Aalst carnaval

De lelie in de smurrie, een Aalsters carnavalverhaal

maandag 11 februari 2013 15:55

Het is zover. In Aalst is de jaarlijkse carnavalsgekte weer losgebarsten. De ‘ajoinenstad’ heeft zich dagenlang voorbereid alsof het Cuba betrof dat zich moest wapenen voor de komst van een orkaan. Vier dagen lang raast de stoet carnavalisten door de straten. Niet zo exotisch als de pluimenweelde uit Rio De Janeiro maar wel Unesco-werelderfgoed uit piepschuim. Scheppingsdrang op wielen tot de afsluitingsavond en de pijnlijke aftocht naar het niets.

De Cubaanse overheid staat er om bekend. Ze beschikt over de obligate elektronische voelsprieten. De bevindingen van die apparaten worden dag en nacht in het oog gehouden door afleesspecialisten. Dagen vóór het gevaar zich aandient, hebben ze het ontdekt. De bevolking wordt stante pede gewaarschuwd: vernietigende orkaan komt vanuit de oceaan op ons af; hij zal over het oosten van het land trekken.

De bewoners hebben maar een half woord nodig. Ik kijk het schouwspel verwonderd aan. Mannen en vrouwen, gewapend met hamers, tangen en zagen, sleuren de zorgvuldig bewaarde houten beschotten aan, halen de jaarlijks hergebruikte roestige kepernagels en vijzen boven en dekken alle gaten, spleten en gleuven van de woningen af. Op een mum van tijd veranderen die in ondoordringbare schuiloorden.

De regeringen van de omringende Caraïbische eilanden zijn minder geïnteresseerd in het op tijd waarschuwen van de bevolking voor de naderende verwoesting. Armoedzaaiers die zich in leven houden door op eigen kracht hun vis en ander zeegedierte te vangen, ze eigenhandig te ontgraten, te ontschubben, te pellen en te bakken zonder dat daar dan ook maar een peso van in de staatskas terechtkomt, zijn niet zo interessant voor de overheid. Cuba is op dat vlak een buitenbeentje. Vandaar dat ik me hier zo goed in mijn sas voel. Geboeid kijk ik hoe de mensen bezig zijn, terwijl ik naast de iglesia San Martín heb postgevat.

Maar wacht eens, ik bevind mezelf godbetert aan de voet van de Sint-Martinuskerk, glinsterend gerenoveerd in haar bleke streeksteen. Ietwat tureluurs loop ik verder. Ik sta nu voor de trappen van het cultureel centrum De Werf. Onderweg zie ik mensen op laddertjes, deuren en vensters dichtspijkeren met duimdikke spaanplaten.

Wat verder barricadeert potig stadspersoneel met houten beschotten bomen (een boom wordt zeldzaam in onze contreien), bushokjes, verkeersborden, panelen voor elektronische boodschappen, metalen en betonnen zitbanken, brood- en betaalautomaten en alles wat uitrukbaar is. Heeft er zich een vernietigende orkaan aangekondigd?

Nee, het werelderfgoed van de Unesco trekt door de straten. Vrucht van intensief overleg onder buren, oogst van verbeeldingskracht en creatieve technieken. Acrobatische vingers hebben in huiskamers en ateliers gedurende vele dagen linnen en linten in elkaar genaaid. Ze hebben maanden lang architecturale confectie ontwikkeld. Hoepelrokken, korsetten, waaiermantels en voiles met schoonheidspleisters voor de vrouwen en regenboogreflecterende pofbroeken, eischaalwitte vilten hoeden met fazantenpluim, roestbruine vesten en zwarte buikgordels voor de mannen.

De carnavalisten van de stad, geef ze een rol prikkeldraad en een stapel oude kranten. Zet ze dan in een leeg magazijn om het even waar, desnoods ergens aan de andere kant van het land en ze boetseren levensgroot de karakters van de nationale en lokale politici,veel beter dan die zichzelf kennen. Het zit in de genen. “Het is etnische kunst” , wist de directeur van het SMAK- museum in Gent te vertellen.

Gezichten zijn ingepakt in kanten kragen, kruinen omgetoverd tot bloemenstampers. Hoofden van nog uit te vinden prinsen lopen gekroond rond. Bakvissen etaleren ingelijste amandelogen, aangekomen dames hun parelneuzen en glamoureuze pauwenstaarten. Blauwe diva’s wisselen af met zilveren engelen en feeën die een pluimenweelde als een dampkring rond zich meedragen. Vergulde maîtresses gaan sprekende dieren vooraf.

Tussendoor schuiven namaakafrikanen door, zwemmend in de zoete pulp van tropische vruchten. Ook enkele Latijns-Amerikanen die de schijn van de schittering uit Rio de Janeiro nastreven. Maar helaas met te veel kleren om het lijf. Noordelijk klimaat en cultuur geven elkaar de hand en volgen de Braziliaanse meisjes niet met verhullende nepdiamanten op de tepels en goudkleurig netwerk tussen de dijen. Ook mannen willen de eerste twee dagen in de stoet gravin, hofdame, markiezin zijn. Uniformiteit over de geslachten heen.

Het feest van het piepschuim. Kunst die met het snijmes in accurate overdrijving karaktertrekken schept. Feilloos herkenbare politici trekken voorbij in onderbroek, nog net niet afgezakt. Een grijns in het kwadraat verraadt meteen de al dan niet populaire eigenaar van de smoel, een niet te miskennen tandenmond, een uitvergrote kin die je doet jaknikken: ‘och ja, die politieke pummel!’

Maar ook anderen, die niet te identificeren zijn, niet omwille van gebrek aan beeldhouwkunst om een getrouwe weergave uit te snijden, maar door de onbenulligheid van de partijdienaar in kwestie. Dames met – hoe kan het anders – wagenwijd gespreide benen. Met de politieke miskleunen die er langs de billen aflopen. Niet de skyline is the limit, wel de bruggen waarover de treinen daveren. Scheppingsdrang op wielen wordt beknot tot een paar meters hoog.

De langbenige lelie schittert hoog boven de daken, maar rond haar voeten begint de drek aan te dikken. Geen gunstige bodembedekker. Braaksel, rochels, slijm, urine, aangekoekte confetti, verschaald bier, plakkerige frisdrank, verschrompelde blikjes, frietschaaltjes, slierten plasticvodden, talk en tarwebloem, vertrappelde drinkbekers en plassen glaskorrels van ingeslagen autoramen leggen een laag vet over de kasseien, waar misschien nog een verslaafde skiër, die zich de reis naar de Alpen niet kan permitteren, zijn hart aan kan ophalen, wasknijper op de neus.

De kunstgewrochten, weergaloos werelderfgoed, veredelde driedimensionale graffiti, haute couture op de kilometerslange catwalk van de binnenstad, staan met de voeten in de stront. Tientallen mensen worden voor spoedbehandeling overgebracht met gekerfd vlees en nog resten van bloed in hun alcohol. Snoevers die de dag voordien elkaar met opgerichte gezwollen roede uitdaagden om ter hoogst een niet beschut uitstalraam te bestralen, hangen tijdens de popverbranding op de afsluitingsavond als baby’s in elkaars armen te grienen.

Wanneer de orkaan voorbij geraasd is, halen vrachtwagens platgedrukte supermarktkarretjes op en spuiten bewoners met een hogedrukreiniger hun uitstalramen, stoepen en gevels anderhalve meter hoog proper. Ik ben misschien te oud geworden om te begrijpen dat mensen, met of zonder terechte of vermeende frustraties, zich graag als varkens in hun eigen mest wentelen.

Woensdag, de loden ochtendschemering met aangepaste grijze mist, daagt in zak en as. De stilte doet pijn aan de huid. Midden op het plein, wankelend, een geluidsbox aan de voeten, mobieltje tegen het oor gedrukt, smeekt een overlevende om hulp: ‘Wanneer kom je mij nu ophalen?’ Het stadsbestuur probeert het beschaafd te houden met boterkoeken en sterke koffie voor de in flarden uit elkaar gevallen figuren. Boter aan de galg voor diegenen die zich drie dagen en nachten tot zombies degradeerden. Dan vangt de eenzame terugtocht aan, op automatische piloot, de ogen naar binnen gekeerd. In de onverstoorbare Molenbeek liggen, half verdronken, een rugleuning van het metalen zitje van een bushalte, een uithangbord, een lege bierbak. De aftocht is pijnlijk, naar de leegte, naar het niets.

In het nauwelijks bezet middenschip van de ingetogen Sint-Martinuskerk galmen de dekenale woorden: ‘Gedenk, o mens, dat gij van smurrie bent en tot smurrie zult terugkeren.’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!