Blood on the mobile? De hoofdspeler ontbreekt

Blood on the mobile? De hoofdspeler ontbreekt

donderdag 14 februari 2013 16:00

Molenbeek, het zaaltje van de Klimpaal zit stampvol, ik schat met zowat honderd mensen, en allemaal hebben ze iets met ontwikkelingssamenwerking. Ze volgen een infocyclus van de Belgische Technische Cooperatie.

Vanavond kijken we tesamen naar Blood in the mobile, een documentaire film van Frank Poulsen (Denemarken). Hij ging in september 2010 in premiere, onthou die datum. Het motto van de maker luidt : Phones are financing war in DR Congo, een meer dan complexe situatie samengevat in zes woorden, dat is minder dan een one liner. Maar, zacht gezegd, er valt over het onderwerp wel iets meer te zeggen. En dat is wat BTC van me verlangt : kom de ‘cursisten’ vanavond aub diets maken wat je met deze film kunt, of niet kunt, kom de film kaderen.

De film gaat over de winning van ertsen in Oost-Congo – Poulsen noemt ze steevast blood minerals – en over de Finse firma Nokia die deze ertsen nodig heeft om gsm’s te fabriceren. De ertsen in kwestie zijn kassiteriet (of tinerts) en coltan (dat tantalum bevat).

Het thema ligt dicht bij mijn eigen werk. Ik heb de voorbije dertien jaar herhaaldelijk in Oost-Congo informatie gezocht. Ik heb er films gemaakt, in 2000 over de Mai-Mai, een burgermilitie ; in 2004 over hoe verkrachtingen zijn gebruikt als oorlogswapen. Ik heb er de productie van kassiteriet en coltan bestudeerd en de kanalen om de ertsen te verhandelen (voor Ipis, tussen 2007 en 2010).

Ook in mijn huidige job (bij Gresea) blijf ik volgen wat er in Oost-Congo gebeurt. Kijkend naar Blood in the mobile valt me dus 1&ander op. Vraag is : valt het de ‘cursisten’ van BTC ook op ? Eens zien of zij zien wat ik zie en wat ik mis ? Die vraag leg ik hen voor, alvorens de projectie begint : welke acteurs komen er voor in deze documentaire ? en : wie of wat is prominent afwezig ?

Poulsen staat op de titelrol als director, regisseur. Hij weet verdomd goed hoe je een lange documentaire (82 minuten) maakt (en bij momenten ook: in scène zet). Zijn camera staat altijd en overal aan. Poulsen gaat aankloppen bij Nokia. Dat is zijn gsm-merk, en hij wil van ‘my company‘ horen of er in hun gsms blood minerals zitten. Poulsen gaat ervan uit dat de ertsen uit Congo bloedertsen zijn, dat ze verkregen zijn met bruut geweld, door milities geleid door war lords die met de verkoop van de ertsen wapens kopen en hun oorlogjes aan de gang houden.

Dodelijke SMSen

Met die aannames begint de film. Poulsen twijfelt geen seconde dat ze waar zijn. Is my phone financing war ? Hij wil een antwoord van Nokia, ‘marktleider qua maatschappelijk verantwoord ondernemen. Maar Nokia houdt de boot af. Niemand wil er Poulsen te woord staan. Pas na lang aandringen komt Poulsen tegenover een sprekend Nokia-mannetje te zitten. Volgens hem heeft de firma al in 2001 actie ondernomen maar is het onmogelijk om de precieze herkomst van ertsen te tracen. Poulsen, verontwaardigd : ‘Nokia brengt elke drie maanden een nieuwe gsm op de markt. Nu blijkt dat ze al sinds 2001 van de blood minerals afweten’.

De regisseur heeft er veel voor over om zelf, met eigen ogen uit te maken waar Congo’s coltan en kassiteriet worden gewonnen en in wat voor omstandigheden. Hij geraakt tot aan de mijnen van Bisie in de provincie Noord-Kivu, en daalt er af in een mijnschacht. De mannen werken er als slaven. Schachten storten in, er vallen doden, er werken kinderen, het ruwe erts moet met mankracht naar de oppervlakte, de mannen hokken in hutten, en buiten vallen ze ten prooi aan de militairen.

Militairen persen de mijnwerkers af en iedereen die het gebied in of uit wilt. Bisie is de grootste mijn. In tientallen andere mijnen zijn dezelfde praktijken schering en inslag. In de wijde omtrek opereren andere gewapende groepen. Ze vechten om de carrières en terroriseren de mensen. Dus, schoon zijn de ertsen uit deze streek niet.

Met die wetenschap keert Frank Poulsen terug, eerst naar Nokia, en vervolgens naar Westerse activisten die zich om de blood minerals bekommeren. In Londen ontmoet hij Global Witness (‘een organisatie de link tussen natuurlijke rijkdommen en gewapende conflicten wil breken’), in de VS ontmoet hij Raise Hope for Congo (een filiaal van de lobbygroep Enough) en haar boegbeeld John Prendergast (ex-adviseur van president Bill Clinton), en tenslotte op Capital Hill (bedoeld wordt Capitol Hill), het congreslid Jim McDermott.

Global Witness heeft een simpele oplossing: bedrijven moeten bekend maken wie hun leveranciers zijn. Prendergast vindt dat niet genoeg: volgens hem moet mega-inkopers zoals Walmart en Apple conflictvrije ertsen eisen, dan zullen de dubieuze leveranciers vanzelf uit het systeem worden geduwd.

Prendergast en McDermott hebben in die geest voor een Amerikaanse wet gelobbyd. Die wet wordt in juli 2010 afgekondigd door president Obama. Juli 2010, twee maanden voor Poulsen zijn documentaire voorstelt. De impact van de Amerikaanse wet zit jammer genoeg niet meer in Blood on the mobile.

De grote afwezige

De impact is nochtans bijna ogenblikkelijk: de smokkel van ertsen uit Congo schiet in gang, de officiële export valt stil. In de mijnen verliezen vele tienduizenden mensen hun werk. Dit is een de facto embargo tegen Congo, zegt men mij daar. Maar dat valt buiten de film, die was gewoon eerder af. Wie of wat valt er nog buiten de film?

Ik blijf hengelen bij de cursisten van de BTC. Maar het duurt een tijd, tot mijn verbazing, voor iemand de grote afwezige aanduidt. Half Washington heeft gesproken, bij wijze van spreken, maar niemand, ik herhaal niemand spreekt voor Congo. Frank Poulsen ziet ze eenvoudigweg over het hoofd. Iemand zegt: ja, maar we hebben toch een ambtenaar van het Mijnwezen gezien, dat is toch een Congolees standpunt. Daar ben ik het niet mee eens. Er spreekt inderdaad zo’n ambtenaar. Een potsierlijk figuur. Hij is tegelijk ambtenaar èn ondernemer.

Als ambtenaar wordt hij geacht de mijnsector in het belang van het land te bestieren, als ondernemer verkoopt hij uitbatingstitels aan buitenlanders. Poulsen wrijft hem terecht onder de neus dat hij tegenstrijdige belangen vermengt. De ambtenaar: ‘dat ligt niet in mijn handen’, in wiens handen dan wel? ‘dat is politiek’. Een bizarre sekwens die even maar raakt aan de pest van de corruptie. Maar neen, deze mijnheer Kampekampe, zo heet hij, spreekt niet voor Congo.

Dat zou in de eerste plaats de Congolese regering moeten doen. Zij werkt, en al langer dan vandaag, om orde te scheppen in de wirwar van milities, mijnen en marchands in Oost-Congo. Ze doet dat met internationale partners. Maar haar plannen en acties worden tegengewerkt en gedwarsboomd. Sinds de oorlog in Congo officiëel ten einde is, in 2003, zijn er met de regelmaat van de klok opstanden uitgebroken in Oost-Congo.

Het buurland Rwanda, en dat is de grote gemene deler, had daar telkens direct of indirect de hand in. Het zijn politieke opstanden, tegen de zittende politieke macht. Maar politiek is in Poulsens film ook afwezig. Ik heb dat woord twee keer horen vallen: uit de mond van mijnheer Kampekampe, en uit de mond van het Amerikaanse Congreslid McDermott.

Films kunnen niet alles vertellen. Zoals elk ander medium heeft de documentaire film zijn limieten. Poulsen verkiest geen context te vertellen, geen voorgeschiedenis, geen achtergrond. Hij verkiest ons te tonen hoe hij Nokia tot verantwoording roept. Zo gaat dat in film. Maar dat hij Congo niet laat spreken, is fout. Witte bronnen genoeg in Blood on the mobile, maar het standpunt van de Congolezen? Zo wordt een film die blits begint uiteindelijk jammerlijk ouderwets.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!