Gedenkteken voor Michael Brown. Bron: Flickr
Gilbert De Swert

Wanneer is te veel te veel?

Wanneer bereikt een samenleving zijn 'tipping point'? Wanneer slaat onvrede over in verandering of revolutie. Zou het kunnen dat er in de VS een dergelijk punt bereikt is met de dood van Michael Brown en Eric Garner?

dinsdag 23 december 2014 11:08

De
documentaire Videogramme
einer Revolution
van
Harun Farocki en Andrei Ujica begint met een onvergetelijke sequens.
De camera filmt een duidelijk gewonde jonge vrouw die in een sjofel
ziekenhuisbed gehieuwd wordt. Ze steunt en kreunt van de pijn, lijkt
nog verdoofd, maar amper ligt ze in bed of ze wendt zich tot de
omstaanders: ‘Ik zou graag iets willen zeggen.’ Een off-stem
verzekert haar dat de camera registreert, zij vraagt nog een keer:
‘Beeld en geluid?’ – ‘Ja.’ Ze noemt haar naam, Rodica
Marcau, waar ze werkt, in Timisoara, en begint: ‘De Securitate
heeft ons beschoten…’ Haar opgekropte woede ontlaadt zich: ‘Wij
willen geen dictator…Wij willen geen Securitate.’ Ze spreekt
zonder schroom, zonder terughoudendheid, zonder ophouden, meer dan
twee minuten lang registreert de camera haar klacht, die geen sporen
van angst meer vertoont.

Pas
daarna tonen de filmmakers de spiegelbeeldige scène van de dag
voordien: de cesuur van de Roemeense revolutie. Het is materiaal van
een live-uitzending door de Roemeense staatstelevisie op 21 december
1989 – 25 jaar geleden. Nicolae Ceauscescu staat op het balkon van
het KP-hoofdkwartier in Boekarest. Naast hem zijn vrouw Elena en
enkele functionarissen. Hij draagt een donkergrijze mantel met zwarte
revers, een geruite sjaal en een zwarte muts. Ceauscescu spreekt tot
de 100.000 mensen op het plein voor hem, zoals hij altijd sprak op
georganiseerde massademonstraties: stokkend, houterig, alsof hij het
Roemeens niet machtig is, leest hij de reëel-socialistische formules
af. Opeens zijn kreten te horen, Ceausescu kijkt op, in de richting
van het tumult, onderbreekt zich en verstomt.

Een
paar zeldzame ogenblikken is een dictator te zien die niks meer weet
te dicteren, die sprakeloos wordt, omdat hij stemmen hoort die hij
niet besteld heeft. Ceauscescu heft zijn hand, in volle miskenning
van de situatie, alsof een revolutie te verhinderen is door ze te
begroeten. Op de achtergrond ontstaat er rumoer, een veiligheidsagent
komt dichterbij en fluistert Ceauscescu iets in het oor. ‘Ze komen
het gebouw binnen’, is te horen, waarna de staatstelevisie de
uitzending afbreekt en ‘storing’ opvoert wanneer een stem vraagt:
‘een aardbeving?’.

Weinig
opnames hebben zo’n indruk op me gemaakt als die van Ceauscescu op
het ogenblik dat hij niet wil maar toch moet begrijpen dat de macht
van de repressie voor zijn ogen uiteenvalt. En die van Rodica Marcau
op het ogenblik dat ze haar kritiek niet meer heimelijk maar luid wil
uiten.

Wat
daaraan blijvend fascineert is de meer algemene vraag wanneer zich
een historisch breekpunt aftekent en – niet alleen in dictaturen –
een historisch keerpunt begint. Wanneer is een samenleving niet meer
bereid om nog te verdragen wat ze jaren- of decennialang moest
verdragen? Wanneer is het genoeg met de vernederingen? Wanneer
verliezen illegitieme regimes of praktijken hun afschrikkingsmacht?
Wanneer mensen zo toegetakeld zijn dat ze niks meer te verliezen
hebben of wanneer ze beginnen te hopen? ‘Het geheim van de macht
bestaat erin te weten dat anderen nog laffer zijn dan wij’, wist al
in de 19de
eeuw de Duitse journalist en satiricus Ludwig Börne – een man van
nog meer wijsheden als: ‘Men kan een idee door een andere
verdringen, alleen vrijheid niet’; ‘Een waan verliezen maakt
wijzer dan een waarheid vinden’; en ‘Deugden en meisjes zijn het
mooist vooraleer ze weten dat ze mooi zijn’.

Het
lijkt alsof er een soort slinger van het onrecht bestaat, die regimes
(of ideologieën) zo lang stabiel houdt als kwaad en schrik elkaar in
evenwicht houden. En dan, op een moment, de slinger laat kiepen. In
Roemenië ontstak het protest in Timisoara door de overplaatsing van
regimecriticus dominee Làszlo Tökes. In Tunesië lokte de
zelfverbranding van groentehandelaar Mohammed Bouazizi in Sidi Bouzid
eerst de ‘jasmijnrevolutie’ en ten slotte de ‘Arabische lente’
uit.

Natuurlijk
vergemakkelijken of bespoedigen materiële omstandigheden de
historische dynamiek. De instorting van het Oostblok werd niet alleen
door ideologische, maar ook door economische factoren bepaald. De
digitale revolutie, de verspreiding van gsm’s met sms-functie
versnelde de Arabische lente.

Toch
blijken er allenige gebeurtenissen te zijn, die een samenleving
symbolisch zo opladen dat ze anderen tot signaal worden. Soms zijn
het moedige gebaren die verwijzen naar iets dat er nog niet is. Soms
zijn het wanhoopsdaden die herinneren aan iets dat niet langer zou
mogen. Die individuele daden doen het niet op zichzelf, maar voegen
zich in een collectieve ervaring van schaamte en vernedering, waarin
deze ene ervaring de ene te veel is.

In
de VS zouden het in 2014 Michael Brown en Eric Garner kunnen zijn,
allebei ongewapende zwarten die door politiegeweld stierven, die zo’n
‘te veel’ markeren. Een te veel aan racisme, een te veel aan
controlewillekeur en buitensporig geweld van blanke politie, die
zelden tot rekenschap gedwongen worden – zo lang de slachtoffers
zwart zijn. En het zouden Michael Browns opgestoken handen en Eric
Garners laatste woorden ‘I
can’t breathe’
kunnen
zijn die de protesten hun signatuur geven.

Wellicht
is het de ontgoocheling in Barack Obama, de eerste afro-amerikaanse
president, die de demonstraties deed uitbreiden van Ferguson naar New
York en elders. Het is niet zeker of deze beweging niet weer
verzandt. Het is ook niet uitgemaakt of de publicatie van het
‘folterrapport’ de Amerikaanse openbare opinie daarbovenop aanzet
tot een andere omgang met structureel en fysisch geweld. Maar beide
voeden de hoop dat de slinger weldra kiept.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!