Opinie -

Pensioendebat: de keuze tussen liberaal, ultraliberaal en sociaal beleid

CD&V en sp.a schieten met scherp op de pensioenplannen van N-VA. Maar als we kijken naar het door hen gevoerde pensioenbeleid, dan verwijt de pot de ketel dat hij zwart ziet. De ultraliberale pensioenvoorstellen van de N-VA bouwen verder op het liberale pensioenbeleid van de CD&V, sp.a en Open VLD in de federale regering. Een sociale visie vertrekt van andere uitgangspunten.

vrijdag 9 mei 2014 15:18

Sinds duidelijk werd dat de Vlaming erg bezorgd is over zijn
pensioen, wordt het pensioendebat volle hevigheid gevoerd. “2,5
miljard besparen op de pensioenen, zoals N-VA wil, is niet snijden in
het vet, maar hakken tot op het bot”, zo schrijft Servais
Verherstraeten (CD&V).

“Totaal ongegronde beschuldigingen”, zo antwoordt
Siegfried Bracke (N-VA): “Wij pleiten voor een minimumpensioen tot
op het niveau van de Europese armoedegrens”. “De N-VA kiest voor
liefdadigheid, de sp.a gaat voor solidariteit”, zo repliceert Bieke
Verlinden (sp.a), daarin bijgetreden door haar voorzitter Bruno
Tobback. De houdbaarheidsdatum van verkiezingsbeloften is
beperkt. Zeker in een materie als pensioenen, waar maatregelen kunnen
worden genomen die pas tien of twintig jaar later effect hebben.
Daarom is het nuttig om, naast de beloften, ook even stil te staan
bij het effectief gevoerde beleid.

Loopbaanvoorwaarde

De ultraliberale pensioenvoorstellen van de N-VA bouwen verder op
het liberale pensioenbeleid van de CD&V, sp.a en Open VLD in de
federale regering. Dat beleid kan worden herleid tot drie krachtlijnen: a) langer werken, b)
wettelijke pensioenen omvormen tot een minimale bescherming tegen
armoede en c) private pensioenspaarregelingen verder ontwikkelen. In
een volgende legislatuur wil de regering dat beleid verder zetten
(zie beleidsnota pensioenen, punt 2).

De regering-Di Rupo
verhoogde de brugpensioenleeftijd van 58 naar 60 jaar en de
vervroegde pensioenleeftijd van 60 naar 62 jaar. Daardoor zal bijna
iedereen minstens twee jaar langer moeten werken. Een grote groep van
mensen zal tot vijf jaar langer moeten werken. De regering verhoogde
immers ook de loopbaanvoorwaarde om met brugpensioen of vervroegd
pensioen te kunnen gaan. Alle werknemers die minder dan veertig jaar
gewerkt hebben – dat is het geval voor twee op drie vrouwen –
zullen tot vijf jaar langer moeten werken.

De regering-Di Rupo
bouwde ook een aantal wettelijke pensioenen af. Ze verlaagde het
wettelijk pensioen van de ambtenaren, door het te berekenen op de
gemiddelde wedde van de laatste tien in plaats van de laatste vijf jaar.
Afhankelijk van de situatie van de ambtenaar tijdens zijn laatste
loopbaanjaren, zal de maatregel oplopen tot een lager pensioen van
192 euro per maand. De regering schafte bepaalde gelijkgestelde
periodes af (tijdskrediet na 1 jaar) en verminderde de pensioenopbouw
tijdens andere periodes (lange werkloosheid en brugpensioen).

Afhankelijk van de situatie van de betrokkene zal dat oplopen tot
een lager pensioen van 125 euro per maand. De regering beperkte ook de
pensioenbonus voor wie actief blijft tot 65 jaar. Vroeger kreeg men
179 euro extra pensioen per maand. Nu nog 83 euro. Dat is bijna 100
euro per maand minder. Daarnaast voerde de regering een nieuwe
berekeningswijze van het pensioen in, waardoor het pensioen kan
toenemen met 22 euro per maand, afhankelijk van de dag waarop men
verjaart en van het loon dat men verdient.

Tot slot zette de regering
het beleid van de regeringen Leterme I en II verder: verhoging van
minimumpensioenen, minimumrechten per loopbaanjaar, vakantiegeld en
oudste pensioenen van werknemers en zelfstandigen. De verhogingen
bedragen anderhalf, twee of drie procent op jaarbasis, waardoor
een aantal pensioenen op termijn boven de armoedegrens zullen komen
te liggen.

Tezamen zorgen bovenstaande maatregelen voor een
verhoging van de laagste pensioenen en een verlaging van de hogere
pensioenen. De wettelijke pensioenen zullen met andere woorden beter
beschermen tegen armoede, maar minder goed tegen de inkomensval na
pensionering. Voor het behoud van de levensstandaard na een leven van
intense arbeid moet iedereen zichzelf behelpen via de private
pensioenopbouw (het aanvullend en individueel pensioen of de
zogenoemde tweede en derde pensioenpijler).

Pensioenmalus

De N-VA trekt die
logica door. Het Plan V stelt een pensioenmalus voor die voor vele
Vlamingen neerkomt op een onteigening van een kwart van de opgebouwde
pensioenrechten (5 procent per jaar bij uittreding vóór de leeftijd van 65
jaar, zie Plan V, p. 17, kolom drie). Voor Michel, de bankbediende
die een wettelijk pensioen heeft opgebouwd van 2.000 euro per maand
en die om de één of andere reden niet meer actief kan zijn na de
leeftijd van 60 jaar, komt de pensioenmalus neer op een onteigening
van de opgebouwde pensioenrechten met 500 euro per maand of 6.000
euro per jaar.

Deze pensioenmalus moet 2,5 miljard euro opbrengen per jaar (zie
Plan V). Om de zwarte armoede onder onze gepensioneerden te beperken,
wil de N-VA 1,5 miljard euro herinvesteren in het verhogen van de
laagste pensioenen.

Tegengestelde visies op pensioenen

De
levensverwachting stijgt. En de babyboomgeneratie bereikt de
pensioenleeftijd. De sociale zekerheid viseert groeiende kosten voor
pensioen en gezondheid. De vraag is: hoe gaan we daarmee om? Er
bestaan twee tegengestelde visies.

De liberale visie bekijkt
alles door de bril van de kostprijs, de opbrengst, het
concurrentievoordeel. In die visie zijn pensioenen pure ballast, geld
dat besteed wordt aan mensen die niet productief zijn. Het is
beter om dat geld op kapitaalmarkten te beleggen. De liberale visie
pleit dan ook voor lage wettelijke pensioenen, net boven de
armoedegrens. Voor het behoud van de levensstandaard moeten de
inwoners zich verzekeren op de markt. Dat geld gaat via
groepsverzekeringen en pensioenfondsen naar de beurs.

De
sociale visie op de pensioenen vertrekt van het grondrecht op
pensioen (zoals voorzien in artikel 23 van onze Grondwet, artikel 9
van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en
culturele rechten en artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest).
Mensen die hun leven lang aan de welvaart hebben bijgedragen, hebben
recht om in goede gezondheid nog van een welverdiende rust te kunnen
genieten.

De solidariteitsvisie op de pensioenen pleit voor een recht op
rust met een degelijk pensioen, wanneer men nog niet helemaal is
uitgeblust en opgebruikt. Met de welvaart die we jaarlijks
produceren, kan onze samenleving dat recht perfect dragen. Een
sociale zekerheid die enkel focust op armoede, wordt vroeg of laat
een arme sociale zekerheid. Ook de bescherming tegen armoede komt
onder druk te staan. Dat blijkt duidelijk uit de evolutie van de
sociale bescherming in de VS en de UK.

De sociale visie
onbetaalbaar?

De Studiecommissie voor de Vergrijzing berekent
elk jaar de totale kost van de vergrijzing. Rekening houdend
met het hele plaatje zou de vergrijzing een extra kost met zich
meebrengen van 3,3 procent van het BBP tegen 2030 en 5,4 procent tegen 2060. Dat is
een toename van 0,19 procent per jaar tegen 2030 – minder dan 700 miljoen
euro per jaar – of 0,11 procent tegen 2060. Géén tsunami, maar wel een
langzaam aanzwellende stroom. In het totaal zouden de
pensioenen in 2060 14,7 procent van het BBP bedragen. 14,7 procent van het BBP voor
het inkomen van 32,2 procent van de bevolking met pensioen.

Is dat nu zo
overdreven? Natuurlijk niet. Landen als Frankrijk en Oostenrijk
betaalden in 2010 al 14,6 procent en 14,1 procent van het BBP voor de pensioenen
van hun inwoners. Maar waarom dan zoveel heisa over de
vergrijzing? Welnu, dat heeft veel meer te maken met dalende
inkomsten dan met stijgende uitgaven. De inkomsten om de wettelijke
pensioenen te betalen zijn sterk gedaald. Dat is te wijten aan de
daling van de sociale bijdragen (de “loonlast”), die momenteel
oploopt tot 11 miljard euro per jaar. De daling van de sociale
bijdragen wordt gecompenseerd door meer financiering van de overheid.
Volgens de FOD Sociale Zekerheid is dat de belangrijkste evolutie in
de financiering van de sociale zekerheid.

Maar de slechte toestand van de overheidsfinanciën – wegens het
redden van de banken en een aantal keuzes in het fiscaal beleid,
waaronder de notionele intrestaftrek – zet dat mechanisme onder
druk. Besparen is al wat de klok slaat. Daarom is elke bijkomende
kost voor de pensioenen, hoe beperkt ook, uit den boze.

Maatregelen
voor een socialer pensioenbeleid

Het Belgische pensioenstelsel
schiet tekort op de twee doelstellingen van een goed pensioen:
bescherming tegen armoede en degelijke vervanging van vroegere
inkomens uit arbeid. Deze twee doelstellingen staan niet los van
elkaar. De beste bescherming tegen armoede is een goede vervanging
van het vroegere inkomen uit arbeid. Een verhoging van de
rustpensioenen voor werknemers kan gebeuren door iemand die 45 jaar
gewerkt heeft 75 procent van zijn gemiddelde inkomen te geven (in plaats van
de huidige 60 procent van het gemiddelde inkomen, wat in vergelijking met de
andere landen in Europa een bijzonder slechte pensioenformule is).
De optrekking naar 75 procent van het gemiddeld inkomen zou de totale
uitgaven voor de wettelijke pensioenen in percentage van het BBP
tegen 2030 brengen op 15,55 procent en tegen 2060 op 16,68 procent.

Dat zijn geen absurde cijfers. De besteding van één zesde van
het nationaal inkomen (16,68 procent) aan een derde van de bevolking met
pensioen (32,2 procent) in 2060 is niet overdreven. Het gaat hier bovendien
over inkomen of koopkracht, waarvan het overgrote deel rechtstreeks
terugvloeit naar de economie, via consumptie, uitgaven voor zorg,
investeringen in woningen van kinderen, nalatenschappen, enz. De
geleidelijke versterking van het wettelijk pensioen is niet
onbetaalbaar wanneer we samen de keuze maken om de welvaart beter te
verdelen. Het proces van de vergrijzing spreidt zich uit over twintig
tot dertig jaar. Daar moet een langetermijnvisie aan gekoppeld
worden, die de welvaart anders verdeelt. Een herverdeling die
vertrekt van de solidariteit heeft vier hoekstenen.

Ten eerste
zal men de sokkel van de sociale zekerheid moeten verbreden met méér
stabiele en correct betaalde banen. Ten tweede zal men de sociale
zekerheid structureel moeten herfinancieren. De Federale Adviesraad
voor Ouderen stelde voor om een beperkte taks in te voeren op de
allergrootste vermogens, teneinde de transfer tijdens de afgelopen
decennia van inkomen uit arbeid naar inkomen uit kapitaal te
heroriënteren naar een degelijk inkomen voor gepensioneerden. Ten derde zal een rechtvaardigere fiscaliteit vereist zijn, met
opheffing van de fiscale achterpoorten zoals de notionele
intrestaftrek. Ten vierde zal de houtworm in het systeem moeten
worden aangepakt. Die houtworm, dat is de stelselmatige verlaging van
de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid. Hij vreet al jaren
aan het hele stelsel en woekert verder in allerlei alternatieve
loonvormen waarop weinig of geen bijdragen voor de sociale zekerheid
betaald worden (aanvullende pensioenen, bedrijfswagens, laptops,
gsm’s, niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, ….).

Het
grondrecht op rust na een leven van intense arbeid is dus wel
betaalbaar, indien men daarvoor kiest in het sociaal en fiscaal
beleid.

Kim De Witte is docent leergangen
pensioenrecht KU Leuven en lijsttrekker PVDA+ in Limburg.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!