Umberto Eco en de dood

Umberto Eco en de dood

Umberto Eco heeft op 19 februari 2016 onze wereld verlaten op 84-jarige leeftijd. Zijn hoge leeftijd belette hem niet om zelfs in zijn laatste jaren nog enorm actief te zijn op literair vlak.

zondag 21 februari 2016 17:11

In deze bloemlezing zal ik niet ingaan op het leven van Eco, maar wil ik spreken over het literaire werk dat hij ons nagelaten heeft. De Italiaanse taalkundige liet ons in zijn geschriften een nalatenschap van pure pracht en kennis na. Een nalatenschap die bijna te groot is om volledig te bevatten. Zo schreef Umberto Eco meer dan 40 wetenschappelijk getinte boeken in diverse thema’s zoals filosofie, esthetica, semiotiek, wetenschapsgeschiedenis, mooiheid en lelijkheid.

Van een mythische pracht, en voor iedereen een goed en haalbaar startpunt om Eco te ontdekken, zijn de zeven romans die hij schreef. In deze afscheidswoorden sta ik stil bij deze zeven meesterwerken van Eco, maar ook bij één van zijn non-fictiewerken. Ik schenk bijzondere aandacht aan hun steeds actueel blijvende betekenis maar ook aan hoe Eco schreef over het thema “de dood”.

De naam van de roos

In 1980 verscheen de eerste roman van Umberto Eco, il nome della rosa, de naam van de roos in het Nederlands. Deze roman wordt nog steeds alom beschouwd als Eco’s magnum opus. Het is in ieder geval het boek waarmee het grote succes begon en waarmee de Italiaanse schrijver en professor wereldwijde roem oogstte. Via de methode van het boek-in-het-boek krijgt de lezer een verhaal voorgeschoteld dat hem verteld wordt door een onbekende onderzoeker, die in 1980 een geheimzinnig manuscript ontdekt dat gaat over een mysterie in een abdij in het dertiende-eeuwse Italië.

Al meteen in deze inleidende proloog van amper vijf bladzijden is de toon gezet – en de proloog beschouw ik dan ook als een voorbode voor Eco’s ganse werk en voor de overige zes romans die in de loop der jaren nog zullen volgen: Eco neemt zijn lezer mee op een fantasiereis tussen feit en fictie, hij zoekt het contrast op tussen zin en waanzin en dat alles in diverse historische settings die gekenmerkt worden door een haarfijn nauwkeurig realisme.

Al vanaf de eerste bladzijden zuigt Eco de lezer meteen mee in een wereld-die-ooit-was, “zo glorieus verstoken van aanknopingspunten met onze tijd, tijdloos vreemd aan onze verwachtingen en onze onzekerheden” (De naam van de roos, Bert Bakker, 1985, p. 11). Over de inhoud van het boek wil ik hier niet teveel prijsgeven, daarvoor kan ik u alleen maar het boek zelf aanprijzen. De naam van de roos wordt door velen een historische moordroman genoemd: binnen de muren van een abdij speelt zich een mysterieuze moord af, die op zeven dagen tijd opgelost worden door hoofdpersonage-speurneus William van Baskerville. Verwoven tussen en achter het hele detectiveverhaal zitten honderden verwijzingen naar literatuur, middeleeuwse geschiedenis, het christendom en zoveel meer. Het boek biedt zoveel tegelijk: iedereen kan op elke plaats wel een rake verwijzing vinden die hem aanspreekt. Voor mij persoonlijk is de laatste zin van het werk de sleutel voor het hele boek: “stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus” (Ibid., p. 522).

De roos van weleer bestaat als naam, we houden naakte namen over. Ook zo is het met de dood van Umberto Eco: zijn werk en zijn leven was zodanig uitgebreid dat het haast niet te vatten is door één mens, laat staan door de grote massa. Slechts weinigen (zeker ik niet) hebben het werk van Umberto Eco in zijn totaliteit gelezen en nog minder zijn in staat het tot op de bodem te bevatten. Toch blijft de naam Umberto Eco voor ons allen achter als een lichtbaken, een roos, een naakte naam, een symbool, een teken voor een verlichte geest die ons meesleepte in zijn werk. Een werk dat zijn eigen leven zal geen leiden en telkens anders geïnterpreteerd zal worden, niet meer als de Roos zelf, maar als de Naam van de Roos. Een roos van weleer.

De slinger van Foucault

In 1988 volgde dan il pendolo di Foucault, in het Nederlands vertaald als de slinger van Foucault. Eco zei er ooit zelf over dat hij – na het succes van de naam van de roos bij het brede publiek – er een minder toegankelijk werk van wilde maken, een grotere doorbijter, en dat is hem met zijn 654 bladzijden zeker gelukt.

Op intellectueel vlak is de slinger inderdaad minder toegankelijk dan de roos, maar het is pas echt in dit werk dat Eco ons zijn ware talent toont: het talent om complotten te bedenken, om ons complotten voor te spiegelen en zodanig echt te laten lijken dat we niet alleen twijfelen over de echtheid van het complot dat voorligt, maar ook over de echtheid van het werk dat voorligt en zelfs de echtheid van alles wat we dagelijks in de wereld meemaken.

Voor mij is de slinger vooral allegorie op de samenleving van de homo sapiens sapiens, op hoe wij trachten aan kennis te geraken en ermee omgaan. Dat alles weet Eco dan als een troubadour te verhalen tegen een historisch-mythologische achtergrond: de tempeliers, de Rozenkruisers, de heilige Graal, het occultisme, het kabbalisme, de vrijmetselaars, de jezuïeten, de illuminati, de …, de …,… Op meesterlijke wijze brengt hij elke stroming waar ooit een zweem van complot achter gezocht zou kunnen worden ten tonele, en rijgt alles aan mekaar tot één groot Plan, een complot dat de lezer meetrekt in een reis die hem achteraf met verstomming slaat en laat staan in het Franse Musée des Arts et Metiers. Ook hier verder niet teveel woorden over de inhoud: men kan dit boek niet samenvatten, men moet het lezen om erdoor aangeraakt te worden.

Hoe kan iemand een leven lang op zoek zijn naar de Gelegenheid, zonder te merken dat het beslissende moment, het moment dat geboorte en dood rechtvaardigt, al voorbij is? Het komt niet weerom, maar is geweest, onomkeerbaar, volledig, glanzend, gul als elke onthulling. Die dag had Jocopo Belbo de Waarheid in de ogen gezien. De enige die hem vergund zou zijn, want de waarheid waar hij achter kwam is dat de waarheid van zeer korte duur is (de rest is alleen commentaar). Dat was de reden waarom hij het ongeduld van de tijd trachtte te beteugelen. Dat had hij, toen, zeker niet begrepen.

En ook niet toen hij erover schreef of toen hij besloot er niet meer over te schrijven. Dat heb ik, vanavond, begrepen: een schrijver moet sterven opdat zijn waarheid tot de lezer doordringt” (De Slinger van Foucault, Bert Bakker, 2001, p. 645).

Het eiland van de vorige dag

Een derde roman kwam er in 1994 met l’isola del giorno prima, het eiland van de vorige dag en het was opnieuw een schot in de Roos. Deze derde is eigenlijk altijd al mijn persoonlijke favoriet geweest, misschien omdat het thema en de historische achtergrond mij net dat tikkeltje meer aanspraken dan de andere. Misschien omdat het taalgebruik en de woordspelletjes, net iets frisser zijn dan in de vorige twee romans.

Misschien wel omdat Eco in deze roman voor het eerst een nieuwe soort wereld beschrijft, met een meesterlijke eloquentie aan opsommingen van verre oorden, verlaten eilanden en mysterieuze poeders: zalfjes, verzachtingsmiddelen, affodilwortels, dragonbast en andere stoffen die weldadig waren voor de huid, gemaakt van reemerg en kamperfoeliewater.

Hij had smeersels om blond haar donker te maken, gemaakt van groene steeneik, rogge, malrove, salpeter, aluin en duizendblad, of om je huidkleur te veranderen, van koe, beer, ezelin, kameel, ringslang, konijn, walvis, roerdomp, damhert, boskat of otter. Alsmede oliën voor het gelaat, van storax, citroen, pijnboompit, olm, lupine, voederwikke en kekererwt, en een plank vol pisblazen om zondaressen maagdelijk te doen lijken. Voor wie iemand in zijn liefdesnet wilde vangen had hij addertongen, kwartelkoppen, ezelhersenen, moerbeziën, dassepoten, stenen uit adelaarsnesten, harten van talk vol met afgebroken naalden, en andere voorwerpen, gemaakt van modder en lood, die weerzinwekkend waren om te zien (Het eiland van de vorige dag, Bert Bakker, 1995, p. 420).

Het is een echte avonturenroman waarin we in de huid kruipen van de schipbreukeling Roberto de La Grive en zijn onwaarschijnlijke verhaal meevolgen. Het is in dit verhaal dat Eco zich opnieuw als de patroon van de verhalenwevers toont. Er is de geschiedkundige achtergrond van het zoeken naar de meridianen (lengtecirkels) om een nauwkeuriger scheepvaart mogelijk te maken, een zoektocht die zich afspeelt met als achtergrond de grote handelsmogendheden van de zeventiende eeuw die het geheim van de lengtegraden wetenschappelijk willen ontcijferen.

Daarbovenop komen dan de theologisch-wetenschappelijke discussies over de religieuze gevolgen van de lengtegraden: ergens op aarde moet een datumgrens liggen waarop de tijd 24 uur terugdraait. In een zeventiende eeuwse religieus-wetenschappelijke wereld zijn de gevolgen daarvan groot. De jezuïetenpater Caspar steekt de datumgrens over en verdwijnt dan ook uit vandaag: het nabijgelegen eiland is bijgevolg het eiland van de vorige dag.

Ook de zondvloed heeft God uitgevoerd met behulp van deze datumgrens om hoeveelheden water op magische wijze te vermenigvuldigen. Heel dit verhaal wordt vervolgens geplaatst tegenover het labiele karakter van het hoofdpersonage, die een al dan niet ingebeelde tweelingbroer blijkt te hebben, die zijn kwade kant verpersoonlijkt.

Eco zet de lezer continu op het verkeerde been over de (waan)zinnigheid van de personages, net zoals dat in de proloog op de naam van de roos ook al aangekondigd was. Doorheen het verhaal komt de continue verhouding tussen de drie spanningslijnen samen in een werk dat opnieuw getuigt van een meesterlijke pen. Tot slot uit dit werk een kleine passage over hoe het hoofdpersonage dacht over zijn eigen naderende dood: “Ik zal nog even moeten wachten, mompelde hij alsof hij bad. Binnen enkele dagen zal mijn nu nog gave lichaam van kleur veranderen en vaal worden als een kekererwt, en vervolgens zal het van top tot teen zwart worden en overdekt raken door een donkere gloed. Daarna zal het beginnen op te zwellen, en op die zwelling zal een stinkende schimmel ontstaan. En het zal niet lang duren of mijn buik zal hier een barst en daar een scheur gaan vertonen, waaruit etter naar buiten gulpt; en hier zul je een half wormstekig oog zien dobberen, en daar een flard lip. In dit slijk zal vervolgens een hoeveelheid kleine vliegjes en andere beestjes ontstaan die in mijn bloed zullen samenklonteren en me stukje bij beetje zullen verslinden. Een deel van deze wezens zal door mijn borst naar buiten komen; een ander deel, dat iets onbestemd slijmerigs heeft, zal uit mijn neusgaten druipen; anderen zullen, vastgekleefd in dat rot, door mijn mond in- en uitgaan en de meest verzadigde zullen via mijn keel weer naar beneden borrelen… En dit alles terwijl de Daphne gaandeweg het domein van de vogels wordt, en van het Eiland afkomstige kiemen er op dieren gelijkende planten zullen doen groeien die wortel zullen schieten in de durk en zich vervolgens zullen voeden met mijn lijkwater. Als ten slotte van mijn hele lichamelijke bedrijf in de loop der maanden en jaren – of wellicht eeuwen – nog louter gebeente over zal zijn, zal ook dit langzaam verworden tot poeder van atomen, waarop de levenden zullen lopen zonder te beseffen dat de gehele aardkloot, met zijn zeeën, woestijnen, wouden en dalen, niets anders is dan een levende begraafplaats.” (Het eiland van de vorige dag, Bert Bakker, 1995, p. 444-445)

Baudolino en De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen

Als vierde was er Baudolino, verschenen in 2000 en terug in de tijd gaand naar de dertiende eeuw. Opnieuw een spel van feit versus fictie, een al dan niet verzonnen personage, de Italiaanse boerenzoon Baudolino, heeft een al dan niet grote invloed op de keizer Frederik Barbarossa. Het is in dit werk dat Eco voor het eerst het mythische rijk van Presbyter Johannes prominent naar voren brengt, een thema waar hij in zijn latere boeken nog vaak op zal verder borduren. Misschien is dit ook een goede gelegenheid om een zij- en vooruitsprongetje te maken naar Eco’s in 2013 verschenen Storia delle terre e dei luoghi leggendari, in het Nederlands verschenen als De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen.

Het is een encyclopedie waarin Eco opnieuw speelt met de grenzen tussen feit en fictie. In deze encyclopedie beschrijft Eco allerlei fictieve en mythologische plaatsen, die de lezers van zijn 7 romans allemaal wel bekend in de oren zullen klinken: de Antipoden, de wonderen van de Oriënt, het rijk van Presbyter Johannes, het aards paradijs, Atlantis, Utopia, Terra Australis, het binnenste van de aarde,…

Het zijn allemaal niet-bestaande plaatsen die in de mythologie of in de wereldliteratuur uitvoering beschreven werden. Toch is het werk van Eco geen fictie, want het is een goed gedocumenteerd overzicht van al deze fictieve plaatsen. Het boek bevat bovendien honderden prachtige kleurenafbeeldingen en geciteerde passages uit beroemde literaire werken.

Als je het mij vraagt, is Eco nu ook onderweg naar zijn eigen imaginaire plaats, en nu bewondert hij de mythologische plaatsen waar hij met zoveel enthousiasme over schreef: “Er viel niet met hem te praten. De dag daarop omhelsde Baudolino Nicetas, diens gehele familie en zijn gastheren. Hij steeg met enige moeite te paard, en voerde een muildier mee met een heleboel proviand en zijn zwaard, vastgebonden aan het zadel. Nog één keer zwaaide hij, maar zonder zich om te draaien, en zo zag Nicetas hem in de verte verdwijnen, op weg naar het rijk van Priester Johannes.” (Baudolino, Bert Bakker, 2001, p. 471).

De mysterieuze vlam van koningin Loana

Maar laten we het verhaal van de zeven romans van de Grootmeester verzetten. In 2004 kwam Umberto Eco met het pareltje la misteriosa fiamma della regina Loana op de proppen, in het Nederlands vertaald als de mysterieuze vlam van koningin Loana. Alle traditionele uitgangspunten voor een schitterende Ecoroman zijn opnieuw verzameld.

Een historische achtergrond: het fascistische Italië van de twintigste eeuw. Een zijdelings verhaal-in-het-verhaal: de kindertijd van het hoofdpersonage die langzaamaan opnieuw beleefd wordt. Een hoofdpersonage dat bizar is in deze zin: Giambattista Bodoni is een zestigjarige Italiaanse antiquair die een zeer vreemd letsel heeft opgelopen: door amnesie is hij al zijn herinneringen aan zichzelf vergeten. Hij herinnert zichzelf niet meer. In de spiegel ziet hij enkel een bleke oude man met een ingevallen gezicht. Zijn vrouw met wie hij jarenlang getrouwd is, is voor hem een vreemde. Zijn jeugdvrienden, zijn werk, zijn (mogelijke?) maîtresses,…: hij herinnert zich niemand meer. Wat hij zich nog wel herinnert, is elk boek dat hij ooit gelezen heeft, en als antiquair zijn dat best wel wat boeken. Hij kan nog moeiteloos citeren uit alle grote romans uit de geschiedenis.

De paralellen tussen Bodini en Eco zijn nu wel heel makkelijk te trekken. Eco voert dit hoofdpersonage op als alter-ego van zichzelf en de eindeloze dozen vol nostalgie die het hoofdpersonage herontdekt op zolder, zijn rechtstreeks afkomstig uit het persoonlijke archief van Umberto Eco zelf. Dit maakt de roman ook meer een collage, een bundeling van krantenknipsels, oude tijdschriften, stripverhalen en –magazines, postzegels, cartoons, pamfletten en posters.

Het maakt het verhaal tot een erudiete evocatie van andermans nostalgie. Wanneer Bodini in het laatste hoofdstuk opnieuw in een coma lijkt beland te zijn, mijmert hij in comateuze toestand over zijn lot: is hij nu dood of niet? “Then I must be dead and the afterlife is this calm, dull zone in which I will relive my past life eternally, and tough luck if it was terrible (that will be hell), otherwise it will be paradise. Oh come on! Say you were born hunchbacked, blind, and deaf-mute, or that the ones you loved died like flies around you, parents, wife, five-year-old son – does that mean that your afterlife will be nothing but the repetition, varied but continuous, of all you suffered in your earthly life? That hell is not les autres, but the trail of death we leave alive? (…) Maybe I am not dead. If I were, I would feel no wordly passions, no love for my parents or anxiety about the bombings. To die is to remove oneself from the cycle of life and from the beatings of one’s heart. No matter how hellish hell might be, I would be able to observe from sidereal distances what I myself have been. Being flayed in boiling pitch is not hell. You reflect on the evil you have done, you can never again free yourself from it, and you know it. But you would be pure spirit. Whereas I not only remember but also experience nightmares, affection, and delight. I cannot feel my body, but I still remember it, and I suffer as if I had it still. The way someone who has had a leg amputated can still feel it ache” (The mysterious Flame of queen Loana, Vintage, 2006, p. 308). En als het hoofdpersonage helemaal op het einde sterft: “I feel a cold gust, I look up / Why is the sun turning black?” (The mysterious Flame of queen Loana, Vintage, 2006, p. 449).

De begraafplaats van Praag

Hoewel de mysterieuze vlam op dat ogenblik misschien wel gezien kon worden als het literaire testament van Umberto Eco (de man was bij het verschijnen ervan al de 70 gepasseerd), kwam er in 2010 toch nog een nieuw groot werk uit: il cimitero di Praga, naar het Nederlands vertaald als de begraafplaats van Praag. Het is met recht en rede opnieuw een magnum opus te noemen.

Na de zijsprong van de mysterieuze vlam – een boek dat toch net iets persoonlijker was, meer de memoires van Eco leken te zijn en waar het geschiedkundige toch net iets meer naar de achtergrond was verwezen ten koste van het nostalgische – sluit de begraafplaats van Praag opnieuw helemaal aan in het rijtje van de roos, de slinger, het eiland en Baudolino.

Opnieuw slaagt Eco erin om met een spitsvondig gevonden karakter van een hoofdpersonage voor de dag te komen, de schizofrene meester-vervalser Simone Simonini, die in een bepaalde historische periode wordt geplaatst om opnieuw een complottheorie op te bouwen die een potpourri is van vrijmetselaars, satanisten, jezuïeten, carbonari, republikeinen en Joden. Umberto Eco past in dit verhaal toe wat hij ons geleerd heeft op het einde van de roos (stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus): al deze groeperingen van mensen worden niet bekeken als individuen apart, maar als stromingen op zich.

De gebeurtenissen zelf maken niet meer uit, het is onze definitie die we aan de gebeurtenissen geven, die de geschiedenis bepaalt. Voor de lezer die niet bekend is met het werk van Eco, kan het boek heel fel antisemitisch overkomen, omdat Eco net alle vooroordelen gebruikt om een schizofrene Franse complotdenker te schetsen. Hokjesdenken noemen we het tegenwoordig: elk individu wordt gereduceerd tot het karakter van de bevolkingsgroep waartoe het behoort. En daarvoor weet Eco in de begraafplaats een zeer ruwe en rauwe vertelstijl te hanteren. De Joden? “Grootvader vertelde me over hun ogen die je beloeren, ogen waar je bleek van wegtrekt, over hun valse glimlachjes, hun lippen die ze als hyena’s over hun tanden omhoog krullen, die dreigende, kwaadaardige, dierlijke blikken van ze, die altijd zo gekweld, door haat gedolven plooien tussen hun neus en lippen, die neus van ze, net de bek van een tropische vogel… En hun ogen… o, die ogen… Ze draaien, met hun iris in de kleur van geroosterd brood, koortsig alle kanten op en verraden ziektes van een lever die is aangevreten door de secreties van een achttien eeuwen durende haat” (De begraafplaats van Praag, Prometheus, 2011, p. 11-12). De Duitsers? “Het allerlaagste soort dat je je maar kunt voorstellen. Een Duitser produceert gemiddeld tweemaal zoveel feces als een Fransman. Hyperactiviteit van de darmfunctie ten koste van die van de hersenen, een duidelijk bewijs van hun fysiologische inferioriteit” (Ibid., p. 12). Het boek is mede zo fantastisch en zal altijd actueel blijven omdat het op virtuoze wijze een verhaal schetst van hoe haat tegen bevolkingsgroepen ontstaat bij de mens zelf en hoe deze haat op het moment zelf altijd als vanzelfsprekend wordt beschouwd.

Dit is de grote kracht van de epossen van Eco: de man houdt je een spiegel voor van allerlei beschavingen en maatschappijen uit vervlogen tijden, om je tot het besef te laten komen dat de wereld en de mensheid heden ten dage misschien helemaal niet zoveel veranderd zijn als we allemaal gedacht of gehoopt hadden. Het is het laatste grote werk van de grootmeester: “En terwijl ik al niet meer zie, ervaar ik plotseling het meest ontstellende en onbeschrijflijke en onverdraaglijke gevoel van mijn leven, alsof al het bloed in mijn aderen opeens uit een wond van elk van mijn totaal verkrampte ledematen spuit, en uit mijn neus, mijn oren, mijn vingertoppen, zelfs mijn anus, help, help, ik geloof te begrijpen wat de dood is waar elk levend wezen voor wegvlucht, uit een onnatuurlijk instinct om zijn zaad te vermenigvuldigen, ook al is hij er tevens naar op zoek… / Ik kan niet meer schrijven, dit is niet langer een herinnering, ik herbeleef het, het is een ondraaglijke ervaring, kon ik alles maar weer vergeten…” (Ibid., p. 436).

Het  nulnummer

Geheel onverwacht kwam er vorig jaar dan nog een zevende roman, numero zero en bij ons vertaald naar het nulnummer. In diverse opzichten verschillend van de vorige zes, in diverse opzichten zeer gelijkend. Anders dan de vorige romans van Eco is het een zeer vlot en makkelijk toegankelijk boekje – met zijn 223 bladzijden in een groot lettertype is het werkje op één dag zelfs te lezen – gepubliceerd in januari 2015 en al verschenen in Nederlandse editie in maart van datzelfde jaar. Wie opnieuw een groots historisch werk verwachtte, is eraan voor de moeite. Met de roos, de slinger, het eiland en de begraafplaats hebben we de grote werken gehad, en het nulnummer is meer een tussendoortje dat niet meer aan het uitmuntende niveau kan tippen van deze meesterwerken, maar daarom toch niet minder doordrongen is van de kenmerkende Ecostijl.

Inhoudelijk is het werk vermakelijk (met zelfs grappige personages) en raakt Eco opnieuw maatschappijkritische thema’s aan, dit keer wel heel dichtbij, gezien het boek vooral kan gelezen worden als een aanklacht tegen de recente Italiaanse media en zelfs tegen Silvio Berlusconi persoonlijk: “wij zijn de krant van de groenen toch niet! Onze lezers dienen te worden gerustgesteld, niet gealarmeerd” (Het nulnummer, Prometheus, 2015, p. 73) en “(…) ‘Sorry Lucidi, maar je prachtartikel kan de prullenbak in.’ / ‘Bedoelt u dat we bij elk artikel moeten checken of het de Commandeur al dan niet aantstaat?’ vroeg Cambria, die zoals gewoonlijk weer uitblonk in het stellen van domme vragen. ‘Allicht,’ zei Simei, ‘hij is onze referentieaandeelhouder, zoals dat heet.” (Ibid., p. 78).

Toch kan deze roman ruimer geïnterpreteerd worden als een spiegel tegen de kracht van de media, van vooroordelen en van de manier waarop verhalen en roddels hun eigen leven kunnen gaan leiden en een waarheid kunnen worden. Daarom past hij ook met recht en rede als waardige Ecoroman in de rij van zeven. Eindigen doe ik hier met de laatste woorden van Eco in het nulnummer, een tekenend citaat voor zijn belezen en citerende schrijfstijl, maar vooral een symbolisch citaat voor het feit dat hij ondanks zijn dood een ware nalatenschap aan kennis achterlaat voor ons: “Morgen (zoals Scarlett O’Hara zei – weer een verwijzing, ik weet het, maar ik zie er verder vanaf in de eerste persoon te spreken en laat alleen anderen aan het woord) begint er weer een nieuwe dag. Het eiland San Giulio zal opnieuw schitteren in de zon.” (Ibid., p. 223).

Bart Wouters

20-21 februari 2016

Referenties:

  • Umberto Eco, De naam van de roos, Bert Bakker, 1985.
  • Umberto Eco, De Slinger van Foucault, Bert Bakker, 2001.
  • Umberto Eco, Het eiland van de vorige dag, Bert Bakker, 1995.
  • Umberto Eco, Baudolino, Bert Bakker, 2001.
  • Umberto Eco, The mysterious Flame of queen Loana, Vintage, 2006 (*)
  • Umberto Eco, De begraafplaats van Praag, Prometheus, 2011.
  • Umberto Eco, De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen, Prometheus en Bert Bakker, 2013.
  • Umberto Eco, Het nulnummer, Prometheus, 2015.

(*) Het citaat uit de mysterieuze vlam van koningin Loana is om geen bijzóndere reden de Engelstalige versie, maar simpelweg omdat ik enkel over een Engelstalige versie van het werk beschik.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!