriminatie van de auteur (als gevolg van het decreet oprichting Vlaams Fonds voor de Letteren of de uitgever eerst). Zie hierboven, aan het begin van deze bespreking.
Waar zit het probleem? Schrijf het mij en misschien kan ik mij verzoenen met mijn (laag) quota. Nu blijf ik verweesd achter.
Maakt Ferre geen deel uit van “De 50 Meester-dichters van de Lage Landen bij de zee”?

Frans, ook ik heb Le Roy leren kennen in het maandblad “De Periscoop”, waarin hij van 1958 tot 1970 gedichtenbundels recenseerde. Hij was de eerste (een van de eersten?) die mijn debuutbundel Met de Teerling (1965) besprak. Later kwam ik af en toe nog eens aan de beurt. Lang geleden. Waar is de tijd?
Le Roy werd in 1939 redactiesecretaris van “Hier Dinaso!”. Ik lees nu pas dat hij deel uitmaakte van de “Trains Fantômes” naar Frankrijk en dat hij ontsnapte aan de executie in Abbéville. In mijn achtste roman (2013) vertel ik kort over die trieste gebeurtenis.
Samen met Lionel Deflo (wij woonden toen beiden in Wevelgem) werden wij beginjaren ‘60 door “Wibilinga” uitgenodigd om in zaal “Cortina” een lezing te geven. (Ik denk dat het over “Kreatief” ging.) Daar hoorden wij dat de meesten lid waren geweest van het Verdinaso. Dat is bijna vijftig jaar geleden. Amai, wat worden wij oud, Heibeliers!
Frans was goed bevriend met Pol le Roy tot hij driemaal zwaar werd ontgoocheld door Pol.
Een mooi (triest?) verhaal over boeiende vriendschap die eindigde in spijt en desillusie.
Is het een troost, Frans, als ik jou voorspel dat je een dik Heibelnummer zou kunnen vullen met verhalen over uitgedoofde en/of bruusk verbroken vriendschappen? Bovendien zijn echte vrienden maar op één hand te tellen. Liefde op het eerste gezicht bestaat, maar vriendschap kent geen begin: ze moet groeien.

Hannelore heeft het onder andere over “rare predikanten”. Zijn die zo “raar”, Robin? Is Walter van den Broeck niet geloofwaardig als hij beweert dat “het celibaat werd ingesteld om te vermijden dat er nakomelingen kwamen die met het geld van de Kerk zouden gaan lopen”? Is dat zo ongeloofwaardig? Ik heb in veel geloofd en veel niet geloofd. Merk je de subtiele nuance? Ik weet één zaak héél zeker: de Kerk is ongeloofwaardig! Wil je voorbeelden? Sla de geschiedenis erop na en lees de kranten: leugen(s), dictatuur, moord, kindermisbruik.
Misschien wil Hannelore tegen de stroom op roeien, want het aantal overtuigde kerkgangers is een nog steeds krimpende minderheid geworden ten opzichte van de kerkverlaters en vooral de niet-praktiserende katholieken.
Neen, ik wil het kromme niet langer recht praten.
Geloven is iets persoonlijks dat best kan zonder structuur, zonder kader, zonder (bege)leiding, zonder traditie en gebruiken.
Is het verwonderlijk dat het doorgeven van de kerkelijke, katholieke traditie stagneert? Al twee generaties.
De Kerk is folklore geworden.

Willy Copmans slaat nagels met koppen! Ik som ze graag op:

    Ons onderwijs slaagt er in de literatuur zo goed als helemaal uit het lesprogramma te verbannen.
    Het e-book heeft blijkbaar heel wat meer succes dan verwacht.
    De antiquarische boekhandel verdwijnt uit het straatbeeld.
    Het boekbedrijf schreeuwt moord en brand: de boekhandel verdwijnt!
    Het FVL negeert iedereen die in eigen beheer publiceert of bij een kleine “alternatieve” of niet bijzonder grote uitgeverij.
    Bij de Vlaamse Auteursvereniging kunnen zij (die van hierboven) lid worden en lidgeld betalen, maar zijn niet stemgerechtigd als zij niet voldoen aan de professionele normen van Jos Geysels, de grote democraat (professioneel = uitgeven bij een professionele uitgeverij, met ISBN-nummer opgenomen in het Boekenbank-bestand). Wie zijn boeken zelf “produceert, promoot of distribueert”, komt niet in aanmerking voor stemrecht en/of subsidie. Ook wie als auteur een aantal exemplaren afneemt tegen betaling, overtreedt volgens Geysels de regel!

Het lijkt er stilaan dat de VVL, die ouder is dan de VAV, de verzamelplaats is geworden van de “niet professionele schrijvers”, de “sukkelaars” zeg maar.
Is het niet spijtig dat Boekenbeurs en Boekhandel (zo goed als) geen aandacht (meer) besteedt aan de echte schrijvers.
Mijn mening?
Het kost mij geen moeite om toe te geven dat ik ook dit jaar niet naar de Boekenbeurs ben geweest. Ik heb er niets te zoeken. Mijn boeken zijn er in de loop van de voorbije drie decennia ook zelden te koop aangeboden. Ik behoor tot de auteurs die ofwel geen commerciële uitgeverij vonden of er geen zochten. Het Pablo Nerudafonds Brugge en Paradox Pers Antwerpen waren uitzonderingen op de regel.
Bekende Vlamingen hebben alweer met het oog op deze jaarlijkse manifestatie hun naam aan drukwerk verbonden. Ik vind deze buitenproportionele bijval van al deze loze boeken niet koosjer. Het loopt er storm voor BV’s die zogenaamd een boek hebben geschreven. Het publiek gedraagt zich alsof het staat te drommen voor “Tien om te Zien”, met veel rood aangelopen hoofden, en kiekjes schieten met multifunctionele mobieltjes.
Tussendoor zitten echte schrijvers sip voor zich uit te kijken, onbeklant en bedrukt.
Ik ben echt blij dat ik er niet moet zijn, er naartoe gaan zal ik niet (meer) doen.
De “schrijvende” BV’s weten dat er geen boek in hen schuilt, hoogstens een lintworm. Maar ze treffen geen schuld, het zijn alweer de “commerciële” uitgevers die de populaire BV’s op het idee brengen een boek te (laten) schrijven. Die uitgevers weten al lang niet meer wat kwaliteitsbewaking betekent, wel dat het een oneconomisch gegeven is. Ten slotte, het boek is banale handelswaar.

Uit interviews maak ik op dat die populaire nitwits hun eigen boek niet hebben gelezen.

Ik beken dat ik ook aan ghostwriting heb gedaan, maar het ging slechts om speeches en artikels voor geleerde politici, die geen tijd konden maken voor zaken die zij niet beheersten.

Conclusie: je kunt er als echte schrijver die geen kunstjes opvoert op de TV niet meer tegenop. En toch, mijn gevoel voor harmonie zegt dat vermeende schrijvers eigenlijk op een braderie thuishoren of op signeersessies in warenhuizen als Aldi, Lidl en Wibra.

Heibel, 17de jaargang, nummer 1, april 2012 is opnieuw wat het tijdschrift al jaren is en moet blijven: een blad dat geen blad voor de mond houdt! Ik hou ervan. Heibel en de Heibeliers houden mij wakker!

Thierry Deleu

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!