Psychoanalyse onder vuur: pleidooi voor de gezonde scepsis
Opinie, Nieuws, Samenleving, België, Ugent, Etienne Vermeersch, Wetenschap, SKEPP, Geerdt Magiels, Joël De Ceulaer, Wetenschapsfilosofen, Filip Buekens, Psychoanalyse, Freud, Klinisch psycholoog Erik Mertens, Freud-bashing, Robrecht Vanderbeken, Paul Verhaeghe - Erik Mertens

Psychoanalyse onder vuur: pleidooi voor de gezonde scepsis

In 'De Standaard' verscheen een kritisch artikel over de psychoanalyse. "De psychoanalyse is geen exacte wetenschap in strikte zin zoals bijvoorbeeld de chirurgie – geen enkele psychologische theorie kan dat zijn, maar ze is ook allerminst een pseudowetenschappelijke ideologie", reageert klinisch psycholoog Erik Mertens.

dinsdag 6 december 2011 11:00

In De Standaard van 26 en 27 november schreven Geerdt Magiels en Filip Buekens een hatelijk opiniestuk over de Sloveense, psychoanalytisch geïnspireerde, filosoof Slavoj Zizek. Joël De Ceulaer vulde twee volledige bladzijden van de weekendkrant de week nadien om de psychoanalyse te hekelen. Bekijk hun stukken goed en je ziet warempel de Koning zoals Hamlet: “The body is with the King, but the King is not with the body. The King is a thing. – A thing, my Lord? – Of nothing.”

Met een neoscholastisch wantrouwen vliegen de Kings of Science uit boven het maatschappelijk-ideologisch debat om SKEPPtisch te beoordelen wat waar is en wat vals. De psychoanalyse zou vals zijn. Hun perspectivische blik? A thing … of nothing. Of anders: Science. Waardevrij, neutraal, wetenschappelijk. Het is niets anders dan pure excellentie.

Ik wil me graag aansluiten bij de oproep van Robrecht Vanderbeeken op DeWereldMorgen.be: ‘Hoed u voor de zelfverklaarde wetenschapsfilosoof’. Zijn sublieme lichaam is immers niets anders dan een pure semblant zonder enige substantie.

De verwaandheid waarmee Buekens en Magiels waarschuwden voor de komst van de gevaarlijke filosoof Slavoj Zizek, getuigt inderdaad alleen maar van een soort monarchenstatus. In hun korte opiniestuk weerleggen ze geen enkel idee van de nochtans controversiële, subversieve denker die zelf nooit het debat uit de weg zal gaan.

In plaats van een kritische opinie te schrijven, vonden de auteurs het genoegen om met vuil te kladden en een lelijk portret van Zizek te maken: ‘de rattenvanger van Hameln’,  de gevaarlijke ‘charlatan’, ‘dubieus’, ‘dubbelzinnig’, ‘pervers’, … Ideeën en opinies zouden aan deze ‘intellectuele clown’ niet besteed zijn omdat hij het alleen maar op ‘gebral’ houdt, enz.

Waarom zo’n smerig kladwerk? Welke gewelddadige dreiging gaat er van Zizek uit? Voelen Magiels en Buekens zich bedreigd door de wijze waarop Zizek zelf onophoudelijk blijft wijzen op het ideologische gevaar par excellence, namelijk de dreiging die uitgaat van de ideoloog die, vermomd als expert, beweert op geen enkele wijze nog een ideologisch standpunt in te nemen? Is het misschien daarom dat hij zo venijnig moet worden afgemaakt?

Wellicht voelen de auteurs zich te sterk geïntimideerd door de democraat die de wereld niet wil uitbesteden aan technocraten, bureaucraten, bankiers, en ook niet aan zelfverheerlijkte experts van de wetenschap.

Zizek zou geweld prediken, en afgedaan. Dat is belachelijk. Het is niet omdat hij een pleidooi voor intolerantie houdt, dat hij daarom ook meteen een oproep doet om de wapens in handen te nemen. Zizek onderscheidt verschillende soorten van geweld en denkt er kritisch over na. Het typeert hem als marxist om over politieke, vaak subversieve, acties kritisch na te denken en op een tegensprekelijke manier deel te nemen aan de publieke opinie.

Lijnrecht daar tegenover staan de axiomatische dooddoeners van diegenen die weten zonder meer. Wat moeten we bijvoorbeeld denken van de uitspraak van Etienne Vermeersch in een debat tijdens de Gentse Feesten over de patattenactie: “enkel de staat heeft een monopolie op geweld”. Ik ken de context van deze uitpraak niet, maar als je de stelling op zich neemt en verdedigt, … Did somebody say totalitarism?

‘Is de psychoanalyse een gevaarlijke pseudowetenschap?’, luidt de titel van het lange artikel van Joël De Ceulaer in De Standaard van 4 december. Retorische vraag voor hem. De Ceulaer doet al jaren zijn best om, samen met de SKEPP-vrienden, actief deel te nemen aan de Freud-bashing. Elke aanleiding is goed om ‘Het front tegen Freud’ (ondertitel) te vervoegen.

De auteur haalt onder andere een vrome bekentenis aan van Jacques Van Rillaer: “Wat ik geleerd had van mensen zoals Jacques Lacan, was voor mij de catechismus”. Tja, waarom eigenlijk? Draait Van Rillaer niet alles op zijn kop door meteen daarop de psychoanalytici te vergelijken met ‘fundamentalistische moslims’? Uiteraard wordt deze uitspraak vettig ingekaderd door De Ceulaer … Kritische Evaluatie van een Pseudowetenschap?

Je voelt in alles hoe deze journalist zich op de borst klopt als hij lasterpraat kan ophalen over de psychoanalyse. Maar al te graag gaat hij te rade bij een SKEPP-vriendin zoals Griet Vandermassen om de zogenaamde pseudowetenschappelijkheid van de psychoanalyse in de verf te zetten.

Ook met Paul Verhaeghe, hoogleraar psychoanalyse, had De Ceulaer een gesprek. Maar daar moet wel meteen aan toegevoegd worden: “Navraag leert dat Paul Verhaeghe aan de faculteit psychologie zelf niet echt omstreden is.”

Hij kan onmogelijk zijn bevooroordeelde, onjournalistieke afkeer van de psychoanalyse wegstoppen. Pourquoi tant de haine? De schijnbare neutraliteit van het artikel dat Joël De Ceulaer schreef, is bij uitstek ideologisch. Er staat inderdaad een heel wereldbeeld op het spel.

Het materialistische lichaam van de psychoanalyse

Telkens opnieuw blijven in de media stemmen opwellen van ridderlijke gedragswetenschappers die de protocolarisering van het bestaan in hun blazoen hebben staan. Ze blijven de psychoanalyse viseren omdat ze zich per definitie nooit helemaal zal laten protocolariseren; omdat haar object een particulier subject betreft dat zich niet zomaar op een gestandaardiseerde manier laat behandelen; omdat ze niet meedoet aan de zelfhypnose van het positieve denken (of cognitieve gedragstherapie) waarbij de therapeut de juiste cognities aanleert aan de verdwaalde cliënt; omdat ze met finesse blijft stellen dat het reële van haar kliniek – d.w.z. het reële van relatieproblemen, depressies, angsten, enz. –  voorbij het strikt kwantificeerbare ligt; omdat ze het singuliere van elke mens vooropstelt boven het universele van de politieke statistiek.

De psychoanalyse wordt als het ware telkens opnieuw als rest geboren uit de sciëntistische wil om alles perfect te meten of te scoren. Maar dat betekent niet dat ze geen oriëntatie kent of dat ze niet geëvalueerd kan of mag worden. Integendeel, de geschiedenis van de psychoanalyse bewijst voldoende het permanente ondervragen van haar eigen beginselen, en het steeds opnieuw aanpassen van haar eigen theorie en praktijk.

Naast de eigen analyse is het in eerste instantie de taak van de analytische school als werkgemeenschap om een permanent forum te bieden (via klinische conversaties, intervisies en supervisies) voor deze evaluatie. In tweede instantie kan de psychoanalyse worden geëvalueerd door een statistisch (wetenschappelijk) onderzoek, maar dan wel via een methodiek die gestoeld is op heel complexe, met elkaar samenhangende variabelen en niet op simpele, eenvoudig te isoleren variabelen.

Want ook al heeft het symptoom van Jules dezelfde naam als het symptoom van Jean, dan nog verschilt het symptoom van Jules drastisch van dat van Jean, simpelweg omdat Jules ontzettend veel eigenschappen heeft die met zijn symptoom samenhangen, die Jean niet heeft. Ziedaar de reële evidentie waarop de psychoanalyse gebaseerd is.

De psychoanalyse is geen exacte wetenschap in strikte zin zoals bijvoorbeeld de chirurgie – geen enkele psychologische theorie kan dat zijn, maar ze is ook allerminst een pseudowetenschappelijke ideologie. Ze situeert zich eerder op het punt van de interne exclusie van het sciëntisme, en stelt zich, in de meest uiteenlopende instellingen, als een fundamenteel andere, als een ‘vrolijke wetenschap’ open voor het leven, voor het reële, voor wat een mens drijft.

Ze stelt zich open voor het onophefbare verschil tussen Jules en Jean en bewaakt dat verschil door iedereen de tijd te gunnen om op dat punt zijn eigen, unieke arrangement uit te vinden, om anders te kunnen zijn dan de anderen.

In tegenstelling tot wat de lastercampagne beweert, dompelt de psychoanalytische school (aan en buiten de universiteit) dus niemand onder in een catechistisch weten. Precies het omgekeerde gebeurt: iedereen wordt uitgenodigd en aangemoedigd om kritisch en zelfstandig na te denken, om mondig te worden, vrij en verlicht, en dus niet mee te gaan in de blindheid van het geloof in pseudowetenschappen. De psychoanalyse zal immers telkens opnieuw de claim op een absolutistisch weten ontmaskeren.

In haar praktijk doet ze niets anders dan de pijn van die categorische imperatief te verzachten en mensen te helpen of bij te staan om geëngageerd te roeien met de riemen die ze hebben. In haar praktijk is ze materialistischer dan eender welke vorm van psychotherapie. Het idealisme is haar vreemd. Of misschien wordt de psychoanalyse, samen met de hysterie, permanent opnieuw geboren uit het sciëntistische idealisme of uit de wetenschappelijke ideologie, omdat ze het verlangen en het vrije denken zal blijven verdedigen.

‘Durf denken’, luidt het credo van de Gentse universiteit. Ik ken geen praktijk of theorie waarin het ‘durf denken’ zo sterk wordt aangemoedigd als in de psychoanalyse, ook als dat denken tegen de stroom oproeit en door de politieagenten van het denken als gevaarlijk wordt bestempeld.

Leve de gezonde scepsis!

Erik Mertens

Erik Mertens is klinisch psycholoog en lid van de Kring voor Pyschoanalyse.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!