De wereld van saffier – Graaiers en mandatenaccumulatoren

De wereld van saffier – Graaiers en mandatenaccumulatoren

zaterdag 7 december 2013 11:01

‘Een dag zonder krant is een mislukking. Daar begin ik niet aan,’ en vader Fons boog zich benieuwd over de drukinktgeurende bladen.

‘Dagelijks worden we om de oren geslagen met misselijke toplonen, schaamteloze graaiers, perverse mandatenacccumulatoren, aangevet met zuurverdiende centen van ons, belastingbetalers en supermarktbezoekers. Je loopt ze in de bedrijvenraden, zowel in de privé als in de openbare sector, tegen het lijf, je zuiverste inteelt. En nu ook dit weer: ‘zou niet mogen kunnen!’ Daar moet de publieke opinie het mee stellen. Rijke etterbakken die de straf voor hun financiële misdaden afkopen. ‘Dit zou misschien wel eens klassejustitie kunnen benaderen.’ Nauwelijks durft iemand een kat een kat noemen, verdomme.’

‘Let op je hoge bloeddruk, Fons,’ waarschuwde moeder Elvira.

In de namiddag spoedde ze zich naar het Cultureel Centrum waar de voorstelling van een beloftevol theaterstuk op haar lag te wachten. De lucht woog als een platte steen op de weg, zwaar, zinkkleurig, dood. Maar toen ze na de vertoning terugkeerde was de steen opzijgeschoven en daaronder stoven allerlei beestjes weg. Het gehemelte boven haar kwam tot leven. Vliegtuigen reden er door of ze gewacht hadden op de blauwe plekken tussen de optrekkende wolken.

Zij zelf zweefde tussen wolken, later op de dag.

‘Niet te geloven. Dat toneelstuk was een onvervalst gedicht. Woord voor woord uitgesproken en elk woord een taal op zich, elke term viel als een trapezist in een opvangnet en woog door gelijk een compleet verhaal. Dit toneelspel was een naslagwerk van A tot Z, ik ben er nog duizelig van. Elk begrip telde veel meer dan wanneer geventileerd in een dagdagelijkse conversatie, het was vruchtbaar en baarde in mijn brein een nieuw woord en dit weer een ander. Wat een verschil met een dagelijkse babbel waarbij nauwelijks vierhonderd woorden benut worden. Om het nog niet te hebben over de markteconomie, die hanteert er hooguit tweehonderd of minder, waarvan een heel aantal dezelfde zijn, geijkte passe-partouts.’

Saffier reed de fiets buiten, boeken op de rug. De verharde weg meanderde met de beek mee. Plots liet de begroeide oever een reiger los. Hij vloog met uitvergrote vlindervleugels voor haar uit. Geschrokken viel ze bijna van haar tweewiel. Hij wachtte op haar tot ze weer vertrekkensklaar was, vloog twee meters voor haar uit en zoog haar mee. Gefascineerd zag ze niets meer dan de wiekende vogel. Ze was zich er niet van bewust dat ze een asfaltweg overstak en de motoren van trucks en wagens stil vielen. Ze reed door rode lichten en te lange laatste werd ze spookrijder, alle voertuigen drumden bij het zien van het laag boven de grond zeilend vogelverschijnsel verschrikt opzij. Uiteindelijk kwam ze voor een vlakte. De omtrek van de planeet ontrolde zich en de hele aardoppervlakte strekte zich plat voor haar ogen uit. De aarde is niet rond, maar een platte schijf, dachten oude volkeren, herinnerde ze zich. De Apocalyps die zich voor haar ogen voltrok deed haar ineenkrimpen van angst. Tot haar ontsteltenis begon de reiger godbetert te spreken.

‘De natuur protesteert. Sommigen beweren halsstarrig dat het gewoon gaat om de zoveelste terugkerende cyclus. Maar neen, deze keer zijn het niet haar jaarstonden. Ze verkeert in ultieme barensnood en schijt haar rokende zwarte ingewanden uit. Ze schudt haar korst als de huid van een paard dat steekinsecten verjaagt. Ze beeft als een Parkinsonpatiënt en renoveert op enkele seconden gebouwen tot sarcofagen waar mensen levend bijgezet worden. Ze schraapt wratten, puisten, abcessen en karbonkels van haar bast. Ze schudt haar schoften en gooit de miljoenen menselijke bacteriën die haar schurftig en ziek maken van haar af als een aan de wal gekomen hond het water. Ze zweet en dampt onder de opwarming, ze scheurt open en braakt modderstromen uit, ze laat haar huid vervellen met aardverschuivingen en verandert hele dorpen in ongewijde kerkhoven. Fijn stof wordt zichtbaar en vult de lucht als dichte sneeuw die alles uitvaagt. Ik zie niets meer.’

De schrik sloeg de reiger, die boven haar ter plaatse bleef vliegen, rond de bek en in de veren. Hij liet een witte, zwarte, grijze kwak pardoes op de neus van Saffier vallen en vluchtte weg. Het was of ze ontwaakte, nog trillend op haar benen. Ze ontwaarde doorheen de bomen naast haar de contouren van de supermarkt Colruyt.

‘Ik heb wellicht geslaapfietst en ben uit koers geraakt,’ dacht ze en wist dat ze hopeloos te laat zou zijn op school. ‘Ik kan me in een plas water rollen en de leerkracht uitleggen dat een auto me de onverharde berm ingeduwd heeft en ik er bij wonder ongedeerd vanaf gekomen ben. Het autoverkeer is agressief genoeg om haar te overtuigen.’ Ze miste de les wiskunde en haalde nog het begin van de les Nederlandse Taal. De lerares legde de betekenis van eufemismen uit.

‘Een woord dat iets onaangenaams aantrekkelijker maakt of een zin die een taboe aanvaardbaarder of verbloemd uitdrukt.’ Ze vroeg voorbeelden.

‘Wanneer een politicus zegt dat hij het zeker zal doen, dan weet je dat hij het niet doet,’ antwoordde een leerling.

‘Dat is geen eufemisme, eerder politiek opportunisme,’ antwoordde de lerares.

Saffier waagde haar kans.

‘We wisten het al geruime tijd dat het er zat aan te komen, maar het is toch nog vlug gegaan.’

‘Ja, en?’

‘Een eufemisme voor palliatieve sedatie.’

Tweemaal per week was een nog net toelaatbaar minimum om het glas van de gevelramen te doen fonkelen, vond buurvrouw Hortensia van schuinover en zadelde moeder Elvira ondertussen met een kletsronde op.

‘Een schoonbroer van mij woont al jaren in Brussel. Nu hij het eindelijk gewoon begint te worden, stelt hij vast dat hij omringd is door allerlei ongemanierde situaties. Zijn dochter studeert voor verpleegster en doet haar stage in het Sint-Pietersziekenhuis. Wat ze daar allemaal tegenkomt. Bij de ingang zitten zwangere vrouwen zonder papieren te wachten tot het water breekt. Dan glippen ze vlug naar binnen, baren en voor het kind er kant en klaar uit is, vluchtten ze naar buiten. Als de baby niet goed is, laten ze het in de couveuse achter. Na een dag of vier sturen ze iemand die er schijnbaar toevallig langskomt op af om te kijken hoe het er mee gaat, uit schrik dat de poli­tie hen naast de couveuse staat op te wachten. Maar dat is nog niks in vergelijking met wat hem allemaal ter ore komt. In kaarsenverlichte kelders worden satanische missen opgedragen, in ateliers wordt grof geld verdient met het opnemen van pornofilms, in achterkamers worden pubermeisjes door uit Afrika overgevlogen sjamanen in het geheim en in serie besneden, achter afgegrendelde deuren houden vrijmetselaars obscure vergaderingen. En die rijen oude gevels, straten vol, waar in het voorbijgaan de afbladdering in je nek valt. Brussel, daar krijgen ze mij niet in. Voor geen geld.’

Na het avondjournaal liep Saffier van het teeveescherm weg. ‘Elke avond worden we gegijzeld door oersaaie  programma’s en geconfronteerd met telkens dezelfde smoelen.’

Moeder Elvira begreep haar. Zij zelf legde het zo aan boord dat ze bij elk nieuw theaterstuk de rol kreeg toegewezen die haar op het lijf geschreven was, die van de boodschapster van paniekerig nieuws. Ze kon het zo overbrengen dat alle spelers op de scene en de hele zaal perplex stonden. Ze maalde er niet om dat het publiek haar uiteindelijk zou identificeren met haar rol. Ze gaf haar dochter gelijk.

‘Hetzelfde mombakkes wandelt van Kanaal 5 als politieagent naar Kanaal 2 als pooier, vandaar naar 3 als mededinger in een quizprogramma en tenslotte naar 1 als lid van de Koninklijke familie.’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!