Ondertussen in de crèche

Ondertussen in de crèche

dinsdag 8 september 2015 11:36

Vorige week startte onze tweeling van 20 maanden in de kinderopvang die we anderhalf jaar geleden hadden vastgelegd. Een periode van zekerheid brak aan, na een lange periode van schipperen.

We legden een hobbelige weg af voor we bij de crèche terecht konden. Nadat we ons inschreven op de wachtlijst en een borgsom van 200 euro per kind betaalden, moesten we meer dan een jaar wachten op ons plekje. Ondertussen vonden we opvang voor onze tweeling bij een unie van welwillenden – een onthaalmoeder in de buurt die een occasioneel opvangplan voor ons in elkaar had kunnen boksen, een niet-werkende oma, de werkende ouders van mijn vriend die hun vakantiedagen inruilden voor de snottebellen van onze jongens, mijn werkzoekende zus, haar vriendin die in het avondonderwijs werkt. Enzovoort.

Toen we startten met de opvang berekende de verantwoordelijke van het kinderdagverblijf voor ons de respijtdagen. Dit zijn de dagen die een kind tegoed heeft om afwezig te zijn in het kinderdagverblijf – de term houdt zowel snipperdagen als ziektedagen in. De regel werd ingevoerd om invloed uit te oefenen op ouders die hun kind zonder gegronde reden uit een inkomensgerelateerde crèche weghouden. Kind en Gezin wilde zo twee dingen vermijden. Enerzijds dat de crèche minder inkomsten ontvangt, omdat minder kinderen worden opgevangen. Anderzijds is het lege zitje niet te verantwoorden tegenover de mensen die op de wachtlijsten staan en die plaats hard nodig hebben.[1] En dat zijn er heel wat.

Kinderen die voltijds naar de opvang komen, hebben minimum recht op achttien respijtdagen. Dat is minder dan de twintig vakantiedagen waarop voltijdse werknemers recht hebben. Voor mensen in het onderwijs, die niet te kiezen hebben, geldt een aparte regeling, waarover de crèche zelf mag beslissen. De crèche sluit dan een overeenkomst met de ouders af, die logischerwijs relatief in het voordeel van de kinderopvang is. Als ex-wachtlijstbezetter heb je immers weinig marge om te onderhandelen. Wij tekenden vorige week een contract waarop staat dat onze jongens dit jaar maximum twee en een halve dag zonder betalen afwezig mogen zijn, uitgezonderd de schoolvakanties (herfst- en kerstvakantie). 

Waarop er eentje 39,1 graden koorts kreeg. Mijn vriend en ik voelden het heet worden onder de voeten. Als we in week één onze respijtdagen erdoor jagen, wordt deze herfst nog spannend. Een ziek kindje betekent een hoop ellendigheden: het doktersbezoek, geregel voor een alternatieve opvangplek, een verhoogd risico om zelf ziek te vallen (vorige winter zijn we familiaal vijf keer aan buikgriep ten onder gegaan en weer opgestaan) en nu dus ook: betalen.

De prijs voor de zekerheid van de opvang, die betalen we. Want de opvang is goed, onze tweeling vindt het geweldig en het schipperen vermoeide ons. Maar of die prijs hoog is, onrechtvaardig hoog – dat vind ik wel.

[1] Het plan werd in het voorjaar van 2014 bekend gemaakt door Kind & Gezin en de leden van het Raadgevend Comite?, Martine Lemonnier, Voorzitter Gezinsbond, Socialistische Mutualiteit, Vlaams Welzijnsverbond, SOM (PPJ), Landelijke Kinderopvang, Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, Solidariteit voor het Gezin, Kind en Preventie, Unieko, Unizo, KULeuven, RUGent, ABVV, LBC-NVK, BBTK, ACLVB, ACV en ACW. Hoewel Gezinsbond mee aan de wieg stond van het nieuwe decreet, zijn de 18 dagen volgens de bond te weinig. Ze berekenden dat voor heel wat gezinnen dit een extra kost betekent van 500 euro per jaar.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!