Het domein van meervoudig miljonair Jan De Clerck

De vijf procent rijksten bezitten evenveel als de 75 procent armsten

Dat de vermogens in België ongelijk verdeeld zijn, wist u al toen u laatst uw bankrekening checkte en merkte dat u veraf stond van het gemiddelde gezin dat 417.400 euro bezit. Dankzij de onderzoekers Sarah Kuypers en Ive Marx weten we nu ook hoe de vermogens echt verdeeld zijn in ons land.

dinsdag 6 mei 2014 12:10

De
verdeling van vermogens in België was lange tijd een groot mysterie.
De laatste studie – van de VUB-economen Koen Rademaekers en Jef
Vuchelen – had betrekking op het jaar 1994, twintig jaar geleden dus.

Gemiddeld
bezit elk Belgisch gezin 417.400 euro. Eén blik op de spaarrekening
volstaat voor het gros van de Belgen om te beseffen dat dat
gemiddelde niets zegt over de verdeling van de vermogens.

De
Europese Centrale Bank brengt daar verandering in. Het Household
Finance and Consumer Survey van de ECB verzamelde informatie over
meer dan 62.000 in vijftien landen uit de Eurozone. In België werden 2300 gezinnen bevraagd in 2010. Onderzoekers Sarah Kuypers en Ive Marx
van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen
schreven een eerste wetenschappelijke studie op basis van die
gegevens.

Enkele opmerkelijke vaststellingen

– De
helft van de Belgische gezinnen bezit minder dan 10 procent van het
totale netto vermogen. De top 10 procent bezit 44 procent. De top 5
procent bezit 32 procent van het totale vermogen. De top 1 procent
bestaat uit iets minder dan 50.000 gezinnen en bezit 12,37 procent
van het totale vermogen. Dat is dus meer dan de onderste 50 procent.

– De
vijf procent rijksten bezitten evenveel als de 75 procent armsten.

– 2,5
procent van de gezinnen heeft geen vermogen en alleen maar schulden.
Tien procent van de gezinnen heeft minder dan 2700 euro (alle
spaargeld en voertuigen inbegrepen). Tien procent van de gezinnen
heeft meer dan 687.000 euro. De rijkste tien procent bezit 254 keer
meer dan de armste tien procent. De top 1 procent bezit meer (tot
heel veel meer) dan 3 miljoen euro. Het armste gezin uit de top één
bezit evenveel als duizend gezinnen uit de de laagste tien procent.


Voor de 50 procent gezinnen die zich in het midden bevindt (met 25
procent van de gezinnen die armer is en 25 procent die rijker is)
vormt het eigen huis 75 procent van het vermogen.

– De
grote meerderheid van de huurders heeft geen vermogen. Zij
compenseren de afwezigheid van een eigen huis dus niet met meer
spaargeld. 

– Eén
procent van de eigen woningen is meer dan een miljoen euro waard. De
gemiddelde waarde van een woning is 273.000 euro. Eén op de zes
gezinnen heeft naast de eigen woning nog vastgoed in handen. Bijna 29
procent van de gezinnen betaalt een lening af op het eigen huis.

– Het
liquide financiële vermogen (spaargeld, pensioensparen, obligaties
en aandelen) is zeer ongelijk verdeeld. Een kwart van de gezinnen
heeft minder dan 5000 euro. Wie bij de één procent wil horen moet
meer dan 1,7 miljoen bezitten.


Bijna 8 procent van de gezinnen heeft obligaties. Maar twee derde van
de totale waarde van die obligaties zit bij 10 procent van de
obligatiehouders.


Diezelfde concentratie zien we bij aandeelhouders. 15 procent van
de gezinnen bezit aandelen. Maar bijna 85 procent van de totale
waarde is in handen van 10 procent van diezelfde aandeelhouders.


Bijna tien procent van de koppels met kinderen heeft een rekening in
het rood.

– De
helft van de mensen geboren in het buitenland bezit niets.

– De
helft van de inkomensarme gezinnen heeft nauwelijks genoeg spaargeld
om het een paar maanden uit te zingen.

Besluit
van de onderzoekers

Ive Marx en Sarah Kuypers:

“Met
name de
concentratie van financiële vermogenscomponenten zoals
obligaties, aandelen, spaargelden (en dus
de inkomsten daaruit) is
bijzonder groot. Dit heeft implicaties voor de faire verdeling van
de
financiering van de overheid, met name gezien inkomsten uit
vermogen lager belast zijn dan
inkomsten uit arbeid.

Ten tweede, een
laag inkomen, met inbegrip van een inkomen onder de
armoedenorm,
staat niet steeds gelijk met een laag netto vermogen, met name onder
ouderen. Dit
noopt tot een verruiming van de wijze waarop we armoede
meten en financiële behoeftigheid
vaststellen. Het noopt ook tot
verdere reflectie inzake de prioritaire middeleninzet van de sociale
zekerheid en de welvaartstaat in het algemeen.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!