De wereld van saffier – Fietsenkliniek en kegelvormige huizen

De wereld van saffier – Fietsenkliniek en kegelvormige huizen

dinsdag 3 december 2013 17:24

Saffier en Bert-Bertha haastten zich naar school. In de klas van Saffier zat een Afghaans meisje. Als niet begeleide minderjarige in België aangekomen legde ze zich intensief toe op de taalstudie, haar favoriete knobbel. Dat talent hielp er haar wandelend door. Lezen en schrijven gingen met de rotvaart van een sneltrein. Momentum om zich in te schrijven in de middelbare school. Het juiste accent te pakken krijgen liep minder vlot. Iedereen sprak met een ander accent en dat bracht haar in verwarring.

‘Meerdere klasgenoten komen uit verschillende dorpen,’ verklaarde Saffier.

‘Hoezo? Jullie spreken toch allemaal dezelfde taal?’

‘Jawel, maar het is toch anders,’ maakte ze er zich van af, met de stilzwijgende intentie haar later wat meer wegwijs te maken in het taalkluwen van de streek.

Met vijf klasgenoten ging de Afghaanse een weddingschap aan dat ze na driehonderdvijfenzestig dagen zo goed de taal onder de knie had als zij allemaal samen. Het duurde geen jaar.

Saffier zag in haar een evenknie, ze voelde zich uitgedaagd.

‘Wat betekent: tuinklinkerwerken en elastische voegingwerken,’ vroeg de Afghaanse haar.

‘Hoe kom je erbij?’

‘Tijdens de fietstocht naar school opgescharreld op de wanden van vracht- en bestelwagens.’

Terug naar huis lette Saffier met bijzondere aandacht op voorbijrijdende bedrijfsvoertuigen. Dat het haar niet eerder opgevallen was. ‘Daarvoor moet je eigenlijk van heel ver komen zoals de Afghaanse,’ dacht ze, terwijl ze las: ‘Fietsenkliniek, Naven, Balhoofd, Trapas,’  ‘Lattenbodemfabrikant en Matrassengigant,’ ‘Verzinkingwerken, Gestabiliseerd Zand en Mager Beton’.

Sindsdien viel het haar op hoe voertuigcarrosserieën de gekste opschriften transporteerden.

‘s Anderendaags troonde lerares kunstgeschiedenis de klas mee naar Brussel. Doorheen het venster van het treinstel zag Saffier een uitgestrekte kwekerij verlepte gele rozen voorbij dansen. Schuin tegenover haar at een man een beetje aan zijn pink.

‘Een niet te missen retrospectieve van de Italiaanse schilder Giorgio Morandi, de stillevens en landschappen van de meester zijn uniek,’ had de lerares de studenten warm gemaakt.

Een van hen had last met de eenvoudige kubus-, trapezium-, en kegelvormige huizen, die niet uitnodigden om er binnen te stappen en iets warm te drinken. Hij drentelde rond en keek overal behalve naar de schilderijen. Hij zag mannen, de handen op de rug in elkaar gelegd, aandachtig naar de kaders op de muur priemen.

‘Ik weet dat het een moeilijke schilder is, maar probeer je toch maar te laten inpakken door de sfeer die de kunstenaar oproept,’ drong de lerares aan.

‘Moeilijk? Zoiets kan ik ook.’

‘Wat dan wel?’

‘Dat.’

‘Juist, wat je voor je ziet. Maar voor schilder Morandi was er ‘dat’ niet. Hij had een kaal doek, hij heeft ‘dat’ zelf vanuit zijn weemoed moeten creëren, met zoveel meesterschap, originaliteit en eenvoud dat jij je nu sterk maakt: dat kan ik ook.’

‘Het is zielloos, het zijn lege dozen.’

‘Het doet je wat, je zet je ertegen af.’

‘Gaat het over mij of over die Italiaanse borstelaar?’

‘Over allebei toch?’

‘Zo hebt u altijd gelijk, mevrouw.’

Saffier had het gesprek met een oor kunnen volgen, terwijl ze aandachtig een koffiekan in het oog hield.

Ze klampte de medestudent aan.

‘Je zult er moeten mee leven. Had jij een identieke koffiekan vervaardigd, met hetzelfde kleurenpalet, als dat al mogelijk is, zou een neef van jou er misschien tien euro voor geven om je aan te moedigen. Maar dit hier krijg je pakweg voor vijftienduizend euro niet in handen. Wat ik aan de kunstwereld ergerlijk vind is dat een schilderwerkje op een zolder jarenlang stof vergaart omdat niemand er tien euro wil voor geven en de bewoner van het huis de moed niet heeft om naar boven te klauteren en het bij het huisvuil te zetten. Maar plots blijkt het tafereel van de hand van een zestiende-eeuwse meester te zijn en wordt ditzelfde doek, geen penseelstreepje minder of meer, op magische wijze plots honderdduizend euro waard, alleen om de naam, niet om het werk in zich. Die verderfelijke commerciële geur, begrijp je. Te vergelijken met mijn slip, die niks waard is en daarnaast dezelfde slip, zelfde model, stof en snit, van dezelfde reeks en fabrikant die vijfduizend euro waard is omdat Marilyn Monroe het bevuild heeft. Het mijne is een gebruiksvoorwerp, het hare een kunstwerk, want, als je goed toekijkt, tekent het de contouren van haar billen af.

De medestudent keek haar een ogenblik verbluft aan, maar wou toch het laatste woord hebben.

‘Je lijkt wel jaloers te zijn op Marilyn. Vijfduizend is wat veel. Maar als je mij je slip laat zien, wil ik wel een prijsje bedingen.’

‘Je kan mij de rug op.’  

Lerares kunstgeschiedenis ving flarden van het gekibbel op.

‘Saffier!  Een schilderij staat niet op zichzelf, je kunt het niet losmaken van de samenleving waar het ontstaan is en zeker niet los van de tijdsperiode waarin het werd geschilderd. Neen, het gaat niet enkel over de inhoud, het thema, maar ook over het tijdvak en het stukje aarde waar het ontstond. Er ligt een afgrond tussen een doek gewrocht door een pionier en eentje dat achteraf nagebootst werd of zodanig gekopieerd dat het elke originele waarde verliest. Neem nu een Pieter Brueghel. Waar haalde die man het vandaan om in die tijd, toen mensen vrachten op planken en vier houten wielen door de modder sleurden, zo een kosmos op doek te herscheppen? Wie deed het hem voor? En Picasso? Het is waar, na hem zijn tientallen artiesten dezelfde technieken zoals het kubisme gaan gebruiken in navolging van de meester. Misschien betere, kan goed zijn. Maar hij was de inspirator. In zijn brein sprong een vonk op: eureka! Hij verschoof de geschiedenis een beetje verderop, hij luidde een nieuwe periode in. Anderen bouwden erop voort en verzetten op hun beurt enkele mijlpalen. Er is maar één Antoon van Dyck in de hele mensengeschiedenis, ik bedoel een enkele man die in dat stadium van de menselijke evolutie op die plaats de tot dan toe ongekende dingen voortbracht, die wij  nu bewonderen.’

Ze stonden te wachten op het perron voor de terugreis. Tussen de met roest bedekte kiezelstenen en dwarsliggers van de spoorbedding groeide een heester, door metaalstof zwartgeblakerd en morsdood. Verrast merkte Saffier op de toppen levende donzige zaadlobben.
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!