Eindelijk vrede in Colombia? Een terugblik op vroegere pogingen tot vrede

Eindelijk vrede in Colombia? Een terugblik op vroegere pogingen tot vrede

Na meer dan vijftig jaar burgeroorlog heeft de guerrilla van de FARC een vredesverdrag gesloten met de regering van Colombia. Of het verdrag zal slagen zal in de komende maanden en jaren moeten blijken. Guido De Schrijver blikt terug op zijn ervaring in Colombia in 1999 toen vergeefs werd gepoogd om tot vrede te komen.

zondag 28 augustus 2016 19:58



Militairen versperden ons de weg naar de volkswijken

Her en der worden zuchten van verlichting geslaagd na het afsluiten van een vredesakkoord, in Colombia zelf, maar ook ver daarbuiten. De vrede staat er, zwart op wit op papier.

De vraag die ik stel: zal het na vijftig jaar burgeroorlog ook nog eens vijftig jaar duren alvorens de beloften en de afspraken die de regering nu op zich neemt, effectief zullen uitgevoerd worden?

In Guatemala deed zich iets gelijkaardig voor in 1996. Na zesendertig jaar burgeroorlog werd daar toen een vredesverdrag tussen de regering, het leger en het gewapend verzet in Guatemala ondertekend. Twintig jaar zijn ondertussen verlopen. Analisten berekenen dat de Guatemalteekse overheid nog geen 10 procent van de toen afgesproken engagementen uitgevoerd heeft.

Colombia heeft zich door een lange reeks nachtmerries gewerkt om uiteindelijk de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel te zetten. Cuba was net als voor Guatemala het gastland om de vredesgesprekken vooruit te helpen.

De oorlog in Colombia had vele gezichten. Ik maakte er een van dichtbij mee in 1999. Dat gebeurde in Barrancabermeja, een stad van 275.000 inwoners, bekend voor zijn belangrijke olieraffinaderijen. Uitgebreide gebieden werden geprivatiseerd om armslag te geven aan de oliemaatschappijen. Mensen werden massaal van hun woongebied verdreven.

Op dat ogenblik telde men in Colombia 1 miljoen ‘desplazados,’ mensen ‘die ontruimd werden’ . Het verzet was intensief in de betrokken regio, ook het gewapend verzet, zowel van de FARC als van de andere guerrilla-organisatie, het ELN.  De Colombiaanse vakbond USO die de arbeiders in de olie-industrie verdedigde stond sterk in de sociale strijd.

Onder het voorwendsel het gewapend verzet en de ‘capos’ van de drugshandel te bestrijden werd echter de hele politieke oppositie aangepakt. Er werden meer vakbondsleiders, boerenleiders, advocaten en mensenrechtenverdedigers vermoord dan guerrillero’s. Herhaaldelijk werden leger en politie beschuldigd van oorlogsmisdaden. Om de internationale kritiek te omzeilen lieten de veiligheidsdiensten bepaalde taken van de ‘vuile oorlog’ door paramilitaire benden (op miliatier leest georganiseerde privé-milities) uitvoeren.

 Kroniek van een aangekondigd bloedbad



Familieleden hadden de foto’s van de slachtoffers mee

Eind april 1998 waarschuwden de Colombiaanse Civiele Inlichtingendiensten waarschuwden het leger en de politie voor plannen van lokale paramilitairen om een bloedbad in de stad Barrancabermeja aan te richten.

Op een nacht in die periode passeerden een paar vrachtwagens vol gewapende mannen twee militaire basissen, zonder dat het leger ingreep. De inzittenden reden de buitenwijken van de stad binnen. Zeven personen werden uit hun huizen gehaald en ter plaatse vermoord. Vijfentwintig anderen ontvoerd. Ze keerden nooit terug. Achteraf bleek geen van de militairen van iets te weten.

De vakbond USO riep daarop een vijfdaagse staking uit. De vakbondsleiders werden vanaf dan door de paramilitairen als ‘militair doelwit’ beschouwd. De Commissie van de Mensenrechten van de VN, het Europees Parlement en verschillende internationale instanties riepen de Colombiaanse regering op om deze zaak gewetensvol te onderzoeken en de misdadigers te veroordelen.

Pas verkozen president Andrés  Pastrana beloofde er alles aan te doen, maar er gebeurde niets. De families, samen met meer dan honderd organisaties, riepen de hulp in van internationale solidariteit. In verschillende landen werden ‘Opinietribunalen’ opgericht, symbolische en ethische initiatieven zonder juridische macht, bedoeld om gewetens wakker te schudden.

Barrancabermeja diende daarbij als voorbeeld. De bloedbaden en massamoorden, die paramilitaire bendes met de medeplichtigheid van het leger aanrichtten, waren immers niet beperkt tot die ene actie in de stad: 288 in 1997 en 235 in 1998.

Negen rechters en een lege stoel

Een jaar na de feiten, begin april 1999 veroordeelden ‘Internationale Opinietribunalen’ in Toronto en Montreal de Colombiaanse staat en de regering. Kort daarop werd besloten een Internationaal Opinietribunaal te houden in Barrancabermeja zelf. ‘Een zelfmoordoperatie in het hol van de leeuw,’ waarschuwden sommigen. We gingen ervoor. We gaven met negen ‘rechters’ present in de raffinaderijstad van 14 tot en met 16 mei.

De voorzitter van het ‘tribunaal’ was de Italiaanse bevrijdingstheoloog Giulio Girardi. Naast hem was er iemand uit Venezuela en de Dominicaanse Republiek. Verder waren we met zes Europeanen aanwezig, drie uit Spanje, een uit Duitsland, een uit Genève en ikzelf. Ik vertegenwoordigde het ‘Europees Netwerk van Oscar Romero Comités’ en de ‘Belgische Coördinatie voor Solidariteit met Colombia.’ Alvorens verder door te reizen naar Barrancabermeja in het noorden van het land, stelden we in Bogotá onze respectieve ambassades op de hoogte.

Als openbare aanklager trad een lid van een Franse mensenrechtenorganisatie op, begeleid door een juriste van de ‘Féderation Internationale des Droits de l’Homme.’ De stoel van de verdediging bleef leeg. De minister van defensie zei: ‘Uw tribunaal is gebaseerd op subjectieve elementen; u hebt de pretentie ons juridisch systeem te vervangen; de aanwezigheid van buitenlanders schaadt onze soevereiniteit en geeft een negatief beeld van ons land weer.’

In volle werking werd ons meegedeeld dat ons initiatief strafbaar was. Een aantal hoge regeringsfunctionarissen en de paramilitairen lieten dit aan de media verstaan.

 De EU liet zich met beloften wegzetten

Ons initiatief had niet alleen symbolische waarde, het hield wel degelijk een politiek signaal in. We wilden onze regeringen verplichten te waken over onze veiligheid. Alvorens uit Bogotá te vertrekken richting binnenland drongen we er bij onze ambassades bovendien op aan de veiligheid van de getuigen en de organisaties die het initiatief mogelijk maakten te garanderen. Na afloop en bij terugkeer in de hoofdstad zouden we vernemen dat de Europese Unie zich niet in de zaak wou mengen. Ze nam genoegen met beloften van president Pastrana. De Canadese ambassade had tenminste een functionaris met ons meegestuurd naar



Organisator stelt het panel van de rechters voor

Barrancabermeja. Die diplomatieke afzijdigheid deed ons teruggrijpen naar dezelfde vragen die we ons gesteld hadden voor ons vertrek naar Colombia. Kunnen we dit ‘tribunaal’ wel verrechtvaardigen? Komen we er veilig onderuit? Zal het de repressie tegen de bevolking uit de regio niet verhevigen? De antwoorden die we toen gekregen hadden om ons over de brug te halen waren: ‘Wij Colombianen, organisatoren van het initiatief en onze advocaten uit Bogotá, wij lopen evengoed risico als jullie.

We weten met zekerheid dat de families in kwestie blootstaan aan weerwraak. Maar wij en de families van Barrancabermeja hebben het risico genomen. Het tribunaal is van hen. Zij hebben erom gevraagd. Zij verkiezen gevaar te lopen eerder dan hun mond te moeten houden voor de beulen. Wij willen deze zaak wereldkundig maken en niet alleen blijven met ons verdriet.’

 Militaire bescherming

Met gemengde gevoelens stapten we in het vliegtuig in Bogotá. Bij aankomst op de luchthaven van Barrancabermeja werden we door een geblindeerde tank van het leger naar ons hotel geëscorteerd. Dit was van boven tot onder gereserveerd voor het initiatief en de betrokkenen: ‘rechters,’ de aanklager en haar adviseur, de families van de slachtoffers, de nationale en internationale waarnemers, alles samen een tweehonderdtal personen. Beide uiteinden van de straat waren met dranghekken afgesloten. Het hotel werd dag en nacht door het leger bewaakt ‘om ons te beschermen tegen aanvallen of agressie van de paramilitairen van de regio.’

De zeven getuigen die we hoorden, familieleden van de slachtoffers, zaten zodanig achter schermen verscholen dat ze alleen door de ‘rechters’ zichtbaar waren. In de namiddag van de eerste dag al kreeg de hotelhoudster een bommelding over de telefoon. Alles werd door militaire eenheden onderzocht. Loos alarm.

Bezoeken aan de buitenwijken, waar de slachtoffers gevallen waren, stonden uiteraard ook op ons programma. Buiten het centrum van de stad was de weg geblokkeerd door militaire tanks. Er waren bommen ontdekt en die moesten ontmanteld worden. Een van onze begeleiders zei: ‘Ofwel hebben zij die daar zelf gelegd of wel zijn er helemaal geen bommen.’ Hoe dan ook, we konden niet verzaken aan de aangekondigde bezoeken.

Het zou voor de families die ons opwachtten een koude douche betekend hebben. ‘Er is altijd een weg langs een omweg,’ stelden onze begeleiders ons gerust. Zo kwamen we toch nog terecht, tot grote opluchting van de bewoners die per se hun verhalen kwijt wilden. Ons kwam het schitterend uit om de verhalen bij het dossier van ons onderzoek te voegen. Op de muren zagen we slogans: ‘De moordenaars slapen in de kazernes van het leger.’ Een duidelijke allusie op de medewerking en medeplichtigheid van het leger met de paramilitairen.

 Ons verdict

Vanop het platform van een truck, voor de gevel van de gebouwen van de vakbond USO, maakten we voor een duizendtal aanwezigen ons verdict bekend. We vonden de staat en de regering schuldig aan het bloedbad een jaar tevoren gepleegd.

Schuldig, door actie, met name door de actieve betrokkenheid van veiligheidsagenten; schuldig, door verzuim, met name door de weigering om bescherming te bieden aan de bevolking tegen de aanval; en schuldig door straffeloosheid, waardoor agenten van de staat, als medeplichtigen van de misdaad, de dans ontsprongen, daar ze na een vol jaar nog niet gestraft werden. Daarna volgden onze aanbevelingen.

Na het verdict zat onze opdracht ter plaatse erop. Sommige aanwezigen weenden van vreugde. Een jonge kerel benaderde mij. We converseerden schouder aan schouder, maar een niet te overstijgen afgrond hield ons gescheiden.

Hij, de dood zichtbaar in de ogen, bedreigd, beangstigd, ‘uitverkoren’ om op gelijk welk onverwacht ogenblik te sterven. Hij leek te willen ontsnappen, tot mijn wereld te behoren, diplomatiek beschermd. We stonden op dezelfde straatsteen, maar een bodemloze afgrond scheidde ons van elkaar. Hij wenste mij een voorspoedige terugkeer.

Later zouden we inderdaad vernemen dat leiders van de vakbond USO systematisch ontvoerd en vermoord werden.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!