Hoe de werkgevers een duurzaam energiebeleid blokkeren

Hoe de werkgevers een duurzaam energiebeleid blokkeren

woensdag 13 juli 2016 10:37




Onze kerncentrales zijn stokoud en zullen ooit moeten sluiten. Als we de klimaatopwarming ernstig nemen, moeten we het gebruik van alle fossiele energiebronnen op termijn stopzetten. Onze energie-intensieve industrie kreunt onder de dure energiekost.[1] Huishoudens zien hun factuur de laatst jaren door het dak gaan, wat vooral bij de kwetsbare groepen een bijzonder grote impact heeft.

Twijfelt er vandaag nog iemand aan dat ons energiebeleid hoogdringend nood heeft aan een duidelijke toekomstvisie? Er bestaat alvast een grote consensus tussen werkgevers, vakbonden, ngo’s over de nood aan een pact over energievoorziening van de toekomst.

Ook de sleutelelementen zijn gekend: die energievoorziening moet competitief en betaalbaar zijn voor huishoudens en bedrijven, ecologisch duurzaam en de bevoorradingszekerheid moet gegarandeerd worden. De concrete uitwerking van deze grote principes loopt echter bijzonder moeilijk. We staan vandaag nergens met het overleg over zo een pact. Vooral door de interne verdeeldheid en de strategie van de werkgeversorganisaties.

Eind juni liet de tweede grootste elektriciteitsproducent van het land (EDF Luminus) weten dat ze volgend jaar vier gascentrales willen sluiten. Het bedrijf gaf aan dat de centrales niet langer rendabel zijn. Door de dalende vraag naar elektriciteit, de toename van hernieuwbare energie en veel te lage CO2-prijs waardoor de steenkoolcentrales in onze buurlanden steeds vaker ingeschakeld worden, kunnen de Belgische gascentrales onvoldoende uren draaien op een jaar. De aankondiging moet gezien worden als een luide roep naar de regering voor subsidies. Hier komen we bij het eerste conflict bij de werkgeversorganisaties.

De grote bedrijven die veel stroom verbruiken (vooral de chemie en staalindustrie) zien het niet zitten om deze verlieslatende gascentrales te subsidiëren, want deze subsidies worden doorgerekend in hun stroomprijs. De regeringen in dit land beseffen ondertussen zeer goed dat er ook bij de huishoudens niet zoveel rek meer zit op een stijgende elektriciteitsfactuur, de Turteltaks ligt nog te vers in het geheugen.

Een tweede bericht dat de verdeeldheid bij de werkgevers illustreert is het pleidooi van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) bij de regering om binnen Europa stevig op de rem te staan inzake de klimaatengagementen die ons land moet aangaan. Ons land heeft zijn huiswerk nog niet klaar met de klimaatdoelstellingen voor 2020 (vooral inzake hernieuwbare energie is er nog zeer veel werk aan de winkel) maar moet ondertussen op Europees niveau aan tafel om de verdeling van de doelstellingen voor 2030 af te spreken. Het VBO neemt de doelstellingen voor de sectoren transport, gebouwen en landbouw op de korrel.

De Europese Commissie stelt een verdeling voor op basis van de rijkdom (BBP) van een land, wat neer komt op de economische mogelijkheden om emissies te reduceren. Het VBO stelt dat emissiereducties bij ons duurder zijn dan in de buurlanden en dat wij al grote inspanningen gedaan hebben, waardoor ons land moet pleiten voor een lagere doelstelling.

Hoewel er voor beide criteria (economische draagkracht en kosten-efficiëntie) zeker iets te zeggen valt, weerspiegelt deze reactie van het VBO de algemene houding van de energie-intensieve bedrijven die stellen dat Europa al veel te ver gegaan is met het klimaatbeleid en dat de competitiviteit van de bedrijven nu moet voorgaan op de klimaatdoelstellingen (in hun woorden een gelijkaardig gewicht moet krijgen in de discussie).

Deze houding contrasteert sterk met de technologiebedrijven die de klimaatuitdaging als een uitdaging beschouwen en willen inzetten op de kansen die de transitie brengt in plaats van elke stap vooruit in het klimaatbeleid af te blokken. Het geeft ook zeer duidelijk aan dat de sense of urgency  van het klimaatakkoord van Parijs, niet bij alle werkgeverspartijen aangevoeld wordt.

We zitten dus met een groep werkgevers die onder elkaar niet tot een akkoord kan komen over maatregelen om de bevoorradingszekerheid te garanderen noch over ernstige engagementen wil praten om de duurzaamheid van ons energiesysteem te garanderen.

Het enige waar men tot nu toe wél over akkoord ging, is de verlenging van de levensduur van de kerncentrales. Dit heeft voor een aanzienlijke daling van de stroomprijs gezorgd voor de energie-intensieve bedrijven. Maar bedreigt wel de rendabiliteit van de hernieuwbare energieproducenten door de lagere vergoeding die ze krijgen voor hun stroom en het feit dat ze soms gedwongen worden om hun windmolens stil te leggen indien er teveel kernenergie en hernieuwbare stroom wordt geproduceerd of ingevoerd.

Het trieste aan dit verhaal is dat het gebakkelei tussen de werkgeversfederaties waarschijnlijk ook nog in hun voordeel zal werken. Hoe meer vertraging en onzekerheid er gecreëerd wordt op de energiemarkt, hoe minder er geïnvesteerd wordt in (duurzame) alternatieven en hoe waarschijnlijker het wordt dat men ook de jongste kerncentrales (Doel 3 & 4 en Tihange 2 &3, waaronder dus de scheurtjesreactoren Doel 3 en Tihange 2) uiteindelijk langer zal moeten openhouden “om de bevoorradingszekerheid” te garanderen.

Deze gang van zaken roept grote maatschappelijke vragen op:

  • ons land blijft afhankelijk van verouderde en onbetrouwbare kerncentrales waarin zwaar geïnvesteerd moet worden om ze operationeel en veilig te houden;
  • we moeten subsidies betalen om flexibele en vaak nieuwe gascentrales rendabel te houden;
  • de duurzaamheid van het energiebeleid wordt tegengewerkt omdat er enkel gefocust wordt op de kortetermijnkosten zonder de brede maatschappelijke baten (klimaatbescherming, tewerkstelling, innovatie,..) mee te rekenen;
  • de factuur van dit alles wordt naar de huishoudens gestuurd waardoor het draagvlak voor het overheidsbeleid inzake energie helemaal ondergraven dreigt te worden.

Dit alles terwijl de nood aan een “rechtvaardige transitie” naar een duurzaam energiesysteem bijzonder groot is. We mogen onze kop niet in het zand steken voor de milieu-uitdagingen maar we moeten ervoor zorgen dat die op de meest efficiënte en rechtvaardige manier aangepakt worden. Dit betekent dat iedereen een billijke bijdrage zal moeten leveren.

Wat billijk is, wordt bepaald door onderhandelingen waarbij alle betrokken actoren een stem krijgen en er aandacht is voor hun noden. Maar, iedereen moet ook een inspanning leveren om de doelstellingen te realiseren. Vooral op federaal niveau ontbreekt het in ons land vandaag aan een engagement bij de overheid en bij de werkgeversfederaties om deze uitdagingen serieus te nemen.  Dit is bijzonder onrustwekkend.

Bert De Wel

Raadgever klimaat en energie, ACV.

[1] Studie PwC in opdracht van de CREG: “Het rapport van PwC maakt verder een belangrijk onderscheid tussen elektro-intensieve en niet-elektro-intensieve verbruikers. Voor industriële verbruikers in alle belangrijke industriële sectoren in België die concurreren met elektro-intensieve bedrijven in de buurlanden, vormt de totale energiekost een belangrijk concurrentieprobleem. Dit is niet het geval voor niet-elektro-intensieve verbruikers. Zij hebben een duidelijk competitief voordeel met betrekking tot hun totale energiekost in vergelijking met de niet-elektro-intensieve verbruikers in de buurlanden.” http://www.creg.info/pdf/Presse/2016/Press20160708nl.pdf

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!