De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Welzijn en Geluk

DE HYBRIDE MARKT VAN WELZIJN EN GELUK

woensdag 13 april 2022 10:43
Spread the love

[FOCUS KEYPHRASE: THUISWERK, ONDERMEER]

In november 2021 bracht JobAt de publicatie ‘Baanbrekende Werkgever 22’ uit. Bedrijven en organisaties met naam en faam hadden op dit initiatief ingetekend en met succes een certificatietraject afgelegd waarin ze ‘slimmer, groener en minder onderweg’ koppelden aan ‘mensgericht hybride werken.’
Oplossingen zoeken voor het immense mobiliteitsprobleem is urgent. Daarover geen [kwaad] woord in deze bijdrage. ‘Baan-brekend’ vind ik goed gevonden.
Mijn kritische aandacht richt zich op de verheiligde aandacht voor welzijn op het werk. Dit voorbehoud gun ik mezelf bepaald langer dan november 2021. Dertig jaar geleden kreeg ik eindverantwoordelijkheid toebedeeld in een voorziening die zich engageerde voor jongeren met een meer dan gewoon problematische opvoedingssituatie. Al in mijn maidenspeech kon ik het niet laten een stevig pleidooi te houden voor de sociale voorziening als ‘onderneming’, als ‘bedrijf.’
‘Zachte sector’ en geitenwollen sokken waren mijn wereld niet, nog minder die van de jongeren die de bijzondere jeugdzorg ons toevertrouwde. Als we de ‘sociale sector’ bedrijfseconomisch ooit ernstig wilden laten nemen, betoogde ik, mochten we best onze eigenwaarde prononceren. Dat we flink onderbetaald werden hadden we onder meer te danken aan een mentaliteit waarin sociale werkers verklaarden hun lage loon te compenseren door vage waarden als persoonlijk geluk, inzet voor de medemens, charitativiteit. ‘De evenmin overbetaalde onderhoudstechnicus in een garage is niet zo met zelfrealisatie bezig’ hield ik voor. Mentaal en fysiek welzijn hoorden voor mij thuis in wat toen ‘vrije tijd’ heette. Werk mocht best ‘onvrije tijd’ zijn. Mijn leidinggevende lat lag behoorlijk hoog. Omdat jongeren die kampten met uitwassen van deprivatie en agressie het zonder toegevoegde inspanningen nooit zouden halen, had ik de reputatie van veel eisende figuur [in consequentie ook voor mezelf]. Toch mocht ik bijzonder veel werkvreugde, collegialiteit, vriendschap ervaren. Ook persoonlijk. Aliënerende arbeid en zeker uitbuiting heb ik altijd met kracht bestreden maar al het onvrije in het palet beroepen waar ik me doorheen schilderde heeft mijn geluk nooit in de weg gestaan. Integendeel. In combinatie met de maatschappelijke dienst die we bewezen en mijn plichtbesef kon ik me geen betere therapie bedenken dan calvinistisch stachanovisme. Trachten me nuttig te maken heeft mezelf en anderen veel existentiële narigheid en dwaasheid bespaard. In al hun complexiteit waren de doelen en processen van onze professionele activiteit doorgaans veel eenvoudiger dan in het dagelijkse samenleven thuis, als geliefden met jonge en vervolgens oudere kinderen. Privé en werk vormden twee onderscheiden en toch met elkaar verweven leefwerelden. Zo bleef het overzichtelijk. Een reden om dat in één grote beleving te gieten zag ik niet. Evenmin een reden om in één van beide te vluchten of ervoor op de vlucht te gaan. Een nuchter mens heeft nu eenmaal verantwoordelijkheden op te nemen.
Hoewel mijn piepjonge ik in zijn vertoog met een veel te hoge borst orakelde, heeft zijn zienswijze zich met de jaren niet wezenlijk op meer inschikkelijke wijze aan de nieuwe en betere tijden geconformeerd. Uitgerekend ik moet anno 2022 de opmars van de geitenwollen sokken in het bedrijfsleven meemaken.

Leuk
Het zal beslist aan mijn vrienden en aan mezelf gelegen zijn dat werkgevers in onze jonge jaren nooit om ons gevochten hebben. Om me heen zag ik minstens even veel veel ambitie, inzet, competentie als vandaag maar de war on talent moest nog uitgevonden worden. Behalve dan voor de geleerden uit Nazi-Duitsland. Naar hen was – nog tijdens hun eigen war – gehengeld. Met belofte op promotie. Voor new big ones, koude oorlog en de maan waren rechtlijnige brains nodig zonder scrupule. Volkerenmoord maakte geen deel uit van ons pacifistisch model. Wij, middenmoters aller landen, puzzelden aan een wereld van vriendschap en hadden ondertussen onze plaats onderaan de ladder van de arbeidsmarkt te kennen. We waren onmiddellijk vervangbaar.
Vandaag tovert de hoge hoed gedoctoreerde high potentials die men geleerd heeft dat ze hun unieke talenten op onderkoelde wijze duur mogen verkopen. Werkgevers mogen zich gelukkig prijzen spreken dergelijke vedette een tijdlang onder dak te kunnen houden. Die kan immers ieder ogenblik jobhoppen, het KMO-schip verlaten voor een rode internationale loper met onbeperkte voorwaarden. In welke kramp schiet de werkgever? Die gaat pleasen en pamperen. Het zich snel veralgemenende klimaat van support en work-life balance, weet je wel. De publicatie ‘Baanbrekende Werkgever 22’ past perfect in deze cultuur. Toen ik de artikels doornam had ik net als bij een ruim aantal hedendaagse websites aan te kijken tegen om ter breedst lachende gezichten met een orthodontisch duur bijgestuurd gebit. Werknemers en werkgevers straalden van opzichtig geluk. Zelfs de hond van een op haar bed thuiswerkend meisje schaterde.
Toegegeven, meermaals slaat mijn geheugen de verkeerde indrukken op. Zo bijvoorbeeld de toelichting van een bevriende fotograaf die beelden schoot voor een overheid en me vertelde dat ze énkel lachende burgers mócht fotograferen. Dit in de marge.
Het bedrijf profileert zich als welnesscentrum met klimtouwen, een fitnesszaal en – gekopieerd van Amerikaanse advocatenreeksen – een basketring of golfbaan. Volgens de oudnieuwe managementopleidingen van de dag zou de inschikkelijk-stimulerende werkgever de sleutel in handen hebben tot ‘een boost van productiviteit.’
Die boost wil ik nog zien. Op langere termijn. In mijn vooroordeel spoort pamperen nergens heen, levert het niets op. Niets of slechts tijdelijk. Snelle extinctie loert. De high potentials moeten nog veertig, én vijftig worden. Mét kinderen.

Fair trade
Mijn hele professionele bestaan heb ik mogen genieten van individuele medewerkers die een absolute meerwaarde boden. Bij evidentie wisten ze waarvoor ze stonden en werkten ze zich uit de naad. Men kon er altijd op rekenen, zeker in hoogste nood. Rotsen die nooit klaagden en enkel ziek waren als ze ziek waren. De ideale thuiswerkers, kortom. Deze medewerkers – ze zijn misschien een beetje gek – acht ik van alle tijden. De index zal niet de minste invloed hebben op hun prestatie.
Sinds geruime tijd evenwel weiger ik de meerwaarde van een dienst enkel te blijven aflezen van wat de uitmuntende krachten bieden en zullen blijven bieden, wel van de totale personeelsinzet. Met onderkenning en ontmoediging van wie parasiteert. Helaas heb ik meer dan me lief is moeten ervaren dat de modelleerlingen eerder uitzondering zijn dan regel. Tijdens mijn decennia van ijver kon ik me alle kleuren van het politieke halfrond ergeren aan de mensensoort die er met weinig scrupule in slaagde de afspraken volledig naar eigen hand te zetten. Overigens ook op stuitende wijze in de harde realiteit van de vaste afwezigen in het burger-exemplarische parlement. De parlementaire wedde in bijberoep.
Gezien een immens intellectueel taboe heerst op generaliseren, leg ik me neer bij mijn feiten. Het betrof geen kleine vaste minderheid die ik bijzonder handig zag omgaan met bijvoorbeeld ziekteverzuim en die er altijd wel een slimme reden voor wist te verzinnen. Sommigen spaarden zich dan weer rijk aan zelf toegekende overuren en regelden er hun vakanties naar. Beslist kenden ook zij pieken van hoogste ijver. In het zicht van de camera van de patron. Hun uiterst tijdelijke boost diende ego-waarde, profilering, eigen ambities en loopbaan. Allerminst zag ik er dienende, solidaire beroepsernst in.
Kwaliteitssystemen en dito handboeken waren goed bedoeld om die totale personeelsinzet maximaal te doen effectueren. Ze hielden een meer rationele, cerebraal-technische benadering in die de werkzaamheidsgraad niet langer afhankelijk zou maken van een despotische, achterdochtige leidinggevende met een zweep.
Een scherper omschreven missie, af te vinken codes, streefdoelen, criteria, concrete realisatie, meting en systematische evaluatiegesprekken zouden in de theorie van de managementgoeroe’s de arbeidslast beter verdelen en de globale prestatie naar een hoger peil brengen.
Mijn observatie van toch een paar praktijken doet me mijn grove boutade herhalen dat de kwaliteit en productiviteit afgenomen zijn naarmate de handboeken dikker. De proformalisten vinden er hun gading in. Ze vinken graag af en rapporteren uitvoerig, wat maakt dat ze ‘op de werkvloer’ nog een poot minder uitsteken. Veel werkbijen vinden het tijdverlies of verdwalen erin.
Vooral de mens-mens dienstverlening blijft erop achteruitgaan. Terwijl die ‘human touch’ er volgens het boekje en de website tandenwit lachend op vooruitgaat, ook in bijvoorbeeld de woon- en zorgcentra of ziekenhuizen waar de steriele omgang en de besparing hoogtij vieren. De toegevoegde waarde die het kwaliteitssysteem belooft is zelfbedrog als de eeuwige individuele uitslovers blijven opdraaien voor de onderprestatie van hun collega’s.
Men pathetische zin voor nostalgie mis ik een mij vertrouwde collectieve verantwoordelijkheid, een overstijgend en verbindend ethisch bewustzijn. Sinds iedere medewerker aangemoedigd wordt haar of zijn eigen idool te zijn, is de gerichtheid op een gezamenlijk engagement nog meer zoek. 

De grenzen van geluk
‘Wie vertrouwen zaait zal vertrouwen oogsten.’ Johannes zou het van zijn jonggestorven vriend Jezus kunnen opgetekend hebben. Mezelf veroorloof ik me bij deze nobele vooropstelling de voetnoot die de werkgever enige speling laat voor een dosis gezond wantrouwen. De onderzoeksvraag in welke mate flink gepamperde medewerkers – aangestoken door bijkomende pampers – zich in hun diepste verantwoordelijkheidsgevoel aangesproken weten om het beste van zichzelf te geven voor hun medemens. In hoeverre extrinsieke tools, motivatiesysystemen of keukenmiddelen in staat zijn het gemis aan intrinsieke werkkracht op te krikken. ‘Hoe zou het vandaag nog met de FOD Sociale Zekerheid gesteld zijn?’ vraag ik me dan af. Zou het model Van Massenhove er vandaag nog alive and kicking zijn? Overheidsmanager Frank mocht destijds breed uitpakken als baanbreker avant la lettre. Kreeg ik na zijn pensioen over ‘zijn’ ex-dienst toch ook niet beoordelingen te lezen als ‘ontoegankelijk’, ‘onverantwoord traag’, ‘ellenlange wachttijden’? Frank zal er geen boterham minder om eten. Vandaag is hij een veelgevraagd spreker. Veelgevraagde sprekers hebben hun prijs. Overigens geen kwaad woord over Frank. Het is me geenszins om de persoon te doen. Ik stel me voor dat hij gewoon een uitstekende manager geweest is. Een inventieve en begeesterende centrale figuur. Mij intrigeert vooral in hoeverre zijn incentive autonoom verder bezield blijft nà zijn vertrek. Een voetbal- of basketploeg van bijzonder grote ego’s zonder inspirerende, charismatische coach loopt voor geen meter. Die coach hoeft bovendien niet met de duimen omhoog achter of naast de ego’s te lopen als een zorgkundige opkikker. Er is niets mis met het stellen van eisen, het prononceren van verwachtingen. De zielen zijn vandaag wel bijzonder snel gekrenkt, vind ik, de tenen lang.
Grootvaderlijk predik ik graag dat positieve bekrachtiging eindig is, dat na de uitvinding van de vaatwas mensen ruziën over wie de vaatwas moet leegmaken. Mensen maken zorgvuldig elkaars rekening. In hoge mate ook voor een thema als ‘zij of hij geniet meer voordelen op het werk dan ik.’
‘Ga met zo iemand naar de oorlog’ was een uitdrukking die mijn jonge jaren familiaal kleurde.
‘Verworven rechten’ is zowat het moeilijkste om te keren. De ministers van ambtenarenzaken, onderwijs, financiën en gezondheid zouden er kunnen van meespreken als ze zich daaraan zouden durven wagen. Net als bij symptomen van verwenning lijkt het in sommige werkkringen nooit genoeg, is men de schaamte voorbij. Zal ik het volgens de verplichting van vandaag positief formuleren? Grote waardering van mijn burgerkant voor de ambtenaar die zich graag door zijn bezorgde en zorgzame chef na 17.00u laat emailen of telefoneren en er met plezier gevolg aan geeft, voor alle geconventioneerde artsen[-specialisten], voor alle leerkrachten die kost wat kost in tijden van gemakkelijke quarantaine terug naar hun klas wilden, voor de bankiers die zich tot hun riante wedde beperken en hun bonus investeren in duurzame projecten. Meer dan vijftien jaar noem ik me een diepgevroren minnaar van het vandaag hooggeprezen thuiswerk. Vergeefs tracht men me de extra-ijver die het oplevert aan te praten. Ik heb er geen oren naar. Verder dan grote sympathie voor flexibele werktijden – op het werk, welteverstaan – kom ik niet. Vijf dagen in vier dagen werken. Als het voor de dienst praktisch te organiseren is, is er in mijn hoofd iets voor te zeggen. Waarom die ruimte niet bieden aan al wie graag harder en langer werkt om zichzelf en haar/zijn geliefden met een extra vrije dag te belonen?
Als burger houd ik met therapeutische hardnekkigheid de illusie in stand dat ik mee verantwoordelijkheid blijft dragen voor de samenleving waarvan ik deel mag uitmaken. Anders dan veel anderen en jongeren stel ik een correlatie vast tussen het afbouwen van de gezonde taakspanning tussen werknemer en werkgever en de ontstellende toename van het aantal burn outs [op jonge leeftijd] en van het absenteïsme. Andere en betere cijferaars met een eigen belang zullen – mee afhankelijk van de lengte van hun tenen – mijn veronderstelling of stelling furieus tegenspreken.

Van koning tot bastaard
Laat ik vervolgens subjectief nagaan in welke mate bij de verhoogde arbeidsvreugde door vrijheid, verrantwoordelijkheid en zelforganisatie de – bij woord meer dan ooit op de troon geplaatste – klant beter bedient. ‘Klant’, individueel en als containerbegrip. Als betalende individuele klant van een toenemend aantal dienstverleners en organisaties – ook adobe, youtube vragen straks dwingend geld voor wie nog van hun diensten gebruik wil maken – heb ik me nooit eerder zo aan mijn lot overgelaten geweten als de voorbije jaren. Moet ik het enkel associëren met ‘ouder worden’ dat ik het bijzonder onaangenaam vind doorheen nutteloze FAQ’s te moeten scrollen en te moeten chatten met een tot hoogste vriendelijkheid geprogrammeerde robot die me nog nooit maar dan ook nooit een antwoord gegeven heeft op een van mijn vragen?
Organisaties, diensten, bedrijven, overheidsinstellingen zijn quasi onbereikbaar geworden. De wallen van hun burchten hebben zich verdikt en verstevigd. Men komt er niet meer in. Nog even en ook de telefoon wordt, na het emailadres, geschrapt. Die lastige klanten, ook. De medewerkers eisten en kregen hun ideaal klimaat met hun evident geachte concurrentieel-noodzakelijke voordelen [van fietsvergoeding tot treinabonnement eerste klasse tot groepsverzekering]. Uit oogpunt van de gezond kritische klant zouden grote ondernemingen best nog een premie toevoegen voor medewerkers die de goedheid betonen of erin slagen om hun subspecialisatie te overstijgen en in gesprek te gaan met een gewaardeerde collega van een andere subspecialisatie.
Wat valt op? Voor zover niet iedereen [samen met de vrolijk kwispelende hond en de joelende kinderen] thuis werkt, praten diensten niet meer met elkaar. De klantendienst heeft geen weet van wat de boekhouding aan boodschappen naar de klant uitstuurt of wat de informaticus nu weer als extra toegevoegd heeft aan het programma. De boekhouders kunnen op hun beurt ook niet weten hoe het met de onderaannemers gesteld is. ‘We kunnen ook niet àlles volgen, mevrouw. Zo blijven we wel bezig.’Bij een vraag van de klant maakt het informaticaprogramma voor de klantendienst mechanisch een ‘ticket’ aan. O wee als de inhoud van dit ticket transversaal is, meerdere diensten tegelijk aanspreekt. Het is te veel ineens voor de smal geprogrammeerde ticketbeheerder. In de meest wraakroepende situatie krijgt de klant binnen de vijf minuten het ticket blanco als ‘afgehandeld’ terug en moet de klant haar of zijn vraag opnieuw stellen, in mootjes gehakt zodat het behapbaar wordt voor de onderscheiden specialisaties van de dienst of onderneming. ‘Afstand’ geeft ruis en is bijzonder sfeerbepalend. Afstand tussen medewerkers, diensten, bedrijf en klant. Nog even en men kent de collega enkel nog van het scherm, van de foto bij het zwarte piet ticket dat men intern van de kast naar de muur stuurt. De klant wordt op die manier nog een graad anoniemer of abstracter dan de medewerker. Voorgestructureerde schermcontacten, ICT-programma’s, automatisering, effectiviteit en efficiëntie die, ontdaan van iedere humane correctie [het mag beslist zelfs een goedbedoelde fout zijn], meer dan ons lief is in de soep doen draaien. Als we het ooit over gealiëneerde arbeid hadden: hier naderen we de kern of maken we de cirkel rond.
Het geheel mist verbindingsfiguren met enige bereidwillige autoriteit. Managers genoeg. In overtal. Vergeef me het cliché, maar wat die, buiten zichzelf, managen, is de vragende buitenstaander niet duidelijk. Iedereen lijkt maar wat naar best vermogen en eigen inzicht te doen. De vragen van de klant vinden geen plek meer waar de specifieke vraag samenkomt. Jullie schrijver beschikt over een flinke stapel documenten van zeer diverse bedrijven en dienstverleners die mijn luidruchtige getuigen zijn van subspecialiteiten die elkaar vloeiend doorkruisen en tegenspreken als gevolg van een totaal gebrek aan iets als centraliserend gezond verstand met generalistische kijk.
Tot zelfs in de ter zake zo gehekelde ambtenarij heeft mijn generatie nog de verlossende menselijke stem aan de andere kant van de telefoon mogen meemaken die ons liet weten ‘oei, hier is duidelijk iets fout gelopen. Dat ga ik voor jou uitzoeken. Ik bel je terug. Dat kan even duren.’ Zonder een phonetime manager of konsoorten die met de chronometer het aantal seconden van het gesprek op het tablet [een scherm] intikt met oog op negatieve evaluatie.
Tot en met bij maatschappijen die voor hun economisch overleven volledig afhankelijk zijn van de betalingen van hun klanten, is men diezelfde klanten gaan behandelen als werktuiglijke betalers. Via de zo sterk gepromote domiciliëring [‘gewoon aanklikken’ en ‘zoveel eenvoudiger’] verhoogt men eenzijdig kosten en tarieven alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. De klant krijgt niet de vraag of dit in orde of haalbaar is. De klant krijgt amper toelichting en al zeker geen verantwoording. We moeten het stellen met ‘algemene voorwaarden’ die externe bureaus en advocatenkantoren rijk gemaakt hebben en die vooral niet in het voordeel van de klant geconstrueerd zijn. Wie om hoogst gerechtvaardigde redenen het rechtlijnige boekhoudprogramma uitdaagt, krijgt een voorgeprogrammeerde dreigbrief wegens wanbetaling toegespuwd, in een stijl die niet te harden is. Verzekeringsmaatschappijen die zichzelf model vinden staan voor transparantie doen moeilijk over een beleefde vraag tot tussenkomst voor een waterschade maar bestellen met het geld van dezelfde klant ongevraagd billboards in het hele land voor eender wat. Terwijl de banken hun service afbouwen, hogere kosten aanrekenen en de rente op spaargeld nogmaals verlagen, vertrouwen ze – ook Triodos – hun prestigebouwsels aan de duurste architectenbureaus toe. ‘Het mag iets zijn’. Ook de automatisch gestuurde ‘uiterst belangrijke’ klanttevredenheid is snel gemeten. Een score van 1 tot 10 en nog een vakje met beperkt aantal letters voor enige toelichting. Niemand binnen het bedrijf die er aandacht aan besteedt. Voer voor de digitale prullenbak. Volautomatisch van de band in de digitale versnipperaar gerold door de quality manager.

Tegennatuurlijke selectie
Bepaald onrustwekkend vind ik dat de hybride werkcultuur de polarisaties en, erger, de klassentegenstellingen vergroot. ‘Vrijheid’ om zelf – graag bovengemiddeld verloonde – eigen arbeid in te vullen en te evalueren of af te lezen van ‘een’ resultaat durf ik als nieuw statussymbool voorhouden. Voor een jonge, hoogopgeleide en [dus] beslissende klasse is het ondertussen verworven. Aan het andere halfrond moet ik de eerste thuiswerkende dakwerker, vrachtwagenchauffeur of trambestuurder nog tegenkomen. Daarbij staan me in de eerste plaats onze uitvoerende medeburgers voor ogen. Iets minder de zelfstandigen die de keuze gemaakt hebben zeker niet voor een baas te werken en prestaties verrichten voor eigen rekening en ruimte. Blijft dat nul handenarbeid of uitvoering van de opdracht nul resultaat oplevert. Zeker geen meetbaar resultaat. De tram rijdt in Vlaanderen alsnog niet zonder bestuurder. Bij de uitvoering en uitvoerder van de karwei of de opdracht zijn aanwezigheid, op de afspraak zijn, op tijd komen ten zeerste vereist. Tegen beter weten in blijven sommige, graag thuiswerkende, leerkrachten onderwijs op afstand verdedigen. Misschien ook omdat in de school zelf de lessen om 8.30u aanvangen, niet glijdend ergens tussen 9.45u en 11.30u, en voorafgaandelijk ook nog speelplaatsbewaking nodig is. Dat zullen diezelfde leerkrachten niet dulden van de garagist als hun wagen in panne staat. Zo kan ik het pijnigende praktijkvoorbeelden laten hagelen. Men kan ze als ‘licht’ en ‘voor de hand liggend’ afdoen.
In politieke duidingslectuur en-programma’s valt met toenemende regelmaat het woord ‘ongenoegen’. Het begrip is zo vaag als het breed is. Toch zou men opeenvolgende regeringen en het voltallige politieke bestel hierop afrekenen. De beeldvorming door de media kleurt dit verder in. Betogers vormen de geminimaliseerde massa ‘tegens’. Deze massa van toonbeeldige uitvoerders, kwantitatief en kwalitatief strak bewaakte werkers en zichtbare productieven krijgen we voornamelijk als grimmig en ondergedocumenteerd in beeld gebracht, als Anti. De wereld van vandaag hoort aan de Pro’s, de gelukkigen, de brede lach. De anti’s weten zich onbegrepen en krijgen in de pro-samenleving voortdurend de bevestiging dat degenen die niet aan tijd en aanwezigheid gebonden zijn hen in de verste verte niet begrijpen. Vooral niet willen begrijpen. Het jeugdige optimisme, de positieve mentaliteit die alle fors betaalde, zelfbepalende thuis- en afstandswerkers belichamen zou wel eens als een gepolariseerde lap kunnen werken op de ruime groep die men dezelfde privileges ‘onmogelijk’ kan gunnen. Een misschien wel gewilde kloof tussen burger en burger die zich doorzet in de kloof burger-beleid.

De staat van de staat
Voorbij mijn nutteloos kankeren [een kwestie van uitwisselbare perceptie] over randfenomenen als structurele armoede, duale samenleving en schaamteloos getolereerde verrijking, blijf ik onze overheidsfinanciën de populaire kwantificeringen ‘code rood’ of ‘alarmfase 4’ toekennen. Minder nog de begroting waarover zoveel politiek gebakkelei is dan de jaarrekening en de balans. Mijnheer De Croo deelt mijn bezorgdheid als de oppositie bij hem de energiefactuur ‘van de gewone vrouw of man’ [al of niet in de straat] aankaart. Dan toch: voor onze huidige eerste minister zijn de overheidsfinanciën geen vodje papier. Zijn inhoudelijke repliek siert hem meer dan het wel erg doorzichtige aalmoes dat zijn regeringen vervolgens hun bevolking – die van vaag tot grommend ongenoegen – te bieden hebben. Maar zijn stem klinkt uitermate iel midden het opzichtige decor van een natie – naast meerdere andere naties van het oude continent – in faling. Het heeft er meer dan alle schijn van dat we met z’n allen de andere kant opkijken en potverteren. Zolang ’s lands verantwoordelijken enkel aan religieuze heilige huizen durven raken en de indruk hooghouden dat het feest blijft duren, doen we medeplichtig alsof er niets aan de hand is. Een overgrote meerderheid van mijn medeburgers blijft index-aanpassingen evident vinden en loonsverhogingen eisen, ook als passief verzet tegen de toenemende ongelijkheid versus het schaamteloze geldgewin van een wereldwijze bovenlaag.
Toen ik een schitterende bakker [gedurende decennia] net voor hij er ontmoedigd de brui aan gaf polste naar het waarom van het zienderogen afbrokkelen van de bakkersstiel, kreeg ik zijn droge analyse meteen. ‘De mensen willen niet meer werken, mijnheer.’ In zijn ene zin vertolkte hij mijn kwade droom over een verwende, lui geworden, ikgerichte natie die de burgerzin afgeworpen heeft en dit hedonistisch ingeruild heeft voor kooplust en eeuwige vakantie. De illusie dat het kapitalistische credo ‘zoveel mogelijk verdienen met zo weinig mogelijke inspanning’ een grondrecht is.
We drijven net zo lang op onze roze wolk tot de inflatie het wit op zwart voor iedereen duidelijk maakt dat de koopwaar steeds duurder wordt en – als allerlaatsten – de optimistische dagjesmensen [de pro’s] niet begrijpen dat ze die niet meer kunnen betalen omdat hun loon in cijfers blijft stijgen. Cijfers zonder tegenwaarde.
De nood aan een ethische barometer, waarvoor de politiek verantwoordelijken model zouden kunnen staan, wordt met de dag meer een plicht van ieder van ons. De in vrijheid badende maar klagende thuis- en afstandswerkers, de positief bewimpelde virtuozen, zullen elkaar vanuit hun dure zetel niet vinden om dit tij te doen keren en de grimmigheid van de structureel gebonden uitvoerders te verzachten. Ook niet via hun media, die ze ‘sociaal’ noemen.

Willi Huyghe – April 2022

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!