Erwin Jans

Tone Brulin (1926-2019), afscheid van een theatermaker zonder grenzen

Vorige week overleed Tone Brulin in Maleisië waar hij samen met zijn Maleisische vrouw Siti Fauziah op familiebezoek was. In mei zou hij drieënnegentig jaar geworden zijn. Met Tone Brulin verdwijnt een van de markantste en kleurrijkste Vlaamse theatermakers sinds de Tweede Wereldoorlog. Dramaturg Erwin Jans maakte in 2017 een bloemlezing van zijn theaterteksten en stelde een documentaire tentoonstelling over diens rijke carrière samen. Een hommage aan een onterecht bijna vergeten theatermaker.

maandag 18 maart 2019 10:42

Ik heb Tone Brulin pas enkele jaren geleden persoonlijk leren kennen. Op zijn initiatief. Hij stuurde me een aantal herwerkte versies van vroegere stukken met de korte mededeling dat ik de veranderingen wel zou begrijpen en appreciëren. Op mijn vraag of ik wel de persoon was tot wie hij zich wilde richten, antwoordde hij bevestigend en wel omdat ik in enkele artikels naar zijn werk had verwezen. Dat had ik inderdaad gedaan, maar het waren in mijn herinnering eerder korte, niet zo diepgaande opmerkingen. Dat zag Tone blijkbaar anders. Ik ben hem gaan opzoeken. Fysiek ging het moeilijk – hij was toen al bijna negentig – en hij werd snel moe, maar zijn herinneringen waren nog helder. We hebben samen achter zijn computer gezeten. Hij heeft me foto’s getoond, over voorstellingen verteld en gaf me enkele ongepubliceerde manuscripten mee naar huis.

Een jaar later, toen de bloemlezing en de tentoonstelling klaar waren, ging het veel moeizamer met zijn geheugen. Dat besefte Tone als eerste: ‘Tussen mij en mijn verleden ligt een groot zwart gat. Ik kan daar niet meer over’, zei hij eens. Foto’s en concrete anekdotes van zijn vrouw konden soms wel nog herinneringen en een onvermoede vrolijkheid naar boven halen. Op mijn vraag of hij het erg vond dat hij zoveel aan het vergeten was, antwoordde hij eenvoudigweg: ‘Neen’. Toen ik hem bij een van onze laatste ontmoetingen een aantal foto’s van zijn voorstellingen liet zien en hij die niet meer kon thuisbrengen, zei hij, gelaten maar ook een beetje ironisch: ‘Gij weet nu meer dan mij over mij.’  Het kwam eerst als een schok. Later als een vraag. Nu, na zijn overlijden, klinkt het als een opdracht.

Een monument, maar voor wie?

Het Vlaamse theatergeheugen is erg kort. Het ‘hier en nu’ van het theater wordt in Vlaanderen misschien wat te letterlijk genomen. En dat is een trieste zaak. ‘Ik ben een monument, maar voor wie?’ merkte hij zelf laconiek op in een interview uit 2001. En of hij een monument is! Als toneelauteur, acteur, regisseur, scenograaf, organisator, docent, journalist, essayist, etc. is Tone Brulin (pseudoniem van Antoon van den Eynde) ongetwijfeld Vlaanderens meest veelzijdige naoorlogse theaterpersoonlijkheid. Zijn kosmopolitische ingesteldheid, zijn engagement met thema’s als het kolonialisme en de apartheid, zijn interesse in andere theatrale tradities, zijn werk in het buitenland en zijn interculturele praktijk maken van hem daarenboven een tijdgenoot: op de vragen naar participatie, diversiteit en engagement die nu veelvuldig in het theater gesteld worden, gaf hij tientallen jaren geleden al zijn eigen antwoorden.

De kracht en de dynamiek van zijn werk is niet in de eerste plaats zijn originaliteit, maar zijn openheid voor en engagement met het nieuwe. Hierdoor was hij binnen de Vlaamse context vaak een voorloper en initiator. Vlaanderen en België vond hij snel te klein en te bekrompen. De hele wereld werd zijn werkterrein. Zijn theater is een tocht geweest op de zenuwen van een nerveuze tijd in een zich steeds verder globaliserende wereld. Het draagt de sporen van de belangrijkste maatschappelijke en artistieke ontwikkelingen sinds 1945, niet alleen nationaal, maar ook en vooral internationaal.  

Kosmopolitische ingesteldheid

Brulins passie voor de internationale ontwikkelingen in het naoorlogse theater (absurdisme, existentialisme, documentair theater, Grotowski, performance, interculturalisme…)  en zijn open oog voor de snel veranderende wereld (de trauma’s van het nazisme, de Koude Oorlog, het IJzeren Gordijn, de nucleaire dreiging, de laatste koloniale stuiptrekkingen en de dekolonisatie, het racisme en de apartheid in Zuid-Afrika, de emancipatiedrang van de jaren zestig,…) drijven  hem tot het uitproberen van steeds nieuwe expressievormen, vaak gelijktijdig en in hoog tempo.

Meer dan eens heeft hij de mogelijkheid om zich van een veilige plaats in de officiële cultuur of in de avant-garde te verzekeren, maar hij kiest er uiteindelijk voor om het verre en onbekende op te zoeken, met alle financiële en praktische moeilijkheden van dien. Een leven lang is Brulin op zoek gegaan naar de essentie van de theatrale communicatie, gedragen door het geloof in een dialoog over de nationale en culturele grenzen heen. In zijn laatste (nog ongepubliceerde) essay Onwankelbaar geloof in theatrale verbeelding, zijn geestelijk testament, overziet hij zijn loopbaan als een spirituele zoektocht waarbij zijn kosmopolitische ingesteldheid uiteindelijk overgaat in een bewustzijn van een diepe kosmische verbondenheid van alles met alles.

Van Teirlinck tot Artaud  

Eind jaren veertig behoort Brulin, samen met Dora van der Groen die zijn tweede vrouw wordt, tot de eerste lichting van de Studio Herman Teirlinck, de eerste professionele acteeropleiding in Vlaanderen. Van Herman Teirlinck – de godfather van het moderne Vlaamse theater – leert Brulin dat theater meer is dan een verzameling materiële technieken en intens verbonden is met een visionair en utopisch idee over de toekomst van de mensheid. Dat humanistische perspectief is in het werk van Brulin altijd aanwezig, impliciet of expliciet. In de jaren daarna reist hij veel, volgt cursussen en seminaries in het buitenland, schrijft voor diverse kranten en is medeoprichter van de avantgarde tijdschriften Tijd en Mens (1949-1955) en Gard Sivik (1955-1965) waarin een aantal van zijn teksten verschijnen, onder andere het eerste opstel in Vlaanderen over Antonin Artaud.

Brulins verwerking van Artauds radicale inzichten in zijn eigen theaterwerk is zeker niet onmiddellijk gebeurd, maar Artaud blijft voor hem zeven decennia lang de spiegel waarin hij zichzelf bekijkt en de maat waaraan hij zijn eigen ontwikkeling afweegt: het ideaal van theater als een a-literair en fysiek-rituele gebeurtenis die gemeenschap stichtend is. In 1953 is Brulin medeoprichter  van het Nederlands Kamertoneel in Antwerpen. Een belangrijk initiatief, voor Brulin persoonlijk, maar ook voor de ontwikkeling van het Vlaamse theater. In die kleine kamertheaters vindt het naoorlogse Vlaamse theater een nieuw elan. Ze zijn de laboratoria voor een nieuwe generatie van schrijvers, acteurs en regisseurs. De jonge Brulin deelt met veel van zijn generatiegenoten een grote nieuwsgierigheid naar wat er in het buitenland gebeurt. Hij experimenteert expliciet met een absurdistische en surrealistische dramaturgie in stukken als Mikroben (1950), Horizontaal (1955) en Verticaal (1955). Het zijn fabels van een verbrokkelde naoorlogse maatschappij die zijn (verticale) spirituele en zijn (horizontale) gemeenschapsvormende kwaliteiten verloren heeft. Je zou kunnen zeggen dat Brulin in zijn artistieke loopbaan in een eerste fase vooral de horizontale lijn – van het samenleven – onderzoekt (oorlogsverwerking, kolonialisme, racisme, apartheid,… ), terwijl hij in zijn latere werk meer aandacht schenkt aan de verticale – spirituele – zoektocht via mythes en sprookjes uit de hele wereld.

Kolonialisme en apartheid

Maar ik loop vooruit. Zoals wel vaker het geval in met Vlaamse kunstenaars, komt de erkenning eerst in het buitenland. Voor zijn zwarte komedie Twee is te weinig, drie is te veel (1953) ontvangt Brulin in Amsterdam uit de handen van de Nederlandse koningin de prijs van de boekenweek. Meteen is zijn naam gemaakt. In Vlaanderen worden zijn stukken ontdekt én opgevoerd. Vanaf dan beginnen ook de grote schouwburgen een beroep op hem te doen als schrijver, acteur en regisseur. Met Nu het dorp niet meer bestaat (1955), een stuk over een dorp in een Oost-Europees land dat volledig werd uitgeroeid als vergelding voor de moord op een Duitse officier, keert Brulin zich tot een klassieke, sociaal-realistische dramaturgie die rechtstreeks verwijst naar de politieke actualiteit.  

Die maatschappelijke betrokkenheid wordt nog groter in 1958 bij de regie van Terug naar de bron, een Kongo-drama van de koloniale schrijver Edmond Janssens en zijn broer, de populaire schrijver Jos Janssens. De regie brengt Brulin in contact met heel wat koloniale vooroordelen, maar ook met een folkloristische Congolese groep uit Brussel die veel indruk op hem maakt met een andere, meer fysieke manier van theatrale aanwezigheid op het toneel. De Expo in Brussel met zijn Afrikaans dorp en de Kongoreis met de KVS, beide in 1958, versterken Brulins besef van de onrechtvaardigheid van het koloniale systeem alleen maar. Het is een sleutelmoment in Brulins levenslange zoektocht naar een dialoog met de andere, die hem in alle uithoeken van de wereld zou brengen. Brulins ongenoegen en verwarring met Congo en de koloniale geschiedenis vertalen zich dramatisch in Potopot (1958). De enscenering van Potopot bij het Nederlands Kamertoneel in 1961, in een regie van Brulin zelf, is historisch omdat voor het eerst een zwarte acteur, Clive Farel, op de Vlaamse theaterplanken staat.

Brulins fascinatie voor Afrika en zijn keuze voor een meer uitgesproken engagement komen eind jaren vijftig in een stroomversnelling als hij een uitnodiging krijgt om aan het Nasionale Toneel in Pretoria (Zuid-Afrika) te gaan werken. De ontmoeting in Zuid-Afrika met de sociaal geëngageerde, blanke schrijver Athol Fugard is voor Brulin richtinggevend. Brulins eigen ervaringen met de apartheid vinden hun dramatische neerslag in De honden (1960),  wellicht Brulins meest bekende, meest vertaalde en meest gespeelde stuk.  De opvoering ervan zorgt voor heel wat protest vanwege de officiële Zuid-Afrikaanse instanties in België

De Afrika-stukken van Brulin zijn getekend en bepaald  door de tijd waarin ze werden geschreven, maar ze kwamen tot stand vanuit een existentieel bewustzijn van het onrecht van de blanke suprematie en van de noodzaak aan een gelijkwaardige dialoog. Je zou de Afrikaanse stukken van Brulin kunnen lezen als een volgehouden poging om de stem van de andere te laten spreken. Hoe onmogelijk dat uiteindelijk wellicht ook is voor een blanke schrijver, met de monoloog De nacht van de brandende apen (1990) over Zwarte Jef, een Congolees die in de Antwerpse Zoo als opzichter werkte, vindt die poging zijn meest dramatische én tragische expressie. Essentieel en veel belangrijker is dat Brulin vanaf de jaren zestig steeds vaker en intenser met acteurs, muzikanten en schrijvers uit Afrika, Zuid-Amerika en Azië gaat samenwerken voor zijn voorstellingen. Theater is niet langer een verhaal over de andere, maar een verhaal met en van de andere.

Grotowski

In de jaren zestig laat Brulin zich verder beïnvloeden door het politieke en documentaire theater zoals zich dat in Duitsland ontwikkelt en waarbij hij het ‘emotioneel pakkende’ kritische volkstheater van Piscator verkiest boven de brechtiaanse analytische dramaturgie: stukken als Haasje over in West-Berlijn (1963) en Tractor Dimitri (1964) bekritiseren de vrijheidsberovende doctrine van het Oostblok en met In aanwezigheid van de minister (1965) zet hij zich af tegen de corruptie, de bureaucratie en het domme nationalisme in eigen land. In tegenstelling tot de experimentele schriftuur van zijn eerdere stukken, gebruikt Brulin in zijn maatschappelijk geëngageerde stukken een meer gesloten en neoklassieke dramaturgie.

Maar Brulins belangrijkste impuls in de jaren zestig komt uit een heel andere hoek, die hem opnieuw in contact bracht met zijn basisinzichten. In 1963 maakt Brulin kennis met de persoon en het werk van de Pool Jerzy Grotowski, die verder bouwend op de inzichten van Artaud een heel eigen gedisciplineerde en geritualiseerde manier van acteren uitwerkt. Voor Brulin was dit opnieuw een aansluiting met zijn eigen fascinatie voor Artaud. In de jaren zestig ensceneert hij een vijftigtal buitenlandse en Vlaamse drama’s voor televisie. Hij blijft zelf stukken schrijven en regisseren. Omdat hij de televisie en het officiële theater steeds meer als beperkend en sturend gaat ervaren, besluit hij zichzelf te herbronnen als docent aan het Brusselse HRITCS, waar hij een omgeving creëert om zijn interesse voor Grotowski te delen met studenten als Franz Marijnen en Jan Decorte.

Brulin is eind jaren zestig zowel in Vlaanderen als in Franstalig België (samen met Franz Marijnen) betrokken bij een aantal theatrale experimenten gebaseerd op de inzichten en technieken van Grotowski. Die experimenten vinden  aansluiting bij het avantgarde circuit in de VS met groepen als Bread and Puppet Theatre (New York), San Francisco Mime Troupe, El Teatro Campesino, The Open Theatre, etc. Maar Vlaanderen en België zijn op dat ogenblik (nog) niet rijp voor deze performancecultuur. Brulin besluit naar de VS te gaan.  Uit zijn contacten met de internationale studenten ontstaat de Otrabanda Company. Geïnspireerd door Grotowski en door Brulins ritualistisch theater maakt het gezelschap sterk lichamelijke voorstellingen, gebaseerd op een strenge fysieke discipline. Deze werking heeft grote invloed op het schrijverschap van Brulin. Theater maken is niet langer meer het ensceneren van een vooraf geschreven theatertekst. Brulin schrijft nu ruwe scenario’s of ‘ontwerpteksten’ waarop werd geïmproviseerd.

Volkstheater en wereldtheater

Langzaam ontstaat de behoefte om uit het elitaire avantgardecircuit te breken en een breder en niet-geschoold publiek aan te spreken. In de eerste helft van de jaren zeventig verschuift Brulins interesse van een experimenteel laboratoriumtheater naar een volkstheater dat zich laat inspireren door antropologische inzichten en door de interculturele dialoog. Brulin volgt daarmee veeleer het parcours van Eugenio Barba dan dat van Grotowski. Brulin gaat op zoek naar nieuwe verhalen om te vertellen. Niet langer de existentialistische, absurdistische of documentair-realistische verhalen van de voorbije decennia (al verdwenen die niet volledig), maar volkse, op mythes gebaseerde verhalen uit Afrika en Azië die een groot publiek over de hele wereld konden aanspreken. Hij gaat steeds meer het ‘feestelijke’ karakter van theater onderstrepen.

Begin jaren zeventig is Brulin werkzaam op Curaçao en in Maleisië. In Maleisië leert hij de actrice en danseres Siti Fauziah kennen, die later zijn vrouw zal worden. Samen met haar werkt hij aan een naïef en universeel volkstheater, waarbij woord, object en lichaam in een ritualistisch en fantasierijk geheel opgenomen worden. In 1975 keert hij definitief terug naar België en kan er zijn artistieke parcours voortzetten met zijn interculturele groep Tiedrie (1975-1986). Tiedrie staat voor Theater van de Derde Wereld. De Derde Wereld heeft voor Brulin niet in de eerste plaats een geografische betekenis, maar verwijst naar groepen in de samenleving die werden gemarginaliseerd of doodgezwegen. Het interculturele theater van Peter Brook fungeert als een gids. Belangrijke voorstellingen van Tiedrie zijn Tak Kotak-Kotak (1979), Kapai-Kapai (1979), Ba Anansi (1980), Charkawa (1982) en Gilgamesh (1982). Wat Brulin met Tiedrie nastreeft was een volkstheater dat tegelijk ook een wereldtheater is. Het is zijn versie van Grotowski’s ‘arm theater’, ontdaan van alle overbodige theatraliteit, op zoek naar een authenticiteit die zich voorbij de ‘professionaliteit’ en de ‘artistieke kwaliteit’ bevindt, een soort van ‘art brut’. Hij streeft een vorm van ‘kneedbaar’ theater na, een theater van de ‘objets trouvés’ en het toeval.

De naieve kunstenaar

Ondanks de waardering voor de voorstellingen van Tiedrie is de communicatie tussen Brulin en het Vlaamse theater hier verstoord geraakt. Zijn interculturele theater vindt maar moeilijk aansluiting bij het politieke theater in de jaren zeventig en nog veel minder bij de vormvernieuwing van de jaren tachtig. Zijn enorme, in binnen- en buitenland opgedane ervaringen in verband met de interculturele dialoog en zijn talloze internationale contacten heeft Brulin nooit ten volle kunnen investeren in zijn voorstellingen. De geringe subsidies maken het niet mogelijk om meer dan één voorstelling per jaar te ensceneren en zelfs dat vaak in beperkte materiële omstandigheden.




Tone Brulin twee jaar geleden bij de voorstelling van het boek De waterdrager en de dorstige

Ook na Tiedrie blijft Brulin in binnen- en buitenland regisseren, acteren en schrijven. Zijn dramatische vormenrijkdom en zijn theatrale verbeelding nemen niet af. Met De laatste dagen van Clover Fields of A coon’s carnival: een episch toneelstuk in 2 delen (1988) schrijft hij een breed opgezet anti-apartheidsstuk met zang en dans dat door het Nederlandse gezelschap DNA wordt geproduceerd.

Brulin kan misschien nog het best omschreven worden met zijn eigen definitie van de ‘naïeve kunstenaar’: ‘Hij weigert nog steeds het individu te worden dat in een groeiproces tot individualisme wordt gedwongen om in afzondering te leren dat het paradijs voor altijd verloren is.’ De naïeve kunstenaar in Brulin heeft altijd geweigerd de droom van het paradijs op te geven. Hij is blijven geloven in de communicatie met de anderen en met het andere. De mens is geen geïsoleerd individu, maar is met al zijn vezels verbonden met zijn medemensen, zijn sociale omgeving en verder nog de energieën van het universum. Tone Brulin heeft die droom opgezocht tot in ‘de naakte simpelheid van het gebaar en het woord, van de alledaagse dingen en de eenvoudige rituelen’. Hij heeft zijn leven lang een theatrale verbeelding nagestreefd die de verloren gegane ‘horizontaal’ en ‘verticaal’ – de maatschappelijke en de spirituele samenhang van het bestaan – moest herstellen. In die zin is hij een authentieke erfgenaam van de visionaire ideeën die hij bij zo uiteenlopende theatermakers als Teirlinck, Artaud, Fugard, Grotowski, Brook en Barba bewonderde. Met hen is hij een maker van theater dat moedige uitspraken durft te doen over de mens, zijn geschiedenis en zijn lot.

 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!