Sokrates spreekt de menigte toe op zijn proces

Kritiek en censuur in de oudheid: het verhaal van Sokrates

Aangewakkerd door enkele dramatische gebeurtenissen laaide de discussie over de grenzen van de vrije meningsuiting recentelijk weer helemaal op. Is het vrije woord heilig of dient een maatschappij de vrijheid van meningsuiting enigszins in te perken om de orde te bewaren en het harmonieuze samenleven te faciliteren? Ook in de klassieke oudheid werd reeds met dit vraagstuk geworsteld. In het geval van Sokrates zelfs met bijzonder tragische afloop.

vrijdag 20 maart 2015 12:49

Bij
heel wat mensen doet de naam Sokrates wel een belletje
rinkelen. Velen leggen zelfs spontaan de link tussen Sokrates en de
oude Griekse filosofie. En dat is natuurlijk terecht. Vanwege zijn
vernieuwende en consequente kritische houding kan Sokrates in zekere
zin beschouwd worden als een vader van de Westerse wijsbegeerte.
Sokrates zelf zette echter nooit een letter op papier – daar zijn
althans geen sporen van. Maar hij gaf ook geen les in de traditionele
zin van het woord. Neen, meer dan tweeduizend vierhonderd jaar
geleden wandelde Sokrates simpelweg rond in de Griekse stadstaat
Athene, op zoek naar gesprekspartners. Sokrates stelde immers vragen
en hij onderzocht. Door middel van gesprekken deed hij mensen inzien
dat de algemeen aanvaarde opvattingen niet noodzakelijk de juiste of
de goede waren en dat ze met behulp van zelf verworven inzicht en
redelijke argumenten betwijfeld kunnen worden. Dit was natuurlijk een
doorn in het oog van verschillende machthebbers in de stad, die
gebaat waren bij een status quo op sociaal en cultureel vlak. Een
deel van de elite probeerde dan ook vele jaren lang om Sokrates de
mond te snoeren door hem belachelijk te maken en hem weg te honen.
Sokrates veranderde echter nooit iets aan zijn opmerkelijke
levenswandel en zijn kritische ingesteldheid. Op zeventigjarige
leeftijd werd hij daarom aangeklaagd en zelfs veroordeeld tot de
doodstraf met de gifbeker, waaraan hij overleed. Als gevolg daarvan
kan men Sokrates vandaag nog steeds beschouwen als een symbool van
verzet en als een martelaar van de vrije meningsuiting.

Ten
tijde van Sokrates leefde ook de veertig jaar jongere Plato in
Athene. Beide liepen elkaar geregeld tegen het lijf en Plato raakte
na verloop van tijd zo sterk onder de indruk van Sokrates, dat hij
besloot om zijn leven te wijden aan de filosofie. Het is vooral via
Plato’s magistrale werken dat we ons vandaag een beeld kunnen vormen
van de historische figuur Sokrates. Plato schreef namelijk dialogen
en liet zijn grote inspirator daarin geregeld optreden als personage.
Een belangrijke tekst in dit verband is echter de Apologia, die
uitzonderlijk geen dialoog maar nagenoeg een monoloog vormt. In de
Apologia wordt door Plato geschetst hoe Sokrates zichzelf verdedigde
op het proces dat tegen hem werd aangespannen. Sokrates diende
op het einde van zijn leven te verschijnen voor een jury, nadat zijn
tegenstanders hem hadden aangeklaagd voor handelingen die men
onaanvaardbaar achtte. Men verweet Sokrates dat hij te veel zaken
onderzocht, dat hij twijfelde aan het bestaan van de goden, dat hij
goedpraatte wat eigenlijk fout was en dat hij de jeugd ook nog eens
bedierf door hen al deze dingen bij te brengen. Daarop probeerde
Sokrates de argumentatie van zijn aanklagers te doorprikken en de
beschuldigingen vakkundig te weerleggen. Dat was geen eenvoudige
opdracht aangezien Sokrates de perceptie tegen had. Een groot deel
van de aanwezigen op het proces werd reeds van kindsbeen af
geconfronteerd met spottende en afkeurende verhalen over Sokrates,
die daardoor in vele middens bekend stond als een geducht redenaar
die ervan hield om mensen te misleiden.

Plato’s
beschrijving van het proces vangt aan op het moment dat Sokrates de
menigte begint toe te spreken. Sokrates steekt daarbij van wal met de
bewering dat er van het hele betoog van zijn aanklagers – dat net
achter de rug is en kennelijk erg overtuigend gebracht werd –
eigenlijk helemaal niets klopt. Van hemzelf zouden de toehoorders
daarentegen enkel juistheden te horen krijgen. Voor een redenaar moet
het namelijk een erezaak zijn om de waarheid te vertellen, net zoals
het voor een rechter een erezaak moet zijn om zaken te beoordelen op
hun rechtvaardigheid, aldus Sokrates. Iets later stelt hij dat het
slechte imago waarmee hij te kampen heeft eigenlijk louter te wijten
is aan een bepaalde vorm van wijsheid die hij ooit verwierf. Op een
dag had het orakel van
Delphi – waar de uitspraken van de Griekse god Apollo door een
priesteres werden geopenbaard – namelijk beweerd dat niemand wijzer
was dan Sokrates. Toen Sokrates dit vernam, was hij absoluut
verbijsterd. Hij besefte immers dat hij helemaal nergens wijs in was.
Het orakel moest zich wel
vergist hebben, dacht hij. Sokrates vatte het plan op om de twijfel
weg te werken en aan te tonen dat het orakel
het bij het verkeerde eind had. Daarvoor zou hij zijn toevlucht nemen
tot de meest wijze mensen van Athene. Met hen zou hij een discussie
kunnen voeren, waaruit vervolgens snel zou blijken dat hij
intellectueel de mindere was en dat het orakel
zich dus vergist had.

Sokrates
wendde zich allereerst tot een gerespecteerd politicus en begon de
man vragen te stellen. Daarbij viel het Sokrates op dat de politicus
niet enkel door de omstanders erg wijs geacht werd, maar dat hij
vooral ook zichzelf erg verstandig leek te vinden. Op basis van het
vraaggesprek diende Sokrates echter te besluiten dat de politicus
misschien wel dacht wijs te
zijn, maar dat hij het eigenlijk niet was. Sokrates kwam namelijk tot
de vaststelling dat er heel wat belangrijke zaken waren waarover
hijzelf, noch de politicus iets noemenswaardig wist. Maar in
tegenstelling tot Sokrates, die goed besefte dat hij over bepaalde
zaken niets kon weten, dacht de politicus er wel allerlei waardevolle
dingen over te weten. En in een situatie waarin men iets niet weet,
achtte Sokrates het veel verstandiger om ook daadwerkelijk in te zien
dat men niet weet, dan om te denken dat men wel weet. Daarom moest
Sokrates toegeven dat hij zichzelf toch net iets wijzer vond dan de
politicus.

Nadat
Sokrates via het stellen van vragen had aangetoond dat de befaamde
politicus eigenlijk niet zoveel wist als hij dacht te weten, en dus
ook niet zo wijs was als algemeen aangenomen werd, reageerde de
meerderheid van de toehoorders verbolgen en zelfs kwaad. Zij keerden
zich evenwel niet tegen de politicus, maar tegen Sokrates. Dit stemde
Sokrates bedroefd, maar toch zette hij zijn onderzoek verder en
richtte hij zich tot anderen die wijs geacht werden, zoals schrijvers
bijvoorbeeld. Het resultaat was echter steeds hetzelfde en Sokrates
wekte enkel meer wrevel op bij de bevolking. Finaal zou hij zich tot
de handwerklieden richten. Zij wisten duidelijk dingen die Sokrates
niet wist, maar ze begingen aan het einde van de rit toch dezelfde
vergissing als de schrijvers. Omdat ze zo behendig en deskundig waren
in het uitoefenen van hun eigen vak, gingen ze er verkeerdelijk
vanuit dat ze ook kennis bezaten over de meest uiteenlopende andere
dingen die niets met hun vak te maken hadden. Sokrates werd met
andere woorden telkens geconfronteerd met mensen die dachten dat ze
kennis bezaten over dingen waarover ze in feite niets konden weten.
En omdat Sokrates zelf nooit dacht of pretendeerde dingen te weten
waarover hij in werkelijkheid niets wist, vond hij zijn eigen houding
getuigen van meer wijsheid. Zodoende was hij er dan ook niet in
geslaagd om de bewering van het orakel
te weerleggen.

Omdat
Sokrates met zijn onderzoek duidelijk morrelde aan de macht en het
aanzien van zijn gerenommeerde opponenten, zouden zij snel een hekel
aan hem krijgen. Om Sokrates’ invloed te fnuiken, verspreidden zij al
gauw heel wat lasterlijke verhalen over hem. Het is op die manier dat
Sokrates zijn kwalijke reputatie verwierf. Tegelijkertijd kreeg hij
echter ook het etiket van wijze opgekleefd. Telkens Sokrates
aantoonde dat een bepaalde redenering mank liep of geen steek hield,
veronderstelde een deel van de toehoorders dat hij een specialist was
in de betreffende materie. Maar het enige wat Sokrates probeerde, was
om logisch en consequent te redeneren zonder idee-fixen of taboes.

Uiteindelijk kwam
Sokrates tot de conclusie dat een van de goden, Apollo, via het
orakel geprobeerd moest hebben om duidelijk te maken dat de
menselijke wijsheid niet veel voorstelt in vergelijking met de
goddelijke wijsheid. Dat in de spreuk van het orakel precies naar
Sokrates verwezen werd, diende slechts om met een concreet voorbeeld
te beklemtonen dat de grootst mogelijke wijsheid die voor de mensheid
te bereiken valt, bestaat in het inzicht dat haar wijsheid sterk
beperkt is. Volgens deze redenering was de meest wijze mens dan ook
diegene die besefte dat hij niet zo heel veel weet. Nadat Sokrates de
ware toedracht van de spreuk begrepen dacht te hebben, beschouwde hij
het als zijn plicht om de godheid
te assisteren bij het verspreiden van zijn boodschap. Daartoe zou hij
op aarde trachten aan te tonen dat de zogenaamde wijzen in feite niet
zo bijster wijs waren. Sokrates nam deze opdracht dermate ernstig dat
hij nauwelijks nog tijd had om op andere vlakken iets opmerkelijks te
verwezenlijken. Naar verluidt leefde hij in grote armoede, droeg hij
steevast dezelfde lompen en zwierf hij blootsvoets door de straten
van Athene om zijn missie te volbrengen.

Een
heel aantal jongeren vond het bijzonder boeiend – en waarschijnlijk
ook wel grappig – om te horen en te zien hoe Sokrates zijn
gesprekspartners ondervroeg en in het nauw dreef. Deze jongeren
volgden Sokrates zoveel mogelijk op zijn weg, zodat ze het
intellectuele steekspel van dichtbij konden meemaken. Vervolgens
ontmoetten ze op hun eigen pad zelf ook verschillende figuren die de
waarheid meenden te verkondigen. Het gevolg daarvan laat zich
natuurlijk raden. Beïnvloed als ze waren, begonnen de jongeren
eveneens mensen te ondervragen en hen het vuur aan de schenen te
leggen. Dit werd hen meestal niet in dank afgenomen. De misnoegde
gesprekspartners richtten hun toorn echter niet op de jongeren zelf,
maar wel op Sokrates, die zij beschouwden als de bron van alle kwaad.
Sokrates had na verloop van tijd zoveel invloedrijke mensen tegen
zich in het harnas gejaagd, dat ook het aantal kwalijke verhalen dat
over hem de ronde deed niet meer bij te houden viel. Zoals gezegd
leidde dit uiteindelijk zelfs tot een aanklacht en een proces.

In
zijn verdedigingsrede probeerde Sokrates de roddels en
beschuldigingen aan zijn adres zorgvuldig te ontkrachten. Zo toonde
hij onder meer aan dat hij wél in de goden van Athene geloofde. Dat
leed overigens weinig twijfel, maar werd door zijn aanklagers
voornamelijk aangevoerd om hem in een slecht daglicht te kunnen
stellen. Sokrates wist evenwel dat hij het proces niet zou kunnen
verliezen op basis van zijn vermeende ongelovigheid, maar wel op
basis van zijn slechte reputatie. Men kan zich nu afvragen waarom
Sokrates doorheen zijn leven niet beter op zijn hoede is geweest voor
de schade die zijn reputatie hem uiteindelijk kon berokkenen. Door
wat meer op de achtergrond te blijven en wat minder mensen voor het
hoofd te stoten, had hij zichzelf heel wat ellende kunnen besparen.
Maar Sokrates hield zich niet bezig met het afwegen van risico’s en
al helemaal niet met het naar de mond praten van prominente burgers.
Het enige waar het hem om te doen was, was rechtvaardigheid en het
goede handelen. Een mens die ook maar iets voorstelt, is namelijk
niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen, zelfs niet als de
dood daarbij op de loer ligt. Neen, zo’n mens houdt zich slechts
bezig met de rechtvaardigheid van zijn daden. Een belangrijk aspect
van het goede of rechtvaardige handelen bestond voor Sokrates in het
gehoorzamen van zijn meerderen. Deze meerderen konden zowel mensen
als goden zijn, maar Sokrates sloeg deze laatste groep duidelijk
hoger aan. En het was nu
eenmaal een godheid die hem had aangezet tot het belijden van de
filosofie en het onderzoeken van zichzelf en alle anderen. Aan
zo’n opdracht kon hij als gewone sterveling gewoonweg niet verzaken.
Tot het einde van zijn dagen zou hij zich daarom onverstoorbaar
wijden aan het prikkelen van zijn medeburgers. Dat het goede leven
niet draaide om geld, macht en aanzien, maar wel om inzicht, waarheid
en vervolmaking van de ziel, was de boodschap die hij daarbij actief
uitdroeg. “Een leven zonder onderzoek is het niet waard om
geleefd te worden”, luidt dan ook de beroemde uitspraak die aan
Sokrates wordt toegeschreven en die in de Apologia terug te
vinden valt. Voor hem bestond er doodeenvoudig geen andere optie dan
het openlijk, kritisch en vrijuit analyseren en bediscussiëren van
maatschappelijke ideeën en problemen.

Met
een bijzondere vergelijking verzocht Sokrates de jury ten slotte om
hem te beschouwen als een geschenk van god. Sokrates vergeleek
zichzelf namelijk met een stekende horzel die door een god op aarde
was gezet en die de stad op de huid diende te kleven. De stad
vergeleek hij dan weer met een groot en edel maar log paard, dat soms
de stekende sporen in de zij moet voelen om gestimuleerd en
vooruitgedreven te worden. Het was daarom in dienst van god en in het
algemeen belang dat hij zich bezighield met het opwekken, berispen en
aansporen van individuele burgers, stelde hij. Hierna riep Sokrates
de jury op om hem te sparen, maar hij hield er rekening mee dat men
zou reageren als iemand die in zijn slaap gestoord wordt en
geïrriteerd in het rond begint te slaan. In dat geval zou men hem
gewoon ter dood veroordelen om nadien weer rustig verder te kunnen
slapen.

En
zo geschiedde. Sokrates werd met een kleine meerderheid van de
stemmen veroordeeld en als sanctie werd de doodstraf voorgesteld.
Sokrates weigerde aanvankelijk een tegenvoorstel te formuleren,
hoewel dat toegestaan was. Hij wist namelijk totaal niet welke straf
iemand verdiende die ervoor gekozen had om zijn leven te wijden aan
iets anders dan aan het gangbare ambiëren van politieke of militaire
functies en het nastreven van financieel gewin. Eigenlijk, wierp
Sokrates de jury vervolgens toe, verdiende een arme stakker zoals
hij, die zijn leven vrijwillig wijdde aan het algemeen belang, het om
uitgenodigd te worden in het prytaneion,
een plek waar burgers met bijzondere verdiensten te eten kregen op
kosten van de gemeenschap. Sokrates weigerde resoluut om voor
zichzelf een celstraf, een hoge geldboete of een verbanning voor te
stellen, hoewel de kans groot was dat hij er daardoor beter vanaf zou
komen. Hij achtte zich namelijk nergens schuldig aan en vond het
daarom onrechtvaardig om een straf te suggereren en berouw te tonen.
Iets later zou Sokrates dan toch een geldboete van één luttele mina
voorstellen, wat binnen zijn uiterst kleine budget paste en waarvan
hij naar eigen zeggen geen nadeel zou ondervinden. Enkele vrienden
van Sokrates, onder wie Plato, zagen in dat de jury deze voorstellen
van Sokrates vermoedelijk interpreteerde als een erg misplaatste
blijk van spot en arrogantie. Ze overtuigden Sokrates er daarom van
om ondanks alles toch een boete van dertig mina voor te stellen,
waarvoor zij dan borg zouden staan. Dit mocht evenwel niet baten en
met het nogmaals uitspreken van de doodstraf werd het lot van
Sokrates definitief bezegeld.

Sokrates
leek niet verbaasd te zijn door deze uitspraak. Bang om te sterven
bleek hij evenmin. Indien hij angst zou koesteren voor de dood
betekende dat namelijk dat hij zou denken dat hij iets wist over iets
waarvan hij eigenlijk geen flauw benul had. Zoiets beschouwde hij als
domheid van de ergste soort. Later voegde hij daaraan toe dat de dood
volgens hem maar twee dingen kon betekenen. Ofwel zou de overledene
geen enkel besef meer hebben en opgaan in een soort van niets, ofwel
zou de ziel van de overledene, zoals in sommige mythes werd beweerd,
verhuizen naar een andere plaats. Beide waren prima voor Sokrates. In
het ene geval zou hij nergens last van hebben en in het andere geval
zou hij op zijn nieuwe plaats kunnen doorgaan met het ontmoeten en
bevragen van anderen, wat hem een prettig vooruitzicht leek.

Voor
Sokrates was het uur gekomen om te gaan. Voor hem leidde de weg nu
naar de dood, de andere aanwezigen bleven op het pad der levenden.
Wie de beste toekomst wachtte, was een geheim voor iedereen, behalve
voor de goden van Athene.

Deze tekst werd
gebaseerd op Plato’s Apologia Sokratous,
vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf:

Plato,
Warren, H. (vert.) en Molegraaf, M. (vert.), 2012. Apologia
Sokratous. In: Plato, H. Warren (vert.) en M. Molegraaf, 2012. Plato.
Verzameld Werk I.
Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, pp. 283-317.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!