Eriek Verpaele, tedere schrijver op de pechstrook van het leven

Hij droeg een hoed maar schreef over kleine mensen en over de dingen die voorbijgaan. Met Eriek Verpale stierf op 10 augustus 2015 een tedere en lieve man, maar ook een auteur die totaal ten onrechte in de vergetelheid sukkelde. Al wist hij zelf al: ‘En als we dood zijn / groeit er gras op onzen buik / gras op onzen buik.’

maandag 17 augustus 2015 15:33

Onze eerste ontmoeting dateert van 2008. Ik zwoegde aan mijn
labyrintisch relaas van socialistische burgemeesters, bezettingen en
fabrieksstakingen, gipsbergen en slibstorten, mémékes die weigeren gemeentetaks
te betalen en de opkomst van de nieuwlichters van de PVDA, bref aan wat Ik was
nog nooit in Zelzate geweest
moest worden, en wilde hem daar dolgraag een rol in
geven. Tenslotte ging het boek over het dorp waar hij geboren en getogen was.

We hadden afgesproken in café Napoleon, op wandelafstand van
de Zelzaatse Grote Markt, die eigenlijk een Lange Markt is. Het was een
februariwoensdagochtend, het miezerde, mijn bus had door een accident in
Wachtebeke een uur vertraging, en ik moest dringend naar de WC. Maar bovenal
was ik onmiskenbaar nerveus: ik hou niet zo van ontmoetingen met schrijvers die
ik graag lees. Op papier zijn ze doorgaans beter.

Eriek Verpale, in Zelzate gewoon Eric met korte i en c, was
anders. We rookten sigaretten en hij vertelde over de liefjes die hij in de
loop van de jaren had ontvangen op zijn appartementje naast de dokters van
Geneeskunde voor het Volk, waar mijn boek deels over ging: de altijd
blootsvoets lopende Boes, de broodmagere Kookske, de ‘pijnlijk mooie’ Lotte en
Anniekske Boetiekske. ‘Anniekske Boetiekske’, grijnsde hij, ‘was het mooiste
meisje van Zelzate.’

Toen ik hem twee interviews later vertelde over mijn
initiële nervositeit keek hij nauwelijks verrast: hij was evenmin een sociaal
beest. Dat ik er in één adem aan toevoegde dat mijn ongemak nog vergroot werd omdat
ik me op ‘zijn terrein’ begaf, deed hem dan weer hard lachen. Alsof hij ervan
droomde de geschiedenis in te gaan als chroniqueur van Zelzate! Eriek
Verpale speelde in een andere competitie dan veel van zijn collega-literatoren:
het circus van ego’s en agenda’s was hem vreemd.

Nette armoede

De auteur met de hoed werd in 1952 uit een werkmansbroek geschud.
Vader  was vrachtwagenchauffeur bij een
bierbrouwerij – vandaar de vele ‘werkbezoeken’ aan staminees, ook na zijn uren.
Moeder moest zich als kuisvrouw ‘het vel van de knieën dweilen’ op het kasteel
van de rijke familie Swann. ‘Nette armoede’ voor de enen, protserige rijkdom
voor de anderen: al op jonge leeftijd wist hij hoe de samenleving in elkaar
zat.

Dat maakte hem geen schrijver die de mensen een geweten
schopte, daarvoor was hij te veel scribent van zijn ziel, te veel verslaggever
van zijn queeste naar het Ultieme Meisje. Maar het was duidelijk voor wie zijn
hart klopte. De jonge Arnon Grunberg, die hem in 1993 voor de Nederlandse krant
NRC kwam interviewen, vertrouwde  hij toe
papieren monumenten te willen oprichten voor ‘de mislukkelingen, de losers, de
gekwetsten en de verminkten’.

En hij koos niet alleen kant in zijn boeken. Toen de Orde
van Geneesheren in 1998 ‘zijn’ PVDA-dokters wilde schorsen trok hij mee naar de
rechtbank. ‘Profiteer maar van de zieken, vul uw zakken maar via de farma-industrie’,
blafte hij tijdens een indrukwekkende rede die veel van een J’accuse had. ‘Maar
zolang ik leef zal ik in woord en geschrift uw houding aanklagen en zal ik
blijven ijveren voor het principe van gratis geneeskunde voor het volk.’

Moeder Zulma, wijk De
Katte en de usine de merde

Eriek Verpale had naar eigen zeggen geen fantasie. En dus
schreef hij verhalen neer waar hij niet lang naar moest zoeken, histories die
gewoon voor het oprapen liggen, zoals een verloren want op straat. Over zijn
tragische liefdes, uiteraard. Maar ook over het café van Moeder Zulma, over
wijk De Katte, zijn werk bij de usine de merde aka het Teerkot. Of over de
Jiddische literatuur die hij als zijn broekzak kende, het resultaat van opgroeien bij zijn Joodse grootmoeder.

Met Alles in het klein, Olivetti 82, en Katse nachten raakte
hij in de jaren negentig bekend bij een breed publiek. Kenmerkend was zijn
volkse stijl, vaak vol schuine grappen die de grootste tristesse opvrolijkten.
‘Mijn lief die is van Ronse / en ik, die ben van Gent / Ik pak heur bij heur
sponse / en zij pakt mijnen end’, laat hij ergens in Olivetti 82 de nonkel van het hoofdpersonage zingen. 

Of in Grasland: ‘En mijn lief, dat is geen sluure / want ze
heeft hem liever in heur gat / dan in heur uure.’

Na de eeuwwisseling werd het erg stil rond Eriek Verpale. Er
verschenen geen boeken meer van zijn hand, al is het onduidelijk of hij daar nu wakker van lag. Nog voor
zijn eerste successen liet hij optekenen zijn bekomst van
publiceren en uitgeven te hebben. ‘Ik wil gewoon schrijven, en laat
het dan desnoods brieven zijn die alleen door jullie worden gelezen’, zo staat het al
in Alles in het klein.

‘Godverdoemme! Godmiljaar!’

Een paar jaar geleden zag ik hem voor het laatst. Het
Klara-programma Babel had ons naar
aanleiding van een theaterstuk van het KIP gevraagd voor een reportage in ‘t fabrieksdorp. Verpale maakt een verwarde indruk.
In een café legde hij een pistool op tafel, ‘want ge weet nooit tegenwoordig in
Klein Rusland’. Hij kloeg over de toegenomen onveiligheid. ‘Klein-Rusland en de
Katte, die twee samen, dat noem ik Klein-Sicilië. Dat komt door de clangeest.
Er heerst hier een sterke clangeest. Ik zeg niet: maffia. Maar clangeest.’

Toen we tweeënhalf uur later terug aan zijn auto kwamen vond
hij z’n sleutels niet meer. Tien minuten alle zakken aftasten. ‘Godverdoemme!
Godmiljaar!’ Hij was ervan overtuigd dat de schoffies van de wijk hem een loer
hadden gedraaid. Met z’n drieën kamden we alle bosjes van de buurt uit. Maar
zijn sleutels zaten uiteindelijk waar ze al die tijd gezeten hadden: op z’n
deur. Een modderfiguur? Hij vond het niet erg en stond minutenlang te hikken van het lachen.

Zo was Erik Verpale. Ik zal hem missen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!