Laat Vlaanderen kunstenaars verpauperen?
Opinie - Robrecht Vanderbeeken

Laat Vlaanderen kunstenaars verpauperen?

In Nederland zorgde een onderzoeksrapport in het voorjaar voor opschudding toen het aantoonde dat heel wat kunstenaars sociaaleconomisch in een miserabele toestand verkeren. Zo’n studie is er nu bij ons ook: UGent bevroeg 2706 kunstenaars en stelde vast in welke precaire situatie ze overleven. Wat een wake-up call voor het beleid zou moeten zijn, werd op de persvoorstelling helaas als een opportuniteit aangegrepen om het eigen status quo-beleid in de verf te zetten. Nochtans zijn er eenvoudige oplossingen die geen cent kosten.

woensdag 23 november 2016 10:47




Precaire jungle

Hoewel recordprijzen op de kunstmarkt vlot media-aandacht vangen, verschijnen er ook studies die aangeven dat kunstenaars in sociaaleconomisch opzicht steeds meer in een precaire jungle terecht komen. Het SER-rapport in Nederland doorprikte bijvoorbeeld de goednieuwsshow rond de zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel) en confronteerde het land met het pijnlijke nieuws dat cultuurmakers in 19de eeuwse toestanden verzeild raakten.

Gisteren werd in Brussel in het bijzijn van cultuurminister Gatz een studie aan de pers voorgesteld dat ons ook in België met de neus op de harde feiten drukt. Het gaat niet goed met de kunstenaars.

Cultuursocioloog Pascal Gielen wees er al op: de avant-garde kunstenaar loopt als werkende mens vandaag voorhoede in een neoliberaal rolmodel: flexibel, steeds beschikbaar, creatief en energiek, onderbetaald, maar zonder gezeur over verloning of sociale bescherming. In een tijd waarin de kunstenaar de perceptie tegen heeft – ‘luie subsidieslurper!’ – zetten zowel makers als organisaties een extra tandje bij om het tegendeel te bewijzen.

Maar dat is ook een valkuil omdat je zo de aandacht voor de impasse wegleidt, tot je met de kop tegen de muur knalt en met een burn-out onder de armoedegrens belandt. Zonder vangnet. Kijk naar Nederland na de kaalslag. Staatssecretaris Zijlstra voerde een politieke smeercampagne tegen het kunstenveld, in functie van een bespaarbeleid.

Makers en organisaties beantwoordden die charge door harder te werken, door dieper in de reserves of de schulden te gaan, om te bewijzen wat de waarde van cultuur is. Vandaag komt diezelfde Zijlstra in een achterafje zijn gelijk halen: ‘zie je wel, het kan met minder’. In België leggen we nu dezelfde lijdensweg af.

Liberale wegkijkers

Hier ligt vanzelfsprekend een enorme verantwoordelijkheid bij het huidige beleid, maar daar lijkt weinig te bewegen. Het heeft bijvoorbeeld twee maanden geduurd voor de partners die de studie ‘Loont passie? Licht op de sociaal-economische positie van kunstenaars in Vlaanderen’ mee financierden van het kabinet van Gatz groen licht kregen om over de resultaten te berichten.

Het kabinet wou eerst de eigen beleidsbrief Cultuur 2016-2017 rond hebben zodat Gatz op de persvoorstelling prompt een weerwoord klaar had dat hem ervan ontslaat de confronterende resultaten van deze studie ernstig te moeten nemen. Wat een discussie over de studie had kunnen zijn, of een oproep naar voorstellen uit de sector, werd ingeruild voor een toelichting van het lopende beleid. Waarom probeert de minister al meteen de lont uit het kruitvat te halen?

Als antwoord op de urgentie waar het rapport op aanstuurde, volgde de sussende boodschap: ‘We gaan nu in alle rust nadenken over de uitwerking van onze voorstellen.’ Maar denkt onze bespaarminister werkelijk dat de oprichting van zoiets als een ‘Cultuurbank’, waar cultuurwerkers aan lage rente kunnen lenen, samen met een duur beleid van fiscale cadeaus aan investeerders en beleggers de precaire situatie van cultuurscheppers zal verbeteren?

Meer lenen en hogere schulden maken dan maar? Dan belanden we sowieso in het hoger geschetste scenario dat zich in Nederland voltrekt.

Ook de ombouw van het kunstenloket naar een breed cultuurloket – dat aldus de minister een ‘unizo voor creatieve ondernemers’ moet worden – dreigt een stap achteruit eerder dan vooruit. Want in verhouding kan er dan minder aandacht gaan specifiek naar de kunstenaars.

En die tax shelter voor de podiumkunsten? Studio 100 is allicht al een dossier aan het opstellen zodat de tournee van Kabouter Plop en K3 nog wat extra voorstellingen kunnen inlassen. Maar is het niet absurd dat zo’n commerciële en winstgevende geldmachine overheidssteun krijgt terwijl de projectsubsidies voor kunstenaars veel te klein blijft?

Loont passie?

De UGent-studie bevestigt dat kunstenaars geconfronteerd worden met een erg atypische werksituatie: het zijn multiple job hoppers die artistieke en niet-artistieke werkzaamheden mixen en noodgedwongen ook erg actief zijn buiten de kunsten.




Ruim 40 % van de beeldende kunstenaars heeft bijvoorbeeld een niet-kunstgerelateerde job. Slechts 11 % van de beeldende kunstenaars kan leven van het artistiek werk alleen. Voor acteurs, muzikanten en podiumkunstenaars gelden gelijkaardige cijfers. Het zijn ook deze kunstenaars die alleen van hun artistiek werk leven, die doorgaans het minst verdienen.

Meer nog: gemiddeld genomen nemen de kernartistieke activiteiten binnen de kunstpraktijk iets meer dan de helft van de totale werktijd in. Kunstenaars moeten naast creëren met allerhande andere beslommeringen bezig zijn. Inkomsten worden voor een groot deel gebruikt om beroepskosten te dekken. Dat betekent dat kunstenaars, zoals dat ook in het Nederland het geval is, via hun arbeid (elders) eigenlijk zelf een van de grootste financiers van hun eigen stiel zijn.

Een tweede vaststelling: kunstenaars zijn voor 75 % hoger opgeleid maar verdienen veel minder dan andere beroepsgroepen, dikwijls met een lagere scholingsgraad. De inkomens zijn laag en de werksituatie onzeker. Alleenstaanden en vrouwen hebben het nog moeilijker om rond te komen. 45% van de kunstenaars overweegt soms of vaak om te stoppen. Creatie, vooronderzoek en zakelijk werk worden doorgaans niet of weinig vergoed. Slechts 30 % van de beeldende kunstenaars die in 2014 tentoonstelde, werd daar ook voor betaald.

Niettegenstaande blijken kunstenaars om inhoudelijke en artistieke redenen bijzonder graag hun job te doen. Het is precies deze scheppingsdrang die hen kwetsbaar maakt voor uitbuiting. Vooral kunstenaars die geen lid zijn van een belangenbehartiger worden geconfronteerd met bestaansonzekerheid. Merk op dat deze studie zich baseert op cijfers van 2014, het effect van 2 jaar bespaarbeleid niet meegerekend.

Wat te doen?

Hoewel de minister ooit beterschap beloofde in 2017 en ondanks de aanhoudende acties van kunstenaars, hoeven we ook na het verschijnen van deze studie niet op extra middelen te rekenen. Gatz kreeg hier en daar weliswaar wat centen los om de geslagen gaten wat te dempen. Maar ‘alternatieve financiering’, dat blijft het antwoord ongeacht de vraag. We wezen er al op: besparen om te vermarkten, dat vat het liberale beleid samen.

Op het persmoment probeerde Gatz er zich vanaf te maken met een anekdote: een buitenlandse curator had hem laten weten dat dansers in New York en Berlijn gratis werken. In Brussel wordt er ten minste nog betaald en is er werkloosheidsteun! Optimism is a moral duty, noemen liberalen dergelijke gênante goedpraterij.

Niettegenstaande kan de minister in het jaar dat hem nog rest heel wat goed maken (vanaf 2017 gaat ons politiek personeel immers al over op verkiezingsmodus). Dat hoeft geen extra cent te kosten. Drie tips.

Pensioenen: minister Baqueleine wil vanaf 1 januari 2017 de periodes van werkloosheid niet meer volledig meetellen voor het berekenen van het pensioen. Hij wil slechts één jaar gelijkstellen, de periodes langer dan één jaar worden dan berekend op een minimumloon. Dat is een heel onrechtvaardige maatregel, want werklozen zijn niet vrijwillig werkloos, en het treft vooral de kunstenaars zwaar die gebruik maken van het kunstenaarsstatuut omdat ze nu eenmaal een onregelmatig beroep hebben met afwisselend kalme en intensieve periodes.

Minister Gatz kan een culturele uitzondering bepleiten bij zijn federale collega’s zodat dit statuut, als uitzonderingsmaatregel die zo cruciaal is voor vele cultuurwerkers, niet wordt uitgehold. Op maandag 28 november voeren de vakbonden trouwens actie om 11 uur aan het Egmontpaleis in Brussel.

Kunstenaarsstatuut: Volgens artikel 1 van de RSZ-wet hebben alle werknemers recht op de sociale zekerheid voor werknemers. Het zogeheten kunstenaarsstatuut heeft betrekking op artikel 1bis: ‘alle kunstenaars hebben recht op sociale zekerheid werknemers, ook als er geen arbeidsovereenkomst is’. Het kunstenaarscollectief State of the Arts en ACOD Cultuur voeren campagne om deze wetgeving uit te breiden, zodat er altijd een arbeidsovereenkomst gemaakt wordt. Op die manier kunnen kunstenaars ook genieten van de bescherming van de arbeidswetgeving en de gangbare cao’s. Het gaat om een kleine aanpassing in de wetgeving die heel veel wantoestanden kan vermijden, zonder dat het de overheid extra belastinggeld kost. Het zou meteen ook veel cultuurorganisaties aanzetten tot een fair practice.[1]

En dat is immers een bezorgdheid van de minister in zijn beleidsbrief, die hij ook op de persvoorstelling herhaalde: “bij de beoordeling van de structurele werkingssubsidies binnen het Kunstendecreet werd rekening gehouden met criteria als ‘aandacht voor een correcte vergoeding van kunstenaars’ en ‘ondersteuning van kunstenaars, met specifieke aandacht voor startende kunstenaars’ om de kunstinstellingen en de kunstenorganisaties met een werkingssubsidie attent te maken op hun verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de uitbouw van duurzame carrières van kunstenaars.”

Kunstenaarshonorarium: na het verschijnen van het SER-rapport in Nederland startte de belangenbehartiger Platform BK een onderhandeling met beleidsmaker Jet Bussemaker om ook tegemoet te komen aan de kunstenaars die als zelfstandige werken, door middel van het uitwerken van vaste barema’s voor presentatie en creatie.

Waarom zouden we in België dat rechtvaardige idee niet meteen overnemen? Als dit lukt, dan zou Gatz effectief tegemoet komen aan de bezorgdheid die hij uitte op het einde van de uiteenzetting van zijn beleid in de persmededeling: ‘zonder kunstenaars, geen kunst en zonder kunst geen cultuur’.

In de beleidsverklaringen valt nu dikwijls de term ‘duurzaam’, maar dan vooral wanneer de minister het heeft over investeren in beton. Maar de UGent-studie leert ons dat we dringend een tandje bij moeten steken voor de kunstenaars zelf, willen we vermijden dat er binnen een paar decennia spraken is van een verloren generatie. Zoveel kunst die er niet zal zijn, en daar zijn we allemaal de dupe van. Er loopt vandaag nochtans ongelooflijk veel talent rond, niet in het minst bij de jongere kunstenaars, dat er voluit voor wil gaan. Natuurlijk is dat ook mogelijk – als we solidair naar oplossingen zoeken.

Robrecht Vanderbeeken is filosoof, auteur van Buy Buy Art (EPO) en lid van de toekomstgroep van ACOD Cultuur

[1] Jammer genoeg gaat De acteursgilde op eigen houtje voor een achterkameroverleg bij Minister van Werk Kris Peeters om te pleiten voor de afschaffing van het kunstenaarsstatuut. Onbegrijpelijk, als we uit deze studie leren dat van alle kunstenaars die hun jaarinkomsten uit werkloosheid halen, de groep van de podiumkunstenaars het hoogst is (19%), dankzij dit statuut. Bijna de helft van de podiumkunstenaars geeft bovendien aan te kunnen terugvallen op de voordeelregelingen van het kunstenaarsstatuut. Het is dus erg onwaarschijnlijk dat het voorstel van De acteursgilde (die Jan Decleir mee op sleeptouw nam om hun bezoekje op het kabinet wat kracht bij te zetten) gedragen wordt door de eigen leden.

take down
the paywall
steun ons nu!