Enkel een offensieve linkerzijde kan de N-VA counteren

Enkel een offensieve linkerzijde kan de N-VA counteren

woensdag 15 september 2010 17:45

(dit artikel van Stephen Bouquin en mezelf verscheen zopas op de website www.sparood.be)

Het lijkt wel of de ‘vijf minuten politiek moed’ van Yves Leterme het hele Belgische politiek gebeuren sinds 2007 verlamd hebben. Hem lukte het niet meer, na meer dan 180 dagen (on)handige pogingen. Een kabinet kwam er pas nadat de kwestie van BHV naar een raad der wijzen was verwezen. Jean-Luc Dehaene, primus loodgieter inter pares, legde de puzzelstukken nogmaals op tafel.

Er werd verder gepraat totdat Open VLD de stekker uittrok. Nieuwe verkiezingen dus. Die kwamen er op 13 juni 2010 en gaven N-VA en PS een monsterscore. En dan begon het opnieuw. Na een korte voorronde als informateur gaf Bart De Wever de fakkel door aan Elio Di Rupo. Tijdens het zomerreces vorderden de gesprekken traag maar zeker tot de kwestie van de financieringswet terug boven water werd gehaald door de tandem CD&V en N-VA.

De wijze waarop dit gebeurde is verre van elegant maar juist daarom is het belangrijk even stil te staan bij dit gegeven. Deze wet regelt de financiële bloedsomloop van België. Inkomsten worden nog steeds voor 80% geïnd door de federale overheid (BTW, personenbelasting, bedrijfsvoorheffing). De geïnde inkomsten worden dan volgens een verdeelsleutel doorgeschoven naar enerzijds de federale entiteit en anderzijds gewesten en gemeenschappen.

Het moet gezegd worden dat de deelgebieden reeds beschikken over verschillende hefbomen inzake fiscaliteit (opcentiemen, successierechten, enz.) maar deze bieden volgens N-VA te weinig actieruimte.

Responsabilisering als alibi voor soberheid

De herziening van de financieringswet vergt tijd en is donkey-work. Maar de N-VA vreesde een toepassing van de bekende ijskast-techniek. Daarom haalde De Wever de eis boven de financieringswet te koppelen aan de herfinanciering van Brussel. Het hoofdstedelijk gewest zou de broodnodige bijkomende financiering pas na de herziening van de financieringswet krijgen.

De argumentatie opgebouwd door N-VA rond de ‘blanco cheque” diende dit te rechtvaardigen. Een compromis lag uiteindelijk op tafel waarbij een grotere ‘responsabilisering’ van deelgebieden als leiddraad voor de vernieuwde financieringswet zou dienen. Volgens N-VA en CD&V (helaas ook bijgetreden door Caroline Gennez en Frank Vandenbroucke) worden deelgebieden niet aangemoedigd hun werk goed te doen vermits ze vaste dotaties verkrijgen vanuit het federale niveau.

Vandaar de redenering ‘als ze het slecht doen krijgen ze nog steeds evenveel’. Dit is echter een misleidende voorstelling van de feiten: de jaarlijkse begroting varieert van jaar tot jaar, in functie van de inkomsten van de staat. De financieringswet is niets meer dan een verdeelsleutel voor de dotaties aan gewesten en gemeenschappen als onderdeel van de jaarlijkse begroting. Deze dotaties variëren dus evenredig met de globale begroting, afspiegeling van de globale Belgische economische situatie.

Fiscale autonomie leidt tot fiscale dumping

Waarom wantrouwen De Wever en CD&V’er Wouter Beke dermate de Franstaligen rond de herziening van de financieringswet? Omdat de financieringswet inderdaad een grendel is die een verarming van deelgebieden blokkeert. Volgens hen ontsnapt via deze weg “jaarlijks tussen 5 en 8 miljard naar Brussel en Wallonië”. Maar wat moet er dan veranderen?

Een volwaardige fiscale regionalisering impliceert dat alle belastingen (BTW, personenbelasting en bedrijfsvoorheffing) geïnd worden door deelgebieden waarna deze respectievelijke entiteiten tezamen bepalen hoeveel er nog naar de federale overheid mag vloeien. Gulheid is hier weinig waarschijnlijk. Dergelijke fiscale autonomie zet de deur open voor een ongecontroleerde verarming van de federale staat en dat kan nu niet het geval zijn gezien er eerst een overheidsschuld moet afgebouwd worden.

Last but not least zou fiscale autonomie een zeer kostelijke grap zijn. Schaalvermindering is altijd een bron van meerkost en daarom geen garantie op grotere organisatorische efficiëntie. Fiscale regionalisering gooit ons terug in de tijd van de middeleeuwen toen er tol betaald moest worden bij elke poort of oversteek. Daarom verdedigt vandaag niemand deze optie. Daarom verkiezen de liberaal-nationalisten (en met hen helaas Frank Vandenbroucke) de piste van de ‘responsabilisering’ van gewesten en gemeenschappen.

Aldus dienen de geldstromen als disciplineringsmechanisme: wordt er onvoldoende gesaneerd, onvoldoende geflexibiliseerd, onvoldoende gejaagd op werklozen, dan zal er minder geld door de kraan stromen. Responsabilisering is met andere woorden een rookgordijn waarachter soberheid en verarming schuil gaan. Het is een modieuze term waarachter een zeer 19de eeuwse visie schuil gaat: verarming als disciplineringsmechanisme… 

Dit offensief van de N-VA werd door de PS gecounterd met de invoering van het principe dat herziening geen verarming van deelgebieden tot gevolg mag hebben. Dit was voor de liberaal-nationalistische rechterzijde onaanvaardbaar maar dit kon Bart De Wever moeilijk open en bloot toegeven en daarom werd de financiering van Brussel als ‘blanco cheque’ afgedaan.

Een beeldspraak die nauw aansluit bij de idee dat het ‘rijke Vlaanderen’ het ‘bureaucratische en verkwistende’ Brussel subsidieert. Een idee dat voortbouwt op de stereotiepen van Wallonië als paradijs voor werklozen en profiteurs.

Vlaanderen is een stip op de blauwe banaan (1)

Opnieuw moet gezegd worden dat een discussie in termen van ‘transferten van Noord naar Zuid’ de linkerzijde op een verkeerd ben zet. Wie het economisch gebeuren van dichterbij bekijkt beseft maar al te goed dat de vervlechting tussen Noorden en Zuiden van het land, met Brussel middenin, zodanig groot is dat er moeilijk een economische grens kan getrokken worden.

Antwerpen is de eerste haven van Duitsland, de industrie in Vlaanderen is in eerste instantie van multinationaal én buitenlands karakter, zoniet zijn het KMO’s die de rol van toeleverancier spelen. Niet echt een teken van economische soevereiniteit. De grootste banken hebben hun zetel in Parijs, idem wat de energievoorziening betreft. Brussel weegt voor 25% van het BBP van het land.

In feite zijn InterBrew en Bekaert zowat de enige spelers van formaat die Vlaanderen rijk is. Wat telt voor ondernemingen is evenzeer geldig voor tewerkstelling. Dagelijks zijn er vanuit Vlaanderen 300.000 pendelaars naar Brussel, om maar één voorbeeld te geven. In feite is België in zijn geheel veel te klein om de economische interacties te omvatten, laat staan Vlaanderen alleen.

Winstvorming en accumulatie van kapitaal gebeurt via ‘global supply chain’ en ontvouwt zich op een territorium dat van Rotterdam tot Noord Italië strekt met tussenin het Duitse Rijngebied, Luxemburg, de Elzas én België. In de economische geografie wordt dit gebied met 85 miljoen inwoners soms wel de ‘blauwe banaan’ genoemd.

Als we het subsidiariteitsprincipe volgen – nl. het beginsel dat men (alleen) op een hoger beleidsniveau materies dient te regelen die op lagere niveaus niet te regelen zijn –  komen we in feite terecht bij een noodzakelijke (harmonisering) van de fiscaliteit op Europees vlak, te beginnen bij de eurozone. Hierover zwijgen de liberaal-nationalisten liever want zij verkiezen sociale dumping, fiscale concurrentie, kortom alles wat de huidige ratrace versnelt.

Zolang de linkerzijde de échte economische realiteit niet in rekening neemt komen we terecht in een discussie waarbij solidariteit vernauwt tot barmhartigheid. En geef nu toe, wie is daar structureel toe bereid? Dit is een politieke impasse.

Moreel-ethische principes zoals solidariteit moeten eerst en vooral in een correct kader gesplaatst worden. De geproduceerde rijkdom wordt steeds meer afgeroomd door het kapitaal, via fiscale spitstechnologie, netwerkondernemingen en de beurs. Deze zachte maar zeer indringende omwenteling is sinds dertig jaar aan de gang en draagt een naam: neoliberalisme.

Schaarse middelen in de sociale zekerheid, in de staatskas zijn in de eerste plaats het gevolg van een steeds lagere heffingsvoet op bedrijfswinsten en steeds grotere gaten in het heffingsstelsel. Het gevolg is vanzelfsprekend: inkomens uit kapitaal stegen terwijl inkomens uit arbeid daalden. Het hoogste deciel is rijker geworden terwijl de laagste drie decielen verarmen.

N-VA misbruikt de Vlaamse kwestie

Dit liberaal Vlaams nationalisme misbruikt het collectief geheugen van de 19de eeuwse culturele onderdrukking door franskiljons (dit was de Franstalige burgerij van Vlaanderen). Het principe van ‘eigen volk eerst’ vindt een weerklank in het sociaal-economisch nationalisme van de N-VA.

Het Vlaams-nationalisme is een gif dat niet alleen de werkers onderling verdeelt en de arbeidersbeweging in het defensief drukt, het verspreidt ook de idee dat alle Vlamingen gelijklopende belangen hebben, of ze nu rentenier, kruidenier, klerk of arbeider zijn.

Maar nog belangijker is in te zien dat deze ideologie vooral de boontjes van VOKA, Unizo en het VEV zal doppen. Deze hebben een duidelijke politieke agenda: België beschikt, ondanks 25 jaar neoliberale overheersing nog altijd over een sociale zekerheid, over sociale rechten (zoals een indexkoppeling) die de winstvorming structureel belemmert.

Voor het kapitaal, groot én klein, is dit ‘not good’, zeker in tijden van crisis. Er heerst immers een economische oorlog en daarom moeten sociale rechten sneuvelen: niet alleen pensioenen, ziekteverzekering, werkloosheidsuitkeringen maar ook de directe lonen en de bedrijfsvoorheffing moeten naar omlaag.

Ook de vakbeweging is een hindernis van formaat. Maar de combinatie van chantage en sociaal overleg kan misschien nog iets opleveren. Structurele verandering vergt echter ook een andere regelgeving en dan botst men op de Belgische structuren. En de PS beschikt over een machtsbasis in het zuiden die de hervorming in liberale zin van België bemoeilijkt. Zonder echt dwars te liggen zet de PS toch een rem op de sociale achteruitgang.

Tijdens de verkiezingen stelde De Wever dat het communautaire en het sociaal-economische onlosmakelijk verbonden waren: ‘het zijn geen twee dossiers maar één en hetzelfde’ zo stelde hij. De stellingenoorlog die aan de onderhandelingstafel wordt gevoerd leidt ons naar een impasse. Men kan immers moeilijk in één beweging én een staatshervorming én een draconische saneringsoperatie doorvoeren.

Een compromis in de staatshervorming impliceert geven en nemen… België uitkleden kost geld en dit wordt een heikele zaak wanneer men 25 miljard moet besparen. Het politiek spel leidt dan tot een patstelling en een verrotting: Wie geeft (meer of teveel) toe? Wie is bereid meer gezichtsverlies te lijden? Wie heeft (on)voldoende blijk van staatsmanschap? Wie is onverantwoordelijk? Wie chanteert wie?

N-VA in het defensief dringen is mogelijk

Hoe kan het liberaal Vlaams nationalisme in het defensieve gebracht worden is een vraag die velen zich stellen ter linkerzijde. Het antwoord is eenvoudiger dan men denkt: enkel een offensieve linkerzijde kan dit. Om de rechterzijde te bekampen moet je ze niet opvrijen maar van antwoord dienen. Dit is niet echt wat we tot dusver hebben gemerkt bij Caroline Gennez die altijd geneigd is vrienden te zoeken bij de tegenstrever…

Een tactiek van omhelzing/verstikking is maar nuttig wanneer de krachtsverhoudingen evenwichtig zijn en met een verhouding van 14% voor de sp.a tegenover 27% voor de N-VA is dit NIET het geval. De juiste aanpak bestaat erin kwantitatieve zwakte (stemmen) te compenseren met kwalitatieve sterkte.

Even zagen we hiervan een illustratie toen de N-VA’ers werden gewezen op wat er bij een verdere opdeling van bevoegdheden met Brussel zou moeten gebeuren. Frank Vandenbroucke heeft er eens opvallend mee gescoord in een aflevering van Phara op enkele dagen vóór de verkiezingen van 13 juni.

Danny Pieters werd genadeloos in de hoek gedrumd toen Vandenbroucke aantoonde dat het onzinnig is om de reglementering van de sociale zekerheid of het arbeidsrecht toe te vertrouwen aan de gemeenschappen (het zgn. confederalisme met twee, waar de N-VA bij zweert – de Duitse gemeenschap laten we hier gemakshalve buiten beschouwing).

Het leek of Frank de logica verdedigde om die materies naar de drie gewesten  over te hevelen (praten over drie gewesten is nog altijd een zware vloek in de kerk van de N-VA) maar zijn argumenten konden voor de aandachtige kijker alleen begrepen worden als een oproep om die materies federaal te houden.

Misschien schrok hij daar zelf van en in ieder geval was het jammer dat Phara hem er niet op wees dat zijn overtuigende waarschuwing tegen uiteenlopende, en dus concurrerende, sociale rechten voor Nederlandstalige en Franstalige collega’s binnen hetzelfde bedrijf of dezelfde dienst ook kan gezien worden als fundamentele kritiek op ideeën die hij zelf lanceerde als Vlaams minister van Werk (bijv. de jobkorting).

Deze woordenwisseling maakte duidelijk dat goede argumenteren kunnen gehoord én begrepen worden door de publieke opinie. Het betekent dat op de N-VA eis van ‘garanties’ scherp gerepliceerd moet worden met eisen rond garanties op ALLE vlakken, te beginnen daar waar de geldstromen het belangrijkst zijn: waar blijven de garanties die theoretisch gekoppeld waren aan de verlaging van patronale zekerheidsbijdragen, aan fiscale voordeeltarieven, aan overheidssubidies inzake vorming en opleiding?

Ook op het vlak van de staatshervorming an sich is een offensieve houding mogelijk en wensbaar: herfederaliseren van wetenschappelijk onderzoek (schaalvergroting!!), idem voor het milieubeleid. Daarnaast is een staatshervorming een gelegenheid om het staatsbestel te democratiseren. Welke garanties heeft de kiezer dat beloften gehouden zullen worden?

Waarom geen beperking van cumuls en mandaten? Waarom lokale, stedelijke en gemeentelijke overheden niet dichterbij de inwoners brengen? Waarom de kwestie van de openbare ruimte niet in alle duidelijkheid stellen: hoe lang gaat men de multinationale firma’s nog de gelegenheid geven nieuwe monopolies te vestigen, de openbare ruimte te koloniseren of te misbruiken (Decaux, Suez en alle lokale betonboeren).

Water, gas, elektriciteit en afvalverwerking dienen in openbare handen terecht te komen, met doorzichtig management, onder toezicht van ‘wakkere gebruikers’ en ‘kritische burgers’. We kunnen zo nog even doorgaan. Kortom, links moet de discussie ook op haar eigen terrein durven voeren.

Speeltijd is voorbij

In de fase die aangevat zal worden is het daarom hoogdringend dat sp.a en PS opnieuw aan één zeel trekken rond duidelijke sociaal-economische eisen. De impasse in de formatie-onderhandelingen kan enkele doorbroken worden indien er een duidelijk blok gevormd worden volgende 5 kapitale programmapunten:

1) een serieuze vermogensbelasting (mobiliseer de technici voor een opbrengst van minstens 5 miljard euro), dat is pas een eerbare ‘responsabilisering’!

2) afschaffing notionele intrestaftrek (onmiddellijk: minstens 4 miljard euro)

3) harde aanpak van fiscale fraude (opbrengst: 10 à 20 miljard euro volgens studiedienst ABVV en ULB proffen)

4) een levensvatbare herfinanciering van de sociale zekerheid op federaal niveau

5) kwalitatieve jobs voor de 650.000 Belgische werklozen (èn voor de honderdduizenden die het met een onderbetaalde rotjob moeten stellen)

Taal is van secundair belang

Natuurlijk is er nog de taalkwestie met residu’s van cultuurimperialisme langs Franstalige zijde in de Brusselse rand en etnisch-xenofobe tegenreactie in de omliggende gordel-gemeenten. Willen we echter samenleven, zelfs apart, of onze kinderen op oorlogsvoet met elkaar laten omgaan? Het is geen evident standpunt maar ons inziens lijkt de algemene eis (sinds meer dan zestig jaar gedeeld door alle Vlaamse partijen en ook vele linkse Nederlandstaligen in Vlaams-Brabant) van een onverfranste ‘gordel’ rond Brussel steeds meer onhoudbaar.

Is dit überhaupt te rijmen met de natuurlijke ontwikkeling van een (potentiële) wereldstad die overwegend Franstalig zoniet internationaal (Engelstalig) is?

Op dit spanningsveld zijn er maar twee opties : oftewel hebben de inwoners van de faciliteitengemeenten het democratisch recht hun aanhechting bij Brussel te bekomen mits een ruime 2/3 meerderheid oftewel worden taalminderheden, welke ook de taal weze, erkend. Dit impliceert dat taal geen beleidscriterium  kan zijn voor het afbakenen van beleidsdomeinen.

Via dwang verkrijgen we niets behalve agressie en afkeer. Is dat echt wat men beoogt met de vernederlandsing van de randgemeenten… Pas wanneer er wederzijds respect is, kan men met enige hoop op succes overgaan tot het stimuleren van meertaligheid. Niet enkel in de rand maar ook in Brussel en in Wallonië.

Sommige knelpuntberoepen (vnl. door slechte arbeidsomstandigheden en lage verloning) zouden overigens sneller ingevuld worden via een federale ‘landelijke’ aanpak van de arbeidsmarkt. Twee- en drietaligheid is een plus in een diensteneconomie, zowel voor laag als hooggeschoolden.

Kortom, wij zijn er rotsvast van overtuigd dat een offensieve linkerzijde zal scoren. Zowel onder de publieke opinie als aan de onderhandelingstafel. Eenvoudigweg omdat ze rationeler, humaner en socialer is.

Een noodzakelijke voorwaarde is wel dat de boegbeelden van de sp.a en Caroline Gennez in het bijzonder niet langer schrik hebben van hun eigen schaduw en een duidelijke koers varen die door iedereen gevolgd kan worden. Of is dit teveel gevraagd van een partijleiding?

(1) http://nl.wikipedia.org/wiki/Blauwe_Banaan

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!