Blind snijwerk?
Opinie, Politiek, België -

Blind snijwerk?

Het Aanmoedigingsfonds staat op de helling. Binnen het totaalpakket van geplande bezuinigingen is het een peulenschil, maar wel een essentiële. Voor de efficiëntie van ons hoger onderwijs en voor de diversiteit.

donderdag 14 augustus 2014 10:07

Veronderstel dat je als
overheid wilt weten of het geld dat je jaarlijks vrijmaakt voor de ondersteuning
en begeleiding van studenten goed besteed wordt, maar dat je nergens goede
indicatoren vindt. Hoe ga je daar dan aan beginnen? Vermoedelijk door de
instellingen te vragen ons bepaalde slaagcijfers gekoppeld aan socio-economische
kenmerken over te maken en deze te vergelijken met andere instellingen. Stel
dat je vanuit dezelfde bezorgdheid ook verlangt dat onderwijsinstellingen
zichzelf continu uitdagen beter te doen, is het dan niet verstandig daar een
onderzoekscomponent aan te koppelen?

Het Aanmoedigingsfonds
is het antwoord dat men twee Vlaamse regeringen geleden heeft bedacht op die
bezorgdheden: een ingenieus fonds van 5 miljoen euro om enerzijds die data te
vergaren (en de relevante indicatoren te identificeren) en anderzijds innovatie
te stimuleren. Voor elke ontvangen euro diende de onderwijsinstelling een
euro uit het eigen budget mee investeren en dat bedrag zou na enkele jaren
wijzigen naarmate de doelstellingen wel of niet gehaald werden.

Als we nu een
redelijk performant diversiteitsbeleid hebben, is dat grotendeels dankzij het
Aanmoedigingsfonds. Bij een afschaffing zal dit effect verdwijnen en
hollen we binnen vijf jaar opnieuw achter de feiten aan. Zo wordt zowel de
algemene- als de studentenpopulatie steeds diverser en plaatst ons dat voor
serieuze uitdagingen die we helaas pas aangaan wanneer het verlies aan talent
de spuigaten uitloopt. Ik wil dat aantonen met twee praktijkvoorbeelden:

Studenten met een etnisch-diverse achtergrond

Etniciteit correleert
niet met talent, maar jongeren met een migratie-achtergrond scoren gemiddeld
beduidend minder goed in het hoger onderwijs dan hun Vlaamse collega’s. De
oorzaken hoeven niet ver gezocht te worden: correlaties met andere
socio-economische factoren die studiesucces negatief beïnvloeden (laag inkomen
ouders, laaggeschoolde ouders, …), watervaleffect secundair onderwijs, en
misschien zelfs nog wat latent racisme.

Anno 2007 waren er zoveel meetcriteria
in omloop voor deze groep studenten dat het onoverzichtelijke soep was. Ik geef
de drie belangrijkste:

  • Familienaam: als de student of één van de ouders
    een exotische achternaam heeft, behoorde je tot de doelgroep. Volgens
    voorstanders erg betrouwbaar (bevatte 90 procent van de feitelijke doelgroep) en
    eenvoudig om te meten. Anderzijds onvolledig en bevat het een arbitrair kantje.
  • Thuistaal: hierbij was de taal die thuis
    gesproken werd het criterium. Twee problemen: 1) studenten gaven vaak de
    wenselijke respons, dat ze thuis Nederlands spraken. 2) beperkt nuttig. Wanneer
    iemand thuis Engels zou spreken, kan het zowel gaan om een Brits gezin, een
    Canadees gezin, een Zuid-Afrikaans gezin, enz… het zegt ons weinig over de
    onderliggende verschillen.
  • Nationaliteit: de nationaliteit van de ouders en
    grootouders bepaalde of de student tot deze doelgroep behoorde. EU-15 en
    Angelsaksische nationaliteiten werden niet meegerekend. Initieel een
    huzarenstukje om te meten met in sommige instellingen ongeveer 50 procent non-respons maar intussen wel het criterium dat in het hoger onderwijs gebruikt
    wordt.

Dankzij deze evolutie
hebben we onze uniforme nulmeting en kunnen we voor de toekomst vorderingen
meten. Zoals u aanvoelt kan naast de ondersteuning ook de definitie beter, wat
vraagt dat we via mechanismen als het Aanmoedigingsfonds hier tijd in
investeren.

 

Studenten met een functiebeperking

Hier gebruikt het
Vlaamse hoger onderwijs sinds een jaar of tien de internationale criteria die
ongeveer 13 procent van de studenten beslaat. Grootste probleem: ongeveer de helft van
die studenten kiest ervoor zijn functiebeperking niet kenbaar te maken aan de
hoger onderwijsinstelling.

Gelukkig laten de meeste studenten zich leiden door
de vraag of ze nood hebben aan extra ondersteuning, maar zeker niet allemaal.
Sommigen vrezen gestigmatiseerd te worden (op basis van getuigenissen geen
ongegronde vrees). Anderen moeten eerst een jaar overdoen alvorens ze tot het
inzicht komen dat de impact van hun functiebeperking hen hindert het beste van
zichzelf te geven. Maar die grote non-respons is ook verlies: wat maakt dat voor
student A die redelijke aanpassingen broodnodig zijn, terwijl student B zonder
kan? Uit het weerbare verdoken deel van deze doelgroep kunnen we enorm veel
leren dat zowel het onderwijs als geheel als de bijzondere ondersteuning veel
effectiever kan maken.

Dat we bovenstaande te
weten zijn gekomen, is dankzij het Aanmoedigingsfonds. Dat we vandaag nog maar
hier staan, hebben we te danken aan de vorige Vlaamse regering of de
kortetermijnvisie van één hogeschool. Het grote aantal verdoken studenten met
een functiebeperking werd immers in 2010 reeds vastgesteld door twee
onderzoekers die gefinancierd werden door het Aanmoedigingsfonds.
Omdat er datzelfde jaar ook sprake was van te snoeien in de middelen,
werden ze ondanks het goede werk de laan uitgestuurd, terwijl het geld na enkele
maanden vertraging toch zou volgen.

Ik was toen zo verontwaardigd dat ik twee jaar
via mijn thesis deze thematiek verder zou uitdiepen. Maar vier- vijfhonderd uur
onderzoek is uiteraard ruim onvoldoende om alle antwoorden te vinden. Hang
daarom als overheid niet af van voluntaristische individueen zoals
ondergetekende, maar investeer structureel in iets wat ons hoger onderwijs als
geheel ten goede komt.

Snijden om te snijden

Tot slot de vraag of
deze besparing het beoogde effect zal hebben. Nu we sinds enkele weken toch alles omrekenen in kosten per student: het Aanmoedigingsfonds kost 25 euro per student, of ongeveer 0,4 procent
van wat een student de overheid op jaarbasis kost. Als er 1200 van de 225.000
(of 0,6 procent) door het wegvallen van deze stimulans één jaar langer studeren, kost het
de overheid al meer dan de besparing opbrengt. Omgekeerd, als de innovaties die
voortvloeien uit dit fonds het gemiddeld studierendement met 1 procent kunnen
opkrikken, heb je vier tot vijf keer het geïnvesteerde budget bespaard.

De vraag is daarom:
ben je zinvol aan het snijden?

Vincent Boulanger is oudgediende bij de Vlaamse Vereniging van Studenten, lid van de toenmalige evaluatiecommisie en auteur van een thesis die het profiel van de kansengroepen in kaart bracht. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!