Opinie -

Op zoek naar de waarheid achter armoede

Tijdens de 'inleefweek armoede' in Gent kunnen mensen en gezinnen even voelen wat het betekent om arm te zijn. Maar hebben we dat echt nog nodig om eindelijk iets te doen aan armoede, vraagt Francine Mestrum zich af.

dinsdag 1 december 2015 14:58

Deze week wordt in Gent een ‘inleefweek armoede’ georganiseerd. Aan gewone mensen en gezinnen wordt gevraagd een week lang te ‘doen alsof’ ze arm zijn en met een zeer beperkt budget rond te komen. Nu kan zo’n week soberheid, precies op het ogenblik dat in Parijs een belangrijke klimaatconferentie begint, beslist geen kwaad. We zijn het aan onszelf en de hele mensheid verplicht om sober te leven, altijd. Als instrument in het armoedebeleid kunnen bij deze inleefweek wel vragen gesteld worden.

Armoede is een vreemd verschijnsel, in tal van opzichten. Arm zijn mensen die met een té klein inkomen moeten zien rond te komen, en daar vaak niet in slagen. Dat leidt tot allerhande vervelende gevolgen, stress en bestaansonzekerheid in de eerste plaats, maar ook te weinig gezondheidszorg, te weinig begeleiding voor de kinderen op school, slechte huisvesting en vaak maatschappelijke uitsluiting. Het vreemde is dat hoewel onze samenlevingen de afgelopen honderd jaar ettelijke keren rijker zijn geworden, we nog steeds meer dan 10 procent arme mensen tellen in de welvarende West-Europese landen. Sinds de economische crisis en de besparingen op het sociaal beleid is de armoede zelfs weer aan het groeien.

Een tweede merkwaardig gegeven is dat het armoede-onderzoek in dit land ook bijzonder goed is ontwikkeld. Alle bekende en minder bekende aspecten en dimensies van armoede worden onder de loep genomen en cijfermatig weergegeven. Niets ontsnapt nog aan de aandacht. In vergelijking daarmee is het onderzoek naar rijkdom en naar rijke mensen erg verwaarloosd. Daarnaast kent België een bijzonder rijk verenigingsleven voor en met arme mensen en wordt er elk jaar op 17 oktober wereldwijd een dag lang gefocust op armoede. Kortom, aan aandacht zeker geen gebrek.

Toch gaat het met de armoedebestrijding niet echt de goede kant op. Wie zich afvraagt hoe dat komt, vindt al gauw een hele resem drempels, niet in het minst de altijd onder de oppervlakte blijvende ideologische meningsverschillen over armoede. Iedereen is het er over eens dat armoede de wereld uit moet, maar hoe dat kan gebeuren, daar bestaan wel degelijke grote discussies over. Nochtans lijkt één enkele maatregel me als een paal boven het veel te diepe water te staan: geef alle arme mensen een uitkering die hoog genoeg ligt om een waardig leven te leiden, koppel daar niet al te veel stigmatiserende voorwaarden aan en, mocht dat niet voldoende zijn om alle problemen op te lossen, schakel dan de zeer degelijke maatschappelijke werkers in die ook nu al hard werken om mensen bij te staan. Maatschappelijke werkers en armoedeverenigingen kunnen echter geen uitkeringen geven, en zolang arme mensen geen inkomen hebben, blijven ze arm. Het is alsof er geen enkele politieke bereidheid is om de armoede echt op te lossen. Nochtans kost dit nauwelijks een paar miljard euro.

Een biecht

De inleefweek zal daar weinig aan veranderen. Wat is de bedoeling? Men wil niet-arme mensen laten ‘ervaren’ wat het is om met te weinig inkomen te leven. Als mensen eens zelf meemaken wat het is te moeten kiezen tussen tandpasta of een brood kopen, tussen vlees of groenten eten, de kinderen een speeltje of wat snoep te moeten weigeren, ja, dan … ja, wat dan? Dan zullen ze zich inzetten voor een beter beleid, dan zullen ze zelf iets geven voor de voedselbank …

Maar de armoedeverenigingen oefenen nu al heel wat druk uit op de regeringen, zeer terecht. En het kan natuurlijk geen kwaad om het draagvlak voor hun eisen te versterken, maar verandert het echt iets? Komt er een oplossing dichterbij?

Het lijkt er op dat men nog steeds bezig is met het zoeken naar de diepere waarheid achter armoede, dat men wil weten wat het nu eigenlijk wel is, hoe arme mensen dat doen, jaar in jaar uit. Aan arme mensen wordt voortdurend gevraagd te komen ‘getuigen’, alsof we niet weten dat je als alleenstaande met 60 euro in de week onvoldoende ruimte hebt. Arme mensen moeten komen vertellen hoe ze dat doen, hoe moeilijk het is, en wat de maatschappelijk werker goed of slecht heeft gedaan. Hoewel we perfect weten dat armoede slechts de wereld uit kan met voldoende inkomen – en met openbare diensten – blijven we toch speuren naar een diepere waarheid, alsof we nooit voldoende weten.

Foucault sprak in dat verband over de ‘bekentenis’, de biecht als het ware die arme mensen moeten spreken om zich bekend te maken, om gehoord te worden, om een waarheid te doen ontstaan. Arme mensen hebben geen stem, zo wordt gezegd, en dus moeten ze hun stem laten horen, pas dan zullen we weten wat we voor hen kunnen doen. Zo wordt een kennis opgebouwd over de armen, en het is die kennis die dan moet worden verspreid bij anderen. Maar het is een instrument om kennis én macht te produceren, zo stelt Foucault. Het is een ritueel waarin diegene die spreekt ook spreekt over zichzelf. Het is een therapeutische oefening waarin niets van het privé-leven verborgen mag blijven en waarin diegene die luistert ook zal oordelen. Het is de niet-arme die aan de arme vraagt hem te zeggen wie hij is, wat hij doet, hoe hij leeft, maar de macht om die woorden uit te leggen ligt bij de niet-arme.

In de inleefweek zegt de niet-arme tegen de arme: zie je wel, ik begrijp je, ik leef zoals jij, ik besef wat je ervaart. En ook al duurt die proef maar één week lang, de niet-arme spreekt zichzelf vrij, hij heeft niets met die armoede te maken, integendeel hij toont er juist alle begrip voor en wil nog dieper in de leefwereld van de arme graven. De niet-arme is bang van de armoede, maar overwint die angst met compassie en bewondering.

De biecht, de bekentenis, is in het westen, aldus nog Foucault, het instrument bij uitstek geworden om de waarheid te produceren. De arme overleeft met een bedrag waarmee je niet kán overleven, en toch doet hij het. Dat geheim willen we hem ontfutselen, en daarom willen we doen ‘alsof’, en kunnen we tegelijk de arme een beter leven voor ogen houden én onszelf vrij pleiten. De armoede bestaat slechts echt, zo lijkt het, als we ze zelf – eventjes – aan den lijve ondervinden. De waarheid over armoede ontstaat bij de ander, en de arme zelf, die blijft een ander.

Empathie

Empathie, zo zegt het woordenboek, is het vermogen om je in te leven in de wereld van een ander, om mee te voelen, de emoties te delen, zonder te oordelen. Daar lijkt het in de inleefweek om te gaan.

Die empathie is mooi meegenomen om een gevoel van saamhorigheid te ontwikkelen, om te doen alsof de ‘ander’ eventjes geen ‘ander’ is, om de inter-individuele relaties warmte in te blazen, maar is die empathie ook wat nodig is voor het beleid van de armoedebestrijding?

Door het voor te stellen alsof we doen ‘alsof’ wordt de arme echter juist in zijn anders-zijn bevestigd. Wij zetten weliswaar een stap in zijn richting, maar zeggen er wel bij : ‘voor eventjes’, we willen het weten. Wij zijn anders, wij zijn niet-arm en jij bent wel arm, we gaan even doen alsof we gelijk zijn. De arme, zo lees ik op internet, weet dan dat hij niet alleen staat, dat anderen met hem meevoelen. Maar het blijven ‘anderen’, hij hoort niet bij hen, en zij horen niet bij hem. Er zijn armen en er zijn niet-armen, daar verandert niets aan. En of die niet-armen ook de ‘kwetsuren binnenin’ zullen voelen, dat is zeer de vraag. Ik denk het niet. De arme mag even doen alsof hij er bij hoort, maar blijft eenzaam achter met zijn echte pijn. Want ‘alsof’ blijft ‘alsof’.

Empathie is tof als bindmiddel in de samenleving, schreef Wim Vermeersch in Samenleving en Politiek, enkele maanden geleden. Als politieke leidraad is ze echter problematisch. ‘Ze werkt alleen voor diegenen in onze nabijheid, en reikt amper verder dan diegene die naast ons staat, op ons lijkt en zich gedraagt zoals wij’. Empathie gaat onvoldoende breed en onvoldoende diep. Wie de armoede wil uitroeien en een solidaire sociale bescherming wil uitbouwen, zal noodgedwongen gebruik moeten maken van een onpersoonlijke overheid. ‘Georganiseerde, koude solidariteit is daarom het enige alternatief voor manipuleerbare, warme empathie’.

Een inleefweek kan helpen om mensen eventjes dichter bij elkaar te brengen, de indruk te wekken dat we samen zijn, zonder de tegenstellingen en de ongelijkheid te laten verdwijnen. Vandaar dat empathie niet efficiënt is.

Het kan zijn dat sommige mensen onvoldoende beseffen wat het betekent om ‘arm’ te zijn. Maar moeten ze dat weten? Kunnen ze zonder dat besef niet akkoord gaan met een degelijk armoedebeleid, met fatsoenlijke uitkeringen, met professioneel maatschappelijk werk? Moet ik persoonlijk, allerindividueelst ‘ervaren’ wat armoede is om akkoord te gaan met een beleid ertegen?

Moet ik de klimaatverandering ‘ervaren’ vooraleer ik kan instemmen met een echt klimaatbeleid? Moet ik terrorisme ‘ervaren’ vooraleer ik akkoord ga met terrorismebestrijding?

Besluit

Dit land telt veel te veel arme mensen. We hebben ook degelijke onderzoekers die kunnen uitzoeken wat er, naast de uitkeringen, nog kan gedaan worden om het leven van arme mensen te verbeteren. En we hebben armoedeverenigingen die arme mensen ondertussen in hun dagelijkse leven kunnen bijstaan.

Ik twijfel er aan of inleefweken nuttig zijn. Zeker, ze kunnen geen kwaad, tenzij ze de deelnemers de indruk geven dat ze ook echt iets veranderen. Want dat doen ze niet.

Armoede heeft in deze rijke samenleving geen enkel bestaansrecht. De enige echte eis voor de overheid betreft een voldoende hoge uitkering waarmee mensen boven de armoedegrens kunnen komen. En goede maatschappelijke werkers, maar die hebben we al. En misschien wat onderzoek naar de rijke mensen en de niet-armen.

Francine Mestrum
Global Social Justice

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!