Opinie - Anton Jaeger

Het kapotte huisje: over post-Brexit Europa

Toen in 1953 in de voormalige DDR een spontane arbeidersopstand uitbrak, schreef de Duitse dichter Bertolt Brecht dat het "misschien geen slecht idee zou zijn om het volk, in plaats van de regering, te ontbinden." Het is een citaat dat vandaag, in het licht van de Brexit, misschien toepasselijker is dan ooit.

maandag 27 juni 2016 15:51

Brecht zelf had de Oost-Duitse opstand van nabij meegemaakt, en had weinig goede woorden voor het autoritaire optreden van de nieuw gestichte Duitse Volksrepubliek. Voor zijn gedicht deed hij inspiratie op bij DDR-dissident Kurt Barthel, die na de opstand aan de regering had gezegd dat, hoewel ze de vernielde huizen van de opstand snel zou kunnen herstellen, er andere zaken waren die niet zo reparabel waren. “Er zal heel wat gemetseld moeten worden” schreef hij de Duitse communisten “voordat jullie deze nederlaag zullen vergeten. Kapotte huisjes repareren, dat is gemakkelijk. Kapot vertrouwen herstellen, dat is moeilijk, zeer moeilijk.”

Het lijkt er inderdaad op dat vele zogenaamd ‘linkse’ Britten vandaag voor de aloude Brechtiaanse oplossing zouden willen opteren. Na vier maanden mediatiek gewauwel over “Europese waarden”, “herstelde soevereiniteit”, en “herwonnen controle”, heeft dan toch de Engelse kleinhartigheid gewonnen. “Ik herken mijn land niet meer” was de favoriete uitspraak bij het linkse Engelse commentariaat, dat gezamenlijk voor Remain leek te supporteren.

Weinigen zullen vandaag ontkennen dat die Britse campagne vooral op basis van desinformatie is gevoerd. Een kanonnade van cijfers fungeerde als retorisch rookgordijn voor een neoliberaal schaduwoffensief. Veel daarvan heeft te maken met het feit dat de EU zelf als politieke entiteit opvallend afwezig was in het debat naar aanleiding van het referendum. Het instituut waarover de uiteindelijke referendumvraag moest gaan – “wenst u dat het Verenigd Koninkrijk lid blijft van de Europese Unie?” – bleef nagenoeg onbesproken. Als een omineus spook leek het boven de Britse twistgesprekken te drijven, ongedefinieerd maar onbetwistbaar, ongeliefd maar onvermijdelijk.

Ook in Engeland leek de linguïstische inwisselbaarheid van ‘Europa’ en ‘Europese Unie’ tot één van de meest standvastige semantische feiten van het hedendaags taalgebruik geworden te zijn – een inwisselbaarheid die echter al snel tot verwarring leidt, aan weerszijden van het politieke spectrum.

Superstaat?

Ter linkerzijde wordt de EU als een problematisch opstapje naar een ‘links Europa’ gezien. Onder het mom van een ‘sociaal Europeanisme’ denkt men eindelijk de achterhaalde natiestaat gedag te kunnen zeggen. De huidige EU moge dan de incarnatie van het neoliberalisme zijn, als supranationaal instrument kan ze uiteindelijk handig zijn.

Ter rechterzijde wordt de EU als een kwade superstaat voorgesteld, een malicieus organisme dat er op uit is om de Britse staat in haar machtsuitoefening te belemmeren. In beide gevallen zweert men bij een gemakzuchtige dichotomie: kwade natie versus goede federatie, goede ministaat versus slechte superstaat.

De EU zelf voldoet echter aan geen van die beschrijvingen. Haar totaal medewerkers zwengelt ergens rond de 25.000, een aantal dat nagenoeg even groot is als de ambtenarij van een gemiddelde Europese stad. In vergelijking met de immense federale structuur van de Verenigde Staten, met eigen leger en hooggerechtshof, lijkt de Europese supranationale staatsvorming inderdaad mager. De ‘superstaat’ die door zowel linkse als rechtse commentatoren werd ingeroepen bestaat vooral als een soort van retorische boeman: het is een handige bliksemafleider om het falen van binnenlandse elites te verdonkeremanen. Empirisch is ze niets dan een hersenschim.

Informele samenkomsten

Hetzelfde geldt voor de zogenaamde ‘postnationaliteit’ van de huidige EU. Het merendeel van haar professioneel personeel wordt uit de elites van nationale staten gekozen. De organen die het vaakst worden aangestipt als de vaandeldragers van een Europese eenmaking (de Europese Commissie, het Europese Parlement) hebben de laatste jaren aan macht moeten inboeten. In hun plaats hebben zogenaamd ‘intergouvernmentele’ clubs à la de Eurogroep of de Europese Raad enorm aan macht gewonnen.

Telkens wanneer er in nationale parlementen belangrijke beslissingen dienen genomen te worden, wordt er door Europese leiders een bezoekje naar Brussel op de agenda gezet. In samenwerking met hun Europese partners wordt daar naar een ‘redelijke’ consensus gezocht, of het nu over het laatste rondje bezuinigingen in Griekenland of het controleren van vluchtelingenstromen aan de Turkse grens gaat.

Deze informele samenkomsten zijn nu het meest geprefereerde platform voor nationale elites om wetten door te voeren die ze in het eigen parlement niet eens aan de straatstenen kwijt zouden kunnen (een observatie die haar bewaarheid kent in de Franse arbeidswetten, die op Europees verzoek zijn ingevoerd).

Post-imperiaal dier

Bovenal bewijst het paradoxale karakter van de hedendaagse EU dan ook één politieke les: Europese elites kunnen niet meer alleen regeren. Ze hebben nood aan aan diplomatische schouderklopjes om hun eigen hulpeloosheid te verbergen. De Europese Unie wordt door zowel Herman Van Rompuy als Jean-Claude Juncker als een ideologieloos instituut opgeroepen, een Heilige Graal voor existentiële Europeanen. Voor zijn Remain-campagne liet David Cameron een hele legerschare aan bondgenoten opdraven, van de Amerikaanse president Obama tot de leiders van het Internationaal Monetair Fonds. Nog nooit was de internationale steun zo belangrijk voor binnenlands politieke imago.

De voorbije dagen werd het volgende refrein uitentreuren herhaald: de Brexitstem is racistisch, imperialistisch en kleinzerig. De doodskreet van een ziek post-imperiaal dier. Demografische cijfers compliceren de zaak enigszins. Het merendeel van de Brexit-stemmen kwam uit de arbeidersklasse. Klassieke Labour-zetels in het Noorden stemden Leave, tegen advies van het partijkader in. De geografische ongelijkheid tussen een machtige hoofdstad en periferie leek nooit explicieter.

Ieder kind weet dat de Britse hogere klasse geen nood heeft aan de EU om haar neoliberale wensdromen te vervullen. De Europese idee heeft in Engeland nooit als ideologisch substituut voor verloren eenheidsdromen gefungeerd. Alle loze beloftes die door het Leave-kamp werden aangekondigd kondigen zich nu al aan als goedkoop kiezersbedrog. Er komt geen extra geld voor de gezondheidszorg – bezuinigen is belangrijker voor de regering. Er komen geen immigratiecontroles – het Britse groeimodel berust op goedkope arbeidskrachten. Er komt geen ‘herstelde’ Britse soevereiniteit – Westminster heeft haar macht eigenhandig weggegeven aan een hele reeks organisaties, gaande van de NAVO tot internationale handelsconsortia. Het neoliberale fantasie-eiland dat door de Brexiteers aangekondigd werd openbaart zich als een fantastisch fata morgana.

Eén verschil met het Engeland voor de Brexit lijkt echter positief te zijn. Tussen de Engelse elite en haar electoraat staan nu geen gezichtsloze Brusselse bureaucraten meer. Hoe luid de roep om het ‘volk’ te ontbinden ook mag zijn, snel zal dat recalcitrante Engelse volk niet wijken.  Het oude Victoriaanse herenhuis dat ze samen bewonen, en dat nu op de rand van afgrond staat, zal niet genoeg hebben aan wat cosmetisch gemetsel. Sommige zaken, als Kurt Barthel reeds in 1953 opmerkte, laten zich inderdaad niet zomaar herstellen. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!