Fernand Huts
Opinie - An De Bischop

“Liever democratie dan het mecenaat van Huts en Tuymans”

"De plek van kunst en cultuur in een democratie is veel gelaagder dan een rijke kwast die investeerinkjes doet in de kunsten, en een kunstenaar die deze maar al te graag aanneemt.", stelt An De Bisschop. In een open brief richt ze zich tot Luc Tuymans en Fernand Huts.

donderdag 18 februari 2016 10:16

Beste Fernand Huts,
Beste Luc Tuymans,

Met toenemende verbazing las ik jullie interview in De Standaard Magazine. ‘Onthecht’ is het meest positieve woord dat in me opkomt om jullie pose en argumenten te omschrijven: onthecht van het leven van de gewone man, onthecht van de realiteit in het kunstenveld in Vlaanderen die voor het merendeel van de kunstenaars de realiteit is, en onthecht van de waarde van democratische besluitvormingsprocessen en de betekenis van cultuur als sociaal grondrecht.

Vooreerst moet het me van het hart dat dit interview bijzonder arrogant overkomt, voor elke kleine mens die ook kunstliefhebber is en vooral voor elke kunstenaar die momenteel hoopt op subsidies, net nu de préadviezen uit het Kunstendecreet verspreid zijn.

Want weet u, die subsides maken voor sommigen werkelijk het verschil uit, zowel vanuit een toeschouwers- als makersperspectief. Maar jullie bekommeren zich daar niet om, integendeel.

Als ik u mag geloven meneer Tuymans, dan gaat het er “eens je bekend en beroemd bent, zoals in my world, niet meer zo sympathiek aan toe”. Minder sympathiek dus dan aan de onderkant van de ladder, waar kunstenaars gezellige theekransjes houden bij gebrek aan inkomsten of betaald werk?

En u, mijnheer Huts, maakt graag eens het grapje dat u “het voordeel heeft gepercipieerd te worden als zeer sympathiek”, goed wetende dat u daardoor met opzet een nog minder sympathieke pose aanneemt. Maar wat kan het u ook schelen? U heeft geld, bezit een hele ‘natie’, en krijgt nu zelfs nog een microfoon om uw hobby -beleggen in kunst- af te schilderen als heroïsche daad richting de kunsten en tegenover een compleet falend kunstbeleid. Ik begrijp dan ook vooreerst niet dat u opgevoerd wordt in de pers als het over kunst gaat. Van uw eruditie terzake moet u het niet hebben, want mocht een museumdirecteur met uw vijf criteria1 aan de slag gaan, zijn museum zou meteen failliet gaan bij gebrek aan visie –echt efficiënt beleid kunt u dat dan toch niet noemen?

Kortom, ik lees geen visie of criteria over wat het waard is kunst te noemen in de superdiverse en geglobaliseerde wereld van vandaag, enkel criteria die u misschien helpen om uw beleggingen of investeringen in de kunst te stroomlijnen. Nu zou ik dat laatste aanmoedigen –beter in kunst investeren dan in gevechtsvliegtuigen, het had ook gekund- maar het geeft u niet de pauselijke allure die u zich graag aanmeet, toch niet op vlak van kunst en al zeker niet op vlak van democratische besluitvorming over kunstsubsidies of de werking van onze musea.

Citroenen en peren

Jullie zijn het er blijkbaar roerend over eens dat onze publieke instellingen hun grip op de beeldende kunst verliezen –de administraties zijn onaangepast aan deze eeuw, de musea zijn verrot, we hebben nood aan een ‘efficiënter’ beleid, enzoverder- maar de enige remedie die werkelijk naar voren geschoven wordt is een grotere armslag voor en dus ondersteuning van privé-investeringen zoals die van Fernand Huts.

Het mecenaat moet zo georganiseerd worden dat het “een bepaald privilege krijgt”, zegt Luc Tuymans. Misschien bestaat het mecenaat net bij gratie van het ‘overschot’ dat al aanwezig is, niet? En zou het eventueel kunnen dat u, mijnheer Huts, als ‘beschermheer van de schone kunsten’, nu precies die kunstenaars uitkiest die niet echt bescherming nodig hebben in financiële zin? U verraadt het eigenlijk zelf, zeggende dat u een Tuymans-investering gemist hebt toen die nog betaalbaar was. Dus het zijn allemaal zeer vage grenzen tussen belangeloos schenken met als doel kunstenaars te ondersteunen, optreden als sponsor waarbij je je naam gekoppeld wil zien aan producties of werken, of investeren in kunst waarbij je minstens je kapitaal wil bewaren en waar mogelijk zien vermeerderen. Maar alle vormen hebben één ding gemeenschappelijk: er is hier voldoende financiële armslag voor handen.

Misschien is het dus niet prioritair hierop in te zetten in een democratisch systeem dat al zeer veel omgekeerde herverdeling in het leven heeft geroepen de jongste jaren? Misschien kunnen we eens denken in functie van de gewone man in de straat die nooit of te nimmer een echt kunstwerk kan aankopen maar afhankelijk is van die ‘verrotte’ musea om schilderijen, hedendaagse beeldhouwkunst, en grafische ontwerpen te kunnen zien?

Ik stel dan ook vooreerst voor dat we de logica der subsidies niet op zijn kop zetten, en ze blijven zien als een herverdelend systeem dat, binnen een democratie, zorgt voor een grotere toegang van een grotere groep mensen tot kunst beleven, op actieve wijze als maker of op passieve wijze als toeschouwer. Kortom het mecenaat is uiteraard waardevol, maar moet niet met subsidies, belastingaftrek of privileges gehonoreerd worden, omdat het helemaal geen herverdelende logica in zich draagt. We moeten citroenen niet verkopen voor peren.

Mister of Culture

Direct verband houdend met jullie voorstel tot privileges voor milde schenkers aan de kunsten, is uiteraard jullie visie op de inefficiënte bedrijfshuishouding van het democratisch georganiseerde beslissingsapparaat in de kunsten. “De kunstwereld heeft entrepreneurschap nodig. Tak-tak-tak! Snelle beslissingen, niet teveel vergaderen en palaveren, ” zegt Fernand Huts. Want als hij kunst koopt dan gaat dat zo: “geen commissie, geen inmenging van iemand anders, gene zever, ik beslis.” Maar wie zou in een democratisch bestel de zonnekoning zijn die zomaar eigengereid zijn vijf bijeen gesprokkelde criteria kan toepassen in de veronderstelling dat hij daarmee voor een hele bevolking spreekt? Deze manier van beslissen is goed voor mensen met monopolies en veel geld, maar niet voor mensen die publieke middelen beheren.

En ja, er valt veel te zeggen over de zware administratie en overgeprofessionaliseerde subsidiesystemen waardoor kunstenaars in feite vooral beslagen moeten zijn in dossiers schrijven en boekhouding, willen ze in aanmerking komen voor subsidies. Maar dan toch veel liever een transparant en op democratische dialoog gebaseerd systeem, dan een ‘Mister of Culture’ die één keer om de zoveel jaar uit zijn space-shuttle komt gekropen om het leven op aarde te dirigeren terwijl hij verder in de ruimte leeft.

Commune

Ik was evenwel verheugd te lezen dat jullie beiden -ondanks voorgaande kritiek- pleiten voor meer subsidies voor de cultuursector, want zoals je terecht zegt is de cultuursector relatief gezien het grootste slachtoffer in onze recente besparingsdrift.

Het probleem zit hem dus ook in de totale verdeling van de subsidiepotten –op niveau van de staatsbegroting. Dit heeft met zeer veel te maken, met ideologie en politieke kleuren, met ‘draagvlak’ ook wil men ons laten geloven. Maar jullie beseffen toch dat je met dit soort uitspraken precies het draagvlak ondergraaft voor de cultuursector, dat je met het tweede gezicht van je januskop probeert te verdedigen? Of is de interne tegenspraak in jullie discours je nooit opgevallen?

In elk geval, hoe je vanuit deze gedachte de overstap maakt naar het ideaal van de foundations in de States, mijnheer Tuymans, is me compleet onduidelijk. Deze foundations, zo zegt u, “doen het ten minste nog en ze zijn altruïstisch”. Maar wat is een foundation anders dan een baronie op zichzelf die de macht in handen houdt en zich bijgevolg onttrekt aan het democratisch spel terzake? Of hun verzamelingen dan publiek toegankelijk zijn of niet, doet er zelfs niet toe. Het gaat om de beslissingen die genomen worden door enkele, gelijkgestemde zielen.

Wat mij betreft zijn alle foundations die investeren in kunst toe te juichen, maar ze kunnen onmogelijk de democratische ruimte verdringen, waarin de discussie over de waarde van kunst en cultuur ten eerste via tegensprekelijke dialoog gevoerd wordt, en ten tweede in functie van de totale bevolking bepaald wordt.

En dus, we zijn de Verenigde Staten niet, op vele vlakken niet, maar zeker niet op vlak van publieke investeringen in sociale grondrechten –waarvan ‘het recht cultuur en maatschappelijke ontplooiing’ er één is.

Voor de goede verstaander, een sociaal grondrecht is niet individueel afdwingbaar maar houdt in dat een samenleving zich dient te engageren, dit recht voor elke burger waar te maken. Een samenleving dus, voor elke burger. En niet een zelfgeorganiseerde commune, voor enkelen, eventueel met wat extra toeschouwers. Dat we met deze democratische logica niet meer mee kunnen in de top van de wereldwijde kunstmarkt, lijkt me niet eens zo problematisch. In elk geval is de slechts denkbare oplossing dat we de kunstmarktlogica aannemen voor imaginaire grondtoon, en ons democratisch bestel daarnaar plooien. Deze bubbel, zo zegt u immers zelf mijnheer Tuymans, kan ook wel eens ontploffen. En over de besparingen en politieke chaos die dergelijke ontplofte bubbels met zich meebrengen, hoef ik jullie niet te onderhouden.

Verlichtingsidealen

Op de ladder van de ontmanteling van de democratische traditie inzake kunst en cultuur, scoorde Luc Tuymans toch de overtreffende trap. U zegt dat “het kunstenaarschap historisch uit de Renaissance stamt. Toen hebben de warlords –de bankiers en maffiosi van die tijd- en de kunstenaar elkaar gevonden. Een kruisbestuiving waaruit ons volledig cultuurmodel is ontstaan. Dus die terugkeer is op zich nog zo slecht niet.” Ik neem aan dat er enkele zinnen tussenuit vielen in het transcriberen van het interview, maar met deze redenering vliegen we wel heel erg uit de bocht.

Voor de Renaissance geen gedegen kunstenaars? Dat verraadt dan toch een erg enge visie op kunst en kunstenaarschap. Ach de oude Grieken waren maar prutsers, en dus -o ironie- ook de door Gaius Cilnius Maecenas himself ondersteunde kunstenaars waren jammerlijk te vroeg geboren voor de kunst. Ons cultuurmodel is er bovendien ook helemaal niet enkel op gericht om de meest getalenteerde kunstenaars ‘te onderhouden’, het is er ook op gericht om cultuur voor iedereen toegankelijk te maken en de esthetische ervaring te cultiveren –die al zo lang bestaat als de mens zelf.

Maar vooral, neem nu nog dat de kunstenaar in de Renaissance geboren werd door de grootse weldaden van maffiosi en bankiers, moeten we daarvoor terug naar die tijd? Ik neem even de redenering over, en stel vast dat de handwerktuigen geboren werden in de oertijd, dus willen we recht doen aan ons dagelijks keukengerei, dan kunnen we best terug gaan leven als wilde stammen. Te gek voor woorden, toch?

Vooraleer we dus Maffiosi uit Sicilië laten overvliegen om onze kunstsector te redden, of nog erger onze banken en bedrijven aansporen tot het creëren van nog meer superwinsten die vervolgens met mondjesmaat in kunst kunnen geïnvesteerd worden, stel ik voor dat we toch even wat gas terugnemen en ons bezinnen over de waarde van onze democratische geschiedenis op vlak van kunst en cultuur. Want misschien is het een kwestie van beschaving dat er geen maffiapraktijken en banken-monopolies moeten voorafgaan aan het valideren, als samenleving, van de waarde van kunst voor elke mens? Zou dat niet kunnen?

De plek van kunst en cultuur in een democratie gebaseerd op de Verlichtingsidealen lijkt me immers fundamenteel te verschillen van een model waarin grootkapitaal en kunst elkaar voortdurend handjes schudden, omdat ze iets van elkaar nodig hebben. Dat is wat ik denk.

Maar verder, de synergie tussen jullie beiden leest ook mooi in het interview. Ik zou durven wedden dat mijnheer Huts ooit nog wel een Tuymans op de kop zal kunnen tikken.

An De Bisschop is docent aan de School of Arts in Gent

1 Voor wie het interesseert, deze vijf criteria zijn “het moet wetenschappelijk in orde zijn, technologisch avant-garde, de persoon met wie we samenwerken moet creatief zijn, het moet ondersteund worden door entrepreneurschap en er moet een duidelijke band met Vlaanderen zijn”.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!