Die van de andere kant
Anders -

Die van de andere kant

dinsdag 6 maart 2012 18:34

Stadspark (die van de andere kant) – Peter Minten

(kortverhaal)

     ‘Ik koop nog snel een zak frieten.’
     ‘Doe dat nu niet, Geert. Ik wil terug naar het hotel,’ zegt Sarah, ‘we hebben een glas wijn verdiend.’
In het koude maanlicht veegt ze haar lange haren uit haar gezicht. Een strakke wind voert een vreemde stilte aan uit de omliggende straten. Sarah en ik hebben vandaag urenlang in het stadspark op een bank gezeten. We hebben gepraat.
     ‘Gewoon een zak frieten.’
Het schemert op de donkere kasseien van de verlaten straat.
     ‘He, toe nou, Geert.’
     ‘Wat maakt het uit? Vijf minuten.’
     ‘Vijf minuten zijn vijf minuten. En trouwens, ze verkopen op dit uur geen frieten meer.’
     ‘Er brandt licht in de frietkraam.’
Ik zet enkele stappen naar de halve lichtcirkel van de kraam.
Achter het schuifraam staat een rijzige vrouw van middelbare leeftijd. Ze droogt met een handdoek voorzichtig enkele kommen af. Dan probeert ze een stuk papier van een rol te scheuren. Nauwkeurig veegt ze de randen van een frietketel schoon. Haar schort hangt al netjes aan een haak.
     ‘Zie je wel, ze is de kraam aan het sluiten,’ zegt Sarah.
     ‘Een zak frieten,’ vraag ik, ‘kan ik nog een zak frieten bestellen?’
De vrouw van de frietkraam draait zich langzaam om. Ze heeft een verzorgd gezicht. Ze lijkt niet thuis te horen in een frietkraam. Achter haar staan enkele doorschijnende emmers met aardappelrepen. Drie van de vijf emmers zijn nog vol. Het was een kille winderige dag vandaag. De vrouw kijkt van de volle emmers naar mij. Dan kijkt ze op haar polshorloge.
     ‘Die vrouw wil naar huis, Geert. Dat zie je toch.’
     ‘Wat doe ik verkeerd? Ik vraag haar toch gewoon iets.’
     ‘We hebben vandaag afspraken gemaakt, Geert. Jij en ik. We hebben werkpunten. Jij zou niet meer moeilijk doen.’
Het kuchen van de vrouw in de frietkraam.
     ‘Ik wacht op mijn man,’ zegt de vrouw. ‘Eén portie frieten moet nog net lukken.’ Ze trekt haar schort weer aan.
Ik wil de ogen van Sarah niet zien. Ze wil me altijd controleren.
     ‘Een zak frieten én een cheeseburger,’ zeg ik.
     ‘Een cheeseburger?’ herhaalt de vrouw. ‘U bedoelt een hamburger met kaas?’
     ‘Ja, natuurlijk.’
De vrouw knikt en zoekt een hamburger in de koelkast.
     ‘Doe ik één of twee plakken kaas tussen het broodje?’
     ‘Gewoon één plak,’ zeg ik. ‘Gewoon een cheeseburger.’
Haar handen snijden onzeker een plak van een kaasblok.
     ‘Het is allemaal nog een beetje nieuw voor me,’ zucht de vrouw. Ze lacht nerveus. ‘Ik werk nog maar een paar dagen in deze frietkraam.’
Onrustig bewegen de handen van de vrouw onder mijn spiedende blik.
     ‘We wonen hier nog maar pas,’ zegt de vrouw. ‘Mijn man en ik komen uit een stadswijk, aan de andere kant van het park.’
De andere kant van het park? Ik wist dat ik iets merkwaardigs aan haar zag. Ze komt van de andere kant van het park. Ongelooflijk. Ik zie zelden of nooit iemand van de andere kant.
     ‘Hoe is het daar, aan de andere kant?’ vraag ik.
     ‘Gewoon. Mijn man en ik woonden daar in een huis met een grote tuin. Mijn man was er makelaar. We hadden niets tekort.’
     ‘Maar nu bent u hier.’
     ‘Ja, nu wonen we hier.’
     ‘Waarom bent u naar deze kant van de stad gekomen?’
     ‘Ach,’ zegt ze. ‘We hadden problemen, mijn man en ik.’ Ze veegt haar handen af aan haar schort.
     ‘Maar hoe slaagde u er in om heelhuids door dat park te reizen?’
     ‘Ach,’ herhaalt ze.
     ‘Mijn man en ik zijn hier terechtgekomen, en we moeten er nu maar het beste van zien te maken. Maar mijn man vindt hier geen werk. Het is verschrikkelijk moeilijk om aan deze kant van de stad een job te vinden. Mensen voelen dat we niet van hier zijn.’
     ‘U heeft toch een job. U werkt in de frietkraam.’
     ‘Als u dit een job wil noemen. Ik begin ’s ochtends vroeg aardappelen te schillen. En ik ben open tot tien uur ’s avonds. Zeven dagen op zeven. De man met de zonnebril, die me in dienst genomen heeft, komt elke ochtend het geld ophalen. Hij stopt me dan wat wisselgeld in mijn handen. Dat is net genoeg om de huur van onze kamer te betalen. Mijn man en ik eten wat de marktkramers elke dag op het plein achterlaten.’
     ‘Dat is ongehoord,’ zeg ik. ‘U moet protesteren.’
     ‘Dat kan ik niet maken,’ zegt ze. ‘Ik vind hier geen andere job.’
Ik knijp met mijn duim en wijsvinger in het zachte vlees van mijn kin.
     ‘Directiesecretaresse. Aan de andere kant was ik directiesecretaresse.’
     ‘U durft niet meer terug door het park, naar uw kant van de stad?’
     ‘Niemand durft door dat park.’
     ‘Maar u bent toch door het park gereisd?’
     ‘Ach,’ zegt ze. ‘Ach.’
Dan draait ze zich om en schudt de frieten in een zeef.
     ‘Dit is gelukkig de laatste portie voor vandaag. Mijn man komt meteen. Hij zwerft de hele dag door de straten. Tot tien uur. Hij is vandaag weer laat.’
Sarah ademt snel in en uit.
     ‘Laat die vrouw met rust,’ zegt Sarah. ‘Ze wil sluiten. Wie denk je wel dat je bent? Laat die vrouw naar haar kamer gaan, Geert.’
De vrouw schudt vermoeid haar hoofd.
     ‘U krijgt een portie frieten,’ zegt ze tegen mij.
De laarzen van Sarah stampen op de kasseien.
Een grote besnorde man duikt op uit het schemer. De man trekt de deur van de frietkraam open.
     ‘Eindelijk klaar?’ vraagt de man. ‘Ik wil gaan slapen.’
De vrouw wijst naar mij.
     ‘Nog een zak frieten en een cheeseburger, Henk’ zegt ze, ‘voor mijnheer.’
     ‘Je werkt te traag,’ zegt de man. ‘Geef toe dat je te traag werkt.’
     ‘Tien minuten, Henk’ zegt de vrouw, ‘over tien minuten gaan we slapen.’
     ‘Geert, verdomme. Laat die mensen met rust. Ik schaam me dood.’ De stem van Sarah trilt.
Ik slaak een diepe zucht en buig me naar de vrouw. Ik kijk de man niet aan.
     ‘Sorry, mevrouw, het  hoeft niet meer. Ik bedoel, laat die frieten en die cheeseburger maar, ik heb toch niet zo’n honger.’
De man trekt de koelkast open en kijkt vragend naar de vrouw. De vrouw schudt haar hoofd. 
     ‘Je moet van de blikjes bier afblijven, Henk. We kunnen het bier echt niet betalen.’ Dan kijkt de vrouw naar mij. ‘U heeft een zak frieten besteld, dus krijgt u een zak frieten.’
     ‘Het hoeft echt niet meer,’ zeg ik.
Een harde windstoot graait een papieren puntzak mee uit de kraam. De vrouw neemt een andere puntzak en ploft er het zoutvat op, terwijl de man een sigaret rookt en tegen de deur leunt.
     ‘Je mag hier niet roken,’ zegt de vrouw tegen de man. ‘Ga naar buiten, zo kan ik niet werken.’
De man maakt een wegwerpgebaar en knalt de deur achter zich dicht.
Snuivend draait Sarah zich om en stapt uit de halve lichtcirkel. Enkele meters verder blijft ze staan. Haar lange haren glimmen in het koude maanlicht. Ze staat onbeweeglijk en vloekt. Ze noemt mijn naam.
     ‘Mevrouw,’ zeg ik, ‘luistert u even. U heeft gelijk, ik bestelde daarnet een zak frieten, maar ik heb me bedacht. Ik wil geen frieten meer. Gaat u gewoon naar huis. We vergeten het. Gaat u gewoon met uw man naar uw kamer. Sarah en ik moeten er ook vandoor.’
     ‘Geen sprake van,’ zegt de vrouw. ‘Zo makkelijk komt u er niet van af. U heeft een zak frieten besteld, en u zal een zak frieten betalen. We hebben het geld hard nodig.’
Ik zucht lang.
     ‘Mevrouw, u begrijpt het niet. Het gaat me niet om het geld. Als u wil, betaal ik u het geld. Maar u hoeft me geen frieten en geen cheeseburger te geven.’
De man komt de kraam weer in.
     ‘Ben je nu klaar, verdomme?’ vraagt hij.
     ‘Hij wil zijn frieten niet meer,’ zegt de vrouw tegen de man. ‘Hij bestelde een zak frieten en nu zegt hij dat hij de frieten niet meer wil.’
     ‘Doe niet moeilijk,’ zegt de man tegen mij. ‘Wie bestelt moet betalen, dat is overal de regel. Ook aan deze kant van het park.’
     ‘Mijnheer,’ zeg ik. ‘Ik wil het geld betalen. Maar uw vrouw moet me de frieten en de cheeseburger niet meer geven.’
     ‘Zie je wel,’ zegt de vrouw, ‘hij wil niet.’
     ‘Ik wil betalen, maar ik wil de frieten niet, begrijp dat dan toch.’
     ‘Hij wil echt niet,’ zegt de vrouw. ‘Hij houdt ons gewoon voor de gek.’
De deur van de kraam zwaait open. De man heeft een ingevallen gezicht en donkere wallen onder zijn ogen.
     ‘Je kan hier niet weg zonder die frieten en die cheeseburger. Dat kan ik niet toelaten.’
     ‘U denkt dat u zich alles kan veroorloven,’ zegt de vrouw tegen mij. ‘Alsof mensen in een frietkraam geen mensen zijn.’
Wanneer de man zijn hand op mijn arm legt, buig ik mijn hoofd. Ik heb Sarah beloofd mijn lichaamskracht niet meer te gebruiken.
     ‘Oké,’ zeg ik. ‘Een zak frieten en een cheeseburger.’
De man grijnst naar de vrouw. De vrouw knikt.
     ‘Wat moet er op de frieten?’ vraagt de vrouw.
     ‘Niets,’ zeg ik, ‘er hoeft echt niets op.’
Haar vingers rond het zoutvat.
     ‘Sorry, geen zout, zeg ik. ‘Zout is niet goed voor mijn hart.’
     ‘Het zout is gratis.’
Kalm blijven, ook dat heb ik aan Sarah beloofd.
     ‘Bedankt, maar ik wil geen zout.’
De oogopslag van de man.
     ‘Weg met dat ding,’ zegt hij.  Je hebt hem toch gehoord. Maak voort. Ik wil slapen.’
     ‘Doe ik de frieten en de cheeseburger in een plastic zak?’ mompelt de vrouw.
     ‘Doet u maar wat u het beste lijkt.’ Ik probeer te glimlachen.
Ze stopt de in papier verpakte frieten en de cheeseburger in een witte plastic zak.
     ‘Dat is dan vier euro twintig.’
Ik leg een briefje van vijf voor haar.
     ‘Geen wisselgeld,’ zeg ik. ‘Houdt u het geld maar.’
     ‘Wat denkt u wel,’ zegt de vrouw, ‘wij zijn eerlijke mensen. Denkt u dat wij geen eerlijke mensen zijn, omdat we in een frietkraam staan?’
De man kijkt me strak in de ogen.
     ‘Jullie zijn eerlijke mensen,’ zeg ik. Ik ben op dit ogenblik bereid om op alle vragen, over om het even wat, positief te antwoorden. Ik hoop dat Sarah dit moment onthoudt. En ik wil hier weg.
De vrouw strooit vier stukken van twintig eurocent over mijn handpalm.
Ik laat het geld in mijn broekzak glijden, neem de plastic zak aan en draai me om. Sarah is verdwenen. Ze heeft niet op me gewacht. Ik kan me aan zware storm verwachten.

Ik slenter traag door de duisternis van de straat. Het gevloek van de man. De mep. Het gillen van de vrouw. Dan de klep van de kraam die dicht knalt. Ik sleep mijn benen door de lange smalle straat, tot ik zeker ben dat niemand me nog kan zien, ook de duiven niet. Ik haal de in papier verpakte frieten en de cheeseburger uit het zakje, en laat het zakje los. Het plastic zakje wordt meegerukt door een harde windvlaag. Het zakje vliegt in de richting van het park. De wind waait al de hele dag kranten en beduimeld papier naar het park. Ik warm mijn handen nog even aan het papier rond de frieten, laat ik de frieten en de hamburger in een vuilnisbak glijden, en wandel naar het hotel. Het is een vreemd donker hotel. Het hotel lijkt op een of andere manier vergroeid met de frietkraam en met de rand van het park.

De frietkraam is nu een zwarte vlek, in een koude avond, van door de maan getemde duisternis. Stemmen in de frietkraam. Schreeuwende stemmen. Ik open de deur van het hotel en neem de trap naar de eerste verdieping. Een klop op de deur. De minuten gaan voorbij. Dan open ik de deur met de sleutel en stap voorzichtig door de kleine kamer. Sarah zit ineengedoken op het smalle balkon. Het schuifraam naar het balkon staat open. Sarah beweegt niet. Ze heeft haar rug naar mij gekeerd. Haar haren flapperen in de wind, in de richting van het park.

Ik klem mijn handen vast aan de reling. Op het dak van de frietkraam zitten enkele duiven. Ze slaan hun vleugels uit, en laten zich met de wind meedrijven tot boven het park. Dan proberen ze te zwenken, ze klapperen verwoed met hun vleugels, maar verdwijnen tussen de hoge bomen van het park.

Het maanlicht trekt een grillig wit spoor over de grote vijver in het park. Die grote ongrijpbare maan. Die maanbol met zijn kankervlekken. Is het die kankermaan die op elk ogenblik kan bevelen in welke de richting de wind waait?

‘Ik heb de frieten niet opgegeten, Sarah.’
     ‘Je bent een onuitstaanbare koppige vent,’ zegt ze. ‘Het is uit tussen ons.’
Haar hoofd ligt op haar knieën. Praten, wil ze niet meer.

Sarah en ik kwamen vanochtend vanuit een buitenwijk van deze grote stad naar dit hotel, om dingen uit te praten. Thuis lukte dat niet meer. We zaten vandaag aan de rand van het park op een bank en deden elkaar plechtige beloften. Dat was wel nodig. Gisteren bedreigden we elkaar met een scherf van onze slaapkamerspiegel. Ik had onze wekker naar de spiegel gegooid. Zij kalmeerde mij, en ik kalmeerde haar, en we namen vanochtend een tram naar dit hotel.

Beneden op de straat gaat de deur van de frietkraam open. De man blijft voor de verlichte deuropening staan en rookt een sigaret. Hij vloekt nog steeds. Dan werpt hij de sigaret weg en trekt de deur weer achter zich dicht. Wat doen de vrouw en de man nu nog in die frietkraam? Misschien huren ze helemaal geen kamer in een pand. Misschien slapen ze elke nacht gewoon op plooibedden in de frietkraam.

Windvlagen rukken aan mijn kleren. Is het de harde wind uit de buitenwijken die Sarah en mij vanochtend naar de rand van dit stadspark geblazen heeft? Kunnen we nog terug naar huis? Kunnen we tegen de wind in, nog ooit terug naar ons huis?

Mijn handen verkrampen aan de reling van het balkon. Hebben duiven ooit last van verkrampte poten? Geluiden op de straat. Het zijn de geluiden van grote voortrollende metalen vuilnisbakken. De vuilnisbakken rollen van de straat naar het park. De frietkraam beweegt niet. De frietkraam is stevig verankerd met betonblokken.

Loeiende windvlagen drukken me tegen de reling. Sarah heeft haar hoofd tussen haar knieën verborgen. De witte plastic zak tolt rond boven de vijver in het park, en verdwijnt tussen de grijpende takken van de bomen.

Sarah en ik kunnen niet meer ontsnappen. Misschien zal de wind het vanavond doen. Of misschien morgenochtend. Misschien komt dan de hevige windstoot die ons voorgoed vooruit zal jagen naar de donkere grijpende bomen. Of misschien zullen we geluk hebben, en zal de wind hard genoeg loeien om ons hoog in de lucht mee te voeren naar de andere kant van het park.

Dit verhaal vind je ook op mijn website:

www.schrijveronline.com

Dit verhaal verscheen in De Brakke Hond, nr 5, 2011, onder de titel ‘stadspark’.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!