Opinie -

Hoe voelt het voor een Franse moslim om een probleem te zijn?

Negen Franstalige intellectuelen en wetenschappers onderzochten de feiten van en rond Charlie Hebdo. Daarmee voerden ze een seculiere analyse van politiek geweld uit. Zij vrezen dat de politieke en sociale spanningen in de Franse maatschappij toenemen onder het huidige beleid. Een samenvatting van hun oproep om naar de oorzaken van dit geweld te zoeken.

woensdag 4 februari 2015 01:28

Om de algemene blindheid voor de bronnen
van het geweld dat toesloeg in Parijs op 7, 8 en 9 januari uit de wereld te
helpen, waarbij vooral “moslims” een probleem zouden vormen, is het
onontbeerlijk om op de feiten terug te komen en een seculiere analyse uit te voeren
van het politieke geweld.

De
moordpartij bij Charlie Hebdo en de antisemitische
gijzeling door gewapende commando van Franse strijders die hun band met Al
Qaeda en de organisatie “Islamitische Staat” aanhalen, verscherpen de reeds
aanwezige politieke en sociale spanningen in de Franse maatschappij.

Volgens
sommigen zijn die moordpartijen de macabere verwezenlijking van profetieën,
waarin de “moslimgemeenschap” beschouwd wordt als een “volk der volkeren”. Hun
problematische aanwezigheid kan alleen maar worden opgelost door “re-emigratie”, een eufemisme voor “verbanning”.

Desolidarisatie

In de interpretaties
van de moordpartijen zit een denkfout over een belangrijke sociaal feit. De
moslimgemeenschap bestaat niet. Ze vertegenwoordigt de zogezegde moslims niet.
Moslims zijn zeer divers in sociale klasse, nationaliteit, politieke en
ideologische voorkeuren. Hun pluralisme wordt verpletterd door een verplichting tot “desolidarisatie”.

Moslims
zijn met andere woorden ook schuldigen. Zelfs als één van hen politieman was
die koelbloedig werd afgemaakt en een andere een sans-papier die het leven van mensen gered heeft in een koosjere
supermarkt. Zo moeten moslims het hoofd bieden aan een verschrikkelijke
situatie: ze zouden de kern van het probleem zijn omdat ze moslim zijn en worden
tegelijkertijd verplicht om zich publiek te “desolidariseren” als moslim. Zo
voelen ze een dubbele verontwaardiging: enerzijds omdat ze de moordpartijen
veroordelen en solidair zijn met de families van de slachtoffers, anderzijds
omdat ze het beledigende gebod tot “desolidarisatie” naast zich neerleggen. “Werklozen
verbannen” om de werkloosheid op te lossen is geen optie, maar men overweegt ze
wel onomwonden voor het “moslimprobleem”.

We kunnen
ons maar vragen stellen over de blindheid voor de bronnen van het geweld dat
onze hoofdstad geteisterd heeft. De nationale en internationale emoties die
door de moordpartij werden aangewakkerd, neigen ertoe onderzoekers in sociale
wetenschappen en journalisten, die
deze geweldmechanismen ontleden, buitenspel te zetten. Ze worden aan de kant
geschoven door hun “gebrek aan realisme”, “politieke correctheid”, hun
onvermogen om “de werkelijkheid onder ogen te zien”.

Aansprakelijk

De
historische conjunctuur komt overeen met het post 11-september-tijdperk toen
bureaujournalisten en tv-filosofen een les wilden leren aan politici,
sociologen en journalisten, die reeds jaren onderzoek verrichten naar
gewelddadige islamitische groeperingen, over “wat er zich op het terrein
afspeelde”. De mogelijkheid om nog een rationeel, empirisch gefundeerd discours
uit te spreken, staat op het spel wanneer islamofoben van allerlei allure een
opening zien om het idee van de “schok der beschavingen” weer op te leggen.

Nadat eerst
moslims met de vinger werden gewezen, worden nu ook journalisten en militanten,
die de islamofobie van Charlie Hebdo
aan de kaak stellen, aan de schandpaal genageld. Zij zouden “aansprakelijk
zijn” voor de moordpartijen, zouden verantwoording moeten afleggen, alsof de
moordenaars inspiratie gezocht hadden in hun artikels en communiqués om de
operatie uit te voeren.

Het lijkt
erop dat emotie het haalt van de ratio en het risico bestaat dat elk
universeel, journalistiek of militant woord dat islamofobie aan de kaak stelt,
gecensureerd wordt, terwijl islamofobie als sociaal fenomeen ook echt bestaat.

Het is daarom
belangrijk om terug te komen op de feiten en een seculiere analyse van het
politieke geweld te maken. Zo wordt die morbide blindheid vermeden die geweld
doet escaleren, wat al is gebleken uit de recente toename van islamofobe misdaden.
Deze strijders gebruiken niet als enigen geweld: andere groeperingen doen
hetzelfde onder een verschillende ideologische vlag en in de context van andere
conflicten.

Vrijheidsstrijders

Het is echt
noodzakelijk om geweld door islamitische strijders te analyseren, zodat
onderliggende mechanismen kunnen begrepen worden en politieke verantwoordelijken
dit geweld kunnen voorkomen. De volgende vraag dient zich aan: hoe wordt men
strijder? Welke voorwaarden leiden tot politiek geweld?

Het
parcours van die strijders licht een tipje van de sluier op: hun strijd is
gegroeid in de netelige geopolitieke situatie van de militaire interventies
voor en na 11 september (Syrië, Jemen, Irak, enz.). Nadat ze steun kregen van
de VS tegen de Sovjet-Unie in Afghanistan, schoten na de val van de muur van
Berlijn de “vrijheidsstrijders”, onder wie de Taliban en toekomstige Al Qaeda,
hun pijlen af op VS-geallieerden.

In
Afghanistan hebben ze hun politiek-religieuze orde opgelegd dankzij internationale
machten en een toevluchtsoord geopend voor strijders van overal ter wereld die
hun ideologie deelden en hun terechtstellings- en vernietigingstechnieken
wilden leren. Verschillende generaties strijders werden in Afghaanse
trainingskampen opgeleid.

Dit
“afgrijselijke monster[1]
is geboren uit internationale interventies, heeft een voedingsbodem gevonden in
machtsconflicten in Algerije, in Tsjetsjenië, Bosnië…. maar trof het hart
van het Westen in 1995 in Parijs, in 2001 in New York, in 2004 in Madrid en in
2005 in Londen. Sinds de oprukkende militarisering vanaf de jaren 1970, laten
krijgsvaardige strijders een nooit geziene golf van geweld los op de westerse
machten.

Terwijl
zulke groeperingen zich vroeger concentreerden op bepaalde landen, heeft de
oorlog tegen het terrorisme zich verspreid naar andere landen, die tot dan
werden gespaard of minder betrokken waren: Irak, Syrië, Libië,
Jemen, Mali, Pakistan… Een nieuwe generatie vertegenwoordigd door de leiders
van de organisatie “Islamitische Staat” ontwikkelt zich militair tegen het
westen, radicaliseert zich door de gevangenissen in Abu Ghraib en Guantanamo,
en zit in een transnationaal circuit van Afrika tot Azië. Deze eerste golf van
geweld is het resultaat van het geweld in het Midden-Oosten en van de
desastreuze gevolgen van de oorlog tegen het terrorisme.

Ongeleide projectielen

De
internationale bron van geweld uitroeien is zeker de moeilijkste taak: hoe kan
het Franse buitenlandse zakenbeleid, dat steunt op het zelfbeschikkingsrecht
van de mensen en respect voor de mensenrechten, gevoerd worden zonder dat
allianties met autoritaire regimes in de Arabische wereld en in Afrika, de
Israëlische kolonisatiepolitiek en de belangen van Franse multinationals op de
helling worden gezet?

Een tweede
bron van geweld is gelinkt aan de “sociale anomie” die steeds ergere proporties
aanneemt in de Franse volkswijken. In tegenstelling tot wat het islamitische
“desolidarisatie”-gebod voorschrijft, waren de drie daders “ongeleide
projectielen”, met weinig familiale en affectieve banden, vruchten van
traumatiserende scheidingen, sociale ontkoppeling en structurele ongelijkheid,
waardoor ze in delinquentie en groepsgeweld verzeild geraakt zijn.

Deze
ongeleide projectielen waren “gedesolidariseerd” van hun gelijken, hun familie
en lokale moskeegangers. Ze werden niet “opgenomen” in opvoedingsstructuren
maar werden aangetrokken door
prekers overtuigd van de imminente “schok der beschavingen”. Kinderen uit deze
volksklasse hebben een hoge graad aan sociaal geweld in zich opgenomen,
waardoor ze overgevoelig geworden zijn. Ze vinden geen zingeving in traditionele
structuren, maar in een nihilistische en dodelijke ideologie die hun macht en
erkenning belooft en die in de volkswijken tot een ultraminderheid behoort.

Savoir-faire

Verschillenden
tendensen kunnen onderscheiden worden in het Franse islamitische landschap:
niet-aangesloten moskeeën, grote organisaties die een nauwe band hebben met
hun land van oorsprong (Maghreb-landen en Turkije), broedergemeenschappen of de
Moslimbroeders, de Tabligh, de gelovige “salafisten” en apolitieke aanhangers,
de soefi’s, enz. en ook kleine gewelddadige groeperingen zoals de
“takfiristen”.

Elke dag
voeren inwoners, militanten en politieke verantwoordelijken een stille strijd
tegen de invloed van kleine gewelddadige groeperingen, zonder het
voorpaginanieuws te halen. Zo werden de leden van de “Buttes Chaumont-netwerk”,
onder wie de broers Kouachi, begin 2000 uitgesloten van de pro-Palestijnse
manifestaties door militanten die opkomen voor immigratie en tegen fascisme.

Ironie van
het verhaal: wie gisteren nog tegen die gewelddadige groeperingen streed, wordt
vandaag met de vinger gewezen wanneer hij islamofobie aanklaagt. Het bestaan
en de overleving van die gewelddadige groeperingen is het rechtstreekse gevolg
van de interne machtsstrijd in de volkswijken.

Als die extreme
minderheidsgroeperingen invloed uitoefenen op een aantal ongeleide projectielen,
dan ligt dat aan andere politieke krachten, die manifesteerden voor gelijkheid
en tegen racisme en voor een politiek vacuüm zorgen waarin terreurkandidaten
opduiken. Dat fenomeen wordt ook in de hand gewerkt door het ontzagwekkende
gemak waarmee wapens uit de ex-Sovjet-Unie kunnen aangekocht worden en de
aanhoudende mobilisering van de takfiristische netwerken om te rekruteren in
sociale netwerken om op die manier een savoir-faire
en ideologie over de grenzen heen uit te dragen.

Stigmatisering

De Franse
bronnen van geweld uitroeien is geen gemakkelijke taak. Daarvoor zouden de
economische en sociale ongelijkheden, de schooluitval, de politieke boycot, het
latente racisme en de territoriale stigmatisering, die de basis vormen van het
sociale geweld en de delinquentie, aangepakt moeten worden. En zou er een
gelijkheidsbeleid gevoerd moeten worden voor diegenen die onder aan de sociale
ladder staan.

De
voorwaarden die het politieke geweld van januari 2015 mogelijk hebben gemaakt,
zijn zeer divers. De analyses van onderzoekers in de sociale wetenschappen zouden
op meer aandacht van de politieke verantwoordelijken moeten kunnen rekenen.
Maar het zijn zogezegde
experten op vlak van “islam en terrorisme” die kunnen rekenen op het
gedienstige oor van media.

Het falen
van de geheime diensten, die de moordenaars al opgemerkt en ondervraagd hadden,
lijkt te verdwijnen in het aura van “neutralisering”. De eerste politieke
reacties doen het ergste vrezen: een Franse Patriot Act goedkeuren terwijl
een zeer liberale terrorismewet al twee maanden geleden werd goedgekeurd; het
debat over de doodstraf aanwakkeren; pijlen richten op de “nationale vijand”, te weten de moslim die zich niet integreert, enz. Verwacht kan worden dat sommigen
het bodemrecht (ius soli) in vraag zullen stellen. Kortom, de politieke lessen
na 11 september werden niet onthouden: politieke geweld vloeit voort uit
staatsgeweld en sociaal geweld.

Chadia Arab,
onderzoekster aan het CNRS (Centre
national de la recherche scientifique)
Ahmed Boubeker
,
professor aan de universiteit van Saint-Étienne
Nadia Fadil
,
assistent-professor aan de KUL
Nacira Guénif-Souilamas
, professor aan de universiteit Paris 8
Abdellali Hajjat
, lector aan de unversiteit Paris-Ouest Nanterre
Marwan Mohammed
, onderzoeker aan het CNRS (Centre
national de la recherche scientifique)
Nasima Moujoud
,
lector aan de universiteit van Grenoble
Nouria Ouali
,
assistent-professor aan de VUB
Maboula Soumahoro
, lector aan de universiteit van Tours

De integrale tekst vind je hier. Samenvatting Lode Vanoost. Dank aan Maïté Lerate.


[1] Vertaling van “bête
immonde
“, een allegorie gebruikt om nazisme,
fascisme, racisme, antisemitisme of andere extreem-rechtse ideologieën te
benoemen

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!