V.l.n.r. Vranken, Van Parijs, Mouffe, Goris (foto: Hans Moyson)

Mouffe, Vranken en Van Parijs over ongelijkheid: een verslag

Vorige week vrijdag (13/02) vormde het Brusselse Kaaitheater het decor voor een groot debat over sociale ongelijkheid en de crisis van de democratie. Onder leiding van MO-hoofdredacteur Gie Goris werden deze kwesties belicht door Chantal Mouffe, Jan Vranken en Philippe Van Parijs. We zetten de standpunten die door deze befaamde academici verkondigd werden kort uiteen.

donderdag 19 februari 2015 20:24

Kloof
tussen arm en rijk nooit groter

Alvorens
de drie sprekers met elkaar in debat konden treden, werd hen elk
twintig minuten de tijd gegund om zichzelf in te leiden en de eigen
theoretische positie af te bakenen. Jan Vranken, die als socioloog
aan de Universiteit Antwerpen jarenlang werkte rond armoede,
ongelijkheid en sociale uitsluiting, was als eerste aan zet. Hij
opende zijn betoog met de stelling dat de kloof tussen arm en rijk in
de Europese Unie nooit groter was dan vandaag. Daarom is het volgens
hem de hoogste tijd dat de beleidsmakers hier aandacht aan besteden.
Vervolgens haalde Vranken het werk van de Franse econoom Thomas
Piketty aan om erop te wijzen dat sociale ongelijkheid geen
ongelukkig toeval is, maar een inherente eigenschap van het
kapitalisme – dat vandaag trouwens in de eerste plaats een
‘patrimoniumkapitalisme’ blijkt te zijn, waarbij rijkdom vooral
overgeërfd wordt. Deze inzichten leken Vranken te brengen tot de
conclusie dat het kapitalisme hervormd moet worden. Daarnaast
wees hij er wel op dat de inkomensongelijkheid in België niet
gestegen is zoals in andere landen, maar dat ze min of meer gelijk
bleef of zelfs wat teruggeschroefd werd, wat uitzonderlijk is en te
danken zou zijn aan onze sociale voorzieningen.

Verwijzend
naar het onderzoek van de Britse academici Richard Wilkinson en Kate
Pickett voerde Vranken daarna aan dat een vergroting van de sociale
ongelijkheid leidt tot een vergroting van heel wat maatschappelijke
problemen. Een grotere sociale ongelijkheid zou meer bepaald leiden
tot meer geweld, meer drugsmisbruik, meer opsluitingen, minder hechte
sociale relaties, minder sociale mobiliteit, een slechtere
lichamelijke gezondheid, een lagere levensverwachting, enzovoort.

Hoewel
men het uiteraard erg vaak over inkomensongelijkheid heeft als
men over sociale ongelijkheid nadenkt en discussieert, mag men
volgens Vranken echter niet vergeten dat er ook andere belangrijke
vormen van ongelijkheid zijn, zoals bijvoorbeeld de grote verschillen
in status en macht die we aantreffen in onze samenleving. Ook het
fenomeen armoede wordt volgens Vranken vaak niet helemaal correct
begrepen. Dikwijls legt men de klemtoon namelijk uitsluitend op een
gebrek aan economische middelen. Vranken zelf beschouwt armoede
daarentegen als een netwerk van uitsluitingen en als een
multidimensioneel
fenomeen dat zeker niet te beperken valt tot haar economische aspect.
Belangrijk aan zijn opvatting is ook dat hij er expliciet van uitgaat
dat mensen die in armoede leven de kloof waarmee ze te kampen hebben
niet op eigen kracht kunnen dichten.

Eindigen
deed Vranken zijn betoog met enkele cijfers. Zo wees hij erop dat er
in de Europese Unie vandaag tachtig miljoen mensen in financiële
armoede verkeren. Indien men iets andere parameters hanteert en niet
enkel focust op financiële armoede, dan blijkt zelfs dat
honderdtwintig miljoen mensen, goed voor vierentwintig procent van de
Europese bevolking, het risico lopen op armoede en uitsluiting, wat
natuurlijk erg veel is. Indien de huidige trends zich doorzetten,
aldus Vranken, zal de armoede in 2020, wanneer de Europese Commissie
haar Europa 2020 doelstellingen hoopt te bereiken (o.a. het aantal
mensen voor wie armoede dreigt met twintig miljoen reduceren), niet
verminderd zijn maar gestegen met een procent of vijf.

Ongelijkheid
meestal onrechtvaardig: remedies

De
internationaal gekende Brusselse filosoof Philippe Van Parijs begon
zijn uiteenzetting met de vraag of de globale ongelijkheid wel
degelijk gestegen is. Van Parijs beantwoordde deze vraag al gauw zelf
door te stellen dat dat inderdaad het geval is, indien men tenminste
kijkt naar de inkomensongelijkheid tussen de afzonderlijke landen.
Indien men daarentegen de inkomensongelijkheid tussen mensen
onder de loep neemt, dan blijkt die globaal gezien gedaald te zijn,
wat enerzijds te verklaren valt door de migratiegolven die
plaatsvonden (heel wat mensen migreerden naar landen met hogere
lonen) en anderzijds door de economische opmars van landen met een
enorme bevolking, zoals China en India (waar de lonen van miljoenen
mensen stegen).

Een
tweede vraag die door Van Parijs gesteld werd, is of ongelijkheid
eigenlijk altijd onrechtvaardig is. We leerden vervolgens dat dat wat
hem betreft zeker niet het geval is. Van Parijs acht ongelijkheid
namelijk niet onrechtvaardig wanneer beginposities gelijk zijn en
ongelijkheid resulteert uit persoonlijke keuzes, of wanneer
ongelijkheid resulteert uit het profiteren van incentives die
uitgekeerd worden voor het verrichten van moeilijke of minder
gegeerde jobs in het algemeen belang. Het merendeel van de bestaande
ongelijkheden kan echter niet op basis van deze criteria
gerechtvaardigd worden en is dus onrechtvaardig, aldus Van Parijs.
Daarom moet een manier gevonden worden om die ongelijkheden op te
heffen. Van Parijs’ eigen voorstel hiertoe beslaat vier pijlers: 1)
de strakke greep van het intellectuele eigendomsrecht verminderen, 2)
van ieder leven een ‘lerend leven’ maken, waarbij de werktijd verkort
wordt en mensen zich op allerlei vlakken kunnen blijven ontwikkelen,
3) de publieke ruimte omvormen tot ruimte waar maximaal genoten kan
worden van immobiliteit (autovrij maken, ‘slow life’) en 4)
het invoeren van een zo hoog mogelijk en duurzaam basisinkomen op een
zo groot mogelijke schaal (uiteindelijk op wereldschaal).

In
het verlengde hiervan werd door Van Parijs opgemerkt dat de
klassenstrijd nog steeds een zeker belang heeft, maar dat ze lang
niet meer zo’n centrale rol speelt als vroeger. Twee van de meest
prangende actuele onrechtvaardigheden hebben volgens Van Parijs
bijvoorbeeld niets met het klassieke klassenconflict te maken: de
onrechtvaardigheid met betrekking tot het ‘overerven’ van paspoorten
en de onrechtvaardigheid die we vandaag creëren voor toekomstige
generaties.

Ten
slotte brak Van Parijs nog een lans voor maximale transparantie.
Volgens hem zijn organisaties en onderzoeken zoals WikiLeaks en
Luxleaks niet minder dan een zegen voor onze tijd. Hoe meer zaken aan
het licht worden gebracht, hoe meer bewindvoerders immers verplicht
worden om hun handelen te verantwoorden en te rechtvaardigen.
Hierdoor zouden politici steeds meer gedwongen worden om zich niet
enkel in hun discours op het algemeen belang te richten, maar ook in
hun concrete handelen

Radicalisering
van de democratie

Volgens
de Belgische professor Chantal Mouffe, die politieke theorie doceert
aan de Universiteit van Westminster, resulteert de hedendaagse
ongelijkheid op Europees niveau uit het financiële kapitalisme en de
neoliberale hegemonie. Ten tijde van de sociaaldemocratische
hegemonie, waarbij Mouffe vermoedelijk refereert aan de naoorlogse
periode vóór het einde van de jaren zeventig, was de kloof tussen
arm en rijk namelijk nooit zo groot. Volgens haar volstaat het echter
niet om de bestaande situatie simpelweg te remediëren. Wel moeten we
de huidige economische logica diepgaand
transformeren. Maar wie kan deze logica uitdagen? De zogenaamde
linkse partijen alvast niet, stelt Mouffe. Zij zijn namelijk allemaal
opgeschoven naar het centrum van het politieke spectrum. Daarom is er
een radicalere kracht vereist. Mouffe doelt daarmee niet op een
bolsjewistische revolutie of de gewelddadige vernieling van wat dan
ook. Wel denkt ze aan een grote protestbeweging die op de been
gebracht moet worden en die ijvert voor een pluralistische
democratie. Die pluralistische democratie wordt volgens Mouffe
bereikt op het moment dat we de representatieve democratie radicaal
doortrekken en werkelijk representatief maken. De democratie wordt
dan zodanig getransformeerd dat er ruimte ontstaat voor partijen die
de neoliberale hegemonie in vraag stellen. Dit uitdagen van de macht
en het aanbieden van echte alternatieven is precies waar politiek om
draait, stelt Mouffe

Het
dient echter duidelijk te zijn dat Mouffe geen extreem linkse
partijen beoogt die
ervoor kiezen om langs de lijn te blijven staan en zich niet willen
engageren. Wel hoopt ze vurig op een synergetische vervlechting van
protest en institutie. Het recente succes van Syriza in Griekenland
en Podemos in Spanje stemt haar in dit opzicht gunstig. Het is
volgens haar namelijk precies zo’n links populisme, dat niet louter
rationele taal gebruikt maar ook appelleert aan het gevoel, waar we
dringend nood aan hebben.

Net
zoals Van Parijs stelt ook Mouffe dat er in de hedendaagse
samenleving sprake kan zijn van een klassendimensie, maar dat lang
niet alle maatschappelijke tegenstellingen terug te voeren zijn tot
het traditionele klassenconflict. De klassieke strijd tussen arbeid
en kapitaal is dan ook helemaal niet de enige of de belangrijkste
strijd die we dienen te voeren. Eveneens dienen we ons bijvoorbeeld
sterk te verzetten tegen racisme, de onderdrukking van vrouwen,
homofobie en milieuvervuiling, die in wezen niets met de
tegenstelling tussen arbeid en kapitaal te maken hebben. Idealiter
worden al deze progressieve strijden verenigd in wat Mouffe een
equivalentieketen noemt, zodat een groot tegenhegemonisch blok
ontstaat dat de bestaande machtsconfiguratie uitdaagt. Op die manier
wordt dan een grote progressieve ‘wij’ (een soort van volk)
geconstrueerd en gepositioneerd ten opzichte van een conservatieve,
neoliberale ‘zij’, die de politieke tegenstander vormt. Mouffe wees
er echter op dat dit construeren van een ‘wij’ voorlopig – jammer
genoeg – het best begrepen wordt door rechtse partijen zoals het
Front National van Marine Le Pen, dat een duidelijke grens trekt
tussen migranten en Fransen. Wel had Mouffe ten slotte nog lovende
woorden over voor progressieve en verbindende burgerbewegingen zoals
Hart Boven Hard, die volgens haar een stap in de goede richting
betekenen.

Vragenronde

Nadat
de drie sprekers de thema’s ongelijkheid en democratie vanuit hun
eigen vakgebied belicht hadden, kregen zij de kans om één vraag te
stellen aan hun collega’s. Veel nieuwe informatie kwamen we daarbij
niet aan de weet, wel werden nog enkele interessante uitspraken
gedaan. Zo benadrukte Vranken het belang van de klassendimensie in de
hedendaagse maatschappij, als reactie op de dingen die Van Parijs en
Mouffe daar eerder over hadden gezegd. Van Parijs verklaarde dan weer
‘anti-Rawls’ te zijn in die zin dat hij gelooft dat egalitaire
rechtvaardigheid niet beperkt mag worden tot het niveau van een
afgebakende gemeenschap, maar dat ze uiteindelijk op globaal niveau
kan en moet ingevoerd worden. Tevens gaf Van Parijs toe zich niet te
kunnen vinden in het politieke conflictmodel dat door Mouffe
gepropageerd wordt. Terwijl het conflict en de duidelijke
tegenstelling tussen ‘wij’ en ‘zij’ voor Mouffe de essentie van de
democratische politiek uitmaakt en dus gekoesterd moet worden,
gelooft Van Parijs namelijk veel meer in het zoeken naar consensus op
basis van de empathie. Het meest verrassende moment tijdens de
vragenronde was misschien wel dat Mouffe het antwoord schuldig diende
te blijven toen haar gevraagd werd wat ze precies verstaat onder
sociale rechtvaardigheid. Het heeft namelijk geen zin om die vraag op
te lossen, stelde ze. Sociale rechtvaardigheid is immers geen
vastliggend concept, maar moet steeds opnieuw gedefinieerd worden
binnen een bepaalde context. Daarom is het niet erg nuttig om een
heel leven lang over de betekenis van sociale rechtvaardigheid na te
denken, antwoordde ze finaal.

Het
was Van Parijs die ten slotte zorgde voor een mooie afsluiter door te
stellen dat we binnen afzienbare tijd waarschijnlijk veel meer
aandacht zullen besteden aan het welzijn van de dieren. Indien we
werkelijk nadenken over rechtvaardigheid en moreel handelen in onze
samenleving, kunnen we hen namelijk niet langer over het hoofd zien,
beweerde hij. Vervolgens haalde Van Parijs een uitspraak aan van de
Franse cultureel-antropoloog Claude Lévi-Strauss, geboren te Brussel
in 1908, die beweerde dat de toekomstige mens dezelfde walging zal
ervaren wanneer hij terugkijkt op de tijd dat mensen dieren aten, als
de Europese ontdekkingsreizigers uit de zestiende en zeventiende eeuw
die vol afschuw geconfronteerd werden met kannibalisme op andere
continenten.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!