Opinie, Nieuws, Politiek, België, Tmd -

Waarover socialisten een standpunt zouden moeten hebben

De afgelopen 300 dagen is het vanuit Vlaams socialistische kant maar stil geweest. Hoe zij tegenover de regeringsonderhandelingen staan, blijft een mysterie. Toch is het noodzakelijk dat er net vanuit die hoek reactie komt, schrijft Jan Blommaert.

maandag 28 maart 2011 16:16

Ik ben niet de enige die van oordeel is dat de sp.a een bijzonder onopgemerkte rit rijdt doorheen de regeringsonderhandelingen, of hoe men dit proces inmiddels ook mag noemen. Velen hebben al gewezen op het gebrek aan inbreng en profiel vanwege de partij in de gesprekken die ertoe doen. Zoals het hoge grijze-muis gehalte van de onderhandelaars en het feit dat de sp.a op geen enkel punt gewicht in de schaal lijkt te werpen. De partij glijdt onopgemerkt mee met deze onderhandelingen die in feite geen onderhandelingen zijn. Zo neemt ze zonder profiel mee deel aan dit proces dat de geschiedenis zal ingaan als de meest beschamende politieke kermis aller tijden en aller landen. De meest indrukwekkende show van politiek onvermogen en politieke onkunde ooit door een generatie politici vertoont.

Vlaams socialistische standpunt

De doortocht van Vande Lanotte, fel bejubeld naderhand, illustreerde dit alles en was dan ook geen succes voor de partij. Vande Lanotte zorgde niet voor herkenbare linkse of sociaal-democratische accenten, want als onderhandelaar stond hij boven de partijen en legde hij zich neer bij het inhoudelijke leiderschap van de NVA en de PS. Hoe de Vlaamse socialisten tegenover de onderhandelingen staan, daar hebben we al 300 dagen het raden naar. Er is nochtans meer dan genoeg aan de hand, en er zijn gelegenheden te over waarop socialisten betekenisvolle interventies zouden kunnen maken. In wat volgt beschrijf ik er twee:

De betekenis van solidariteit

Gedurende de hele loop van de onderhandelingen hanteren De Wever, Bracke en consorten een wel uiterst merkwaardige definitie van solidariteit – één van de kernbegrippen uit het socialistische arsenaal en een thema waarvan men zou verwachten dat socialisten er met luide en overtuigende stem op zouden reageren.
Reeds van in de verkiezingsstrijd hanteerde de NVA het beeld van de ‘twee democratieën’. België, zo luidt het, is geen democratie meer maar bestaat uit twee afzonderlijke democratieën die elk een andere consensus vertolken en dus in een andere richting drijven. Vlaanderen is rechts, Wallonië is links. Vlaanderen wil meer voor zichzelf rijden, terwijl Wallonië de Belgische solidariteitsmechanismen in stand wil houden. DIt uit eigenbelang, zo stelt NVA, want Vlaanderen is een netto donor aan Wallonië. Dit zijn de aloude en bekende ‘transfers’ tussen de deelstaten in dit land.

Welnu, zegt De Wever, solidariteit hangt volledig samen met democratie, en vermits we twee democratieën hebben, hebben we ook twee systemen van solidariteit: een Vlaams en een Waals systeem. Van Belgische solidariteit is eigenlijk geen sprake meer, ze bestaat enkel bij de gratie van de Vlaamse goodwill om Wallonië verder te blijven subsidiëren. Die goodwill, zo luidt het keer op keer, wordt steeds dunner en wordt steeds meer op de proef gesteld want de Walen blijven zich verzetten tegen de gerechtvaardigde eisen van de Vlamingen.

Ik heb nauwelijks ernstige kritiek gehoord op deze visie. Dat zowel het begrip democratie hier verkracht wordt – het wordt gelijkgesteld met kiesomschrijvingen en toevallige electorale conjuncturen – als het begrip solidariteit, lijkt de anderen te ontgaan. Wat solidariteit betreft, de NVA stelt solidariteit volledig gelijk aan liefdadigheid. Solidariteit, dat zijn sommen die we in een ruimhartige bui geven aan de minder bedeelden. Die giften zijn voorwaardelijk: als we de bedelaar met onze aalmoes een drankwinkel zien binnenlopen dan zullen we de volgende keer niets meer geven. Ze zijn ook voorwaardelijk in de zin van conjunctureel: wanneer ik zelf geen geld op overschot heb, dan zal ik geen aalmoezen geven.

Dit beeld van solidariteit is uiteraard een kernelement uit een neoliberaal register, waarin elke vorm van niet-economisch gemotiveerde uitgave (en die categorie is voor neoliberalen heel erg ruim) enkel mogelijk is op vrijwillige basis, maar op geen enkele wijze een structureel gegeven mag zijn. De hele welvaartstaat moet aldus afgebouwd worden als systeem dat automatismen bevat, en herleid worden tot een vrijwillig complex van negotieerbare, contextgevoelige en selectieve daden. Dit is niet zomaar een woordenspel, het is een definitie die de kern van een samenlevingsmodel uitmaakt. In de socialistische traditie staat solidariteit voor herverdeling, het is een structureel mechanisme van herverdeling van ongelijk verdeelde middelen dat zowel economische finaliteiten heeft (mensen uit de armoede houden en ze als consument blijven activeren), als politiek-ideologische (de gelijkheidsgedachte en het rechtvaardigheidsbeginsel), en sociale en culturele doelen (het garanderen van opwaartse sociale mobiliteitstrajecten aan mensen uit niet-begoede klassen).

Binnen een herverdelings-logica is het vanzelfsprekend dat de ene meer ontvangt dan de andere – transfers zijn het wezen zelf van solidariteit. Het is vanzelfsprekend dat de bijdrage aan de gezondheidszorg van iemand die kerngezond is hoger is dan diens behoeften, en dat de kerngezonde mens daardoor ‘transfers’ naar zieke mensen aanstuurt wier bijdrage kleiner is dan hun behoeften. De kerngezonde mens verwacht dit eveneens terug in geval hij of zij zelf plots ernstig ziek zou vallen. Solidariteit is een systeem waarvan onevenwichten de noodzakelijke kern vormen.

Dit alles, noteer, is materie voor een eerste bachelor in de politieke-en sociale wetenschappen. Het is een absoluut elementair beginsel van de wijze waarop onze samenleving georganiseerd is. Maar wanneer ik luister naar hoe dit begrip in onze media circuleert, dan stel ik vast dat heel veel mensen dit elementair beginsel vergeten zijn en er de neoliberale visie op nahouden. Het is hierdoor dat De Wevers absurditeiten als wijsheden klinken. Niemand doet de moeite om die oude socialistische interpretatie van solidariteit in herinnering te brengen. Daar is dringend behoefte aan, en de Vlaamse socialisten zouden dit gerust kunnen doen. Het zou het debat een heel andere wending kunnen geven, want de vraag of België mag voort bestaan wordt dan een vraag naar het samenlevingsmodel waarvoor we kiezen.

Een rechts Vlaanderen is een Vlaanderen waarin solidariteit als systeem van herverdeling niet meer zal bestaan. Dit is de natte droom van VOKA, UNIZO en andere neoliberale drukkingsgroepen en denktanks. Het is eveneens de visie van mensen zoals David Cameron, met wie De Wever onlangs handjes mocht schudden. Welnu, in het Groot-Brittanië van Cameron zou Bart De Wever vandaag nooit meer in staat zijn een universitair diploma te behalen. De universiteiten krijgen daar immers nu een catastrofale subsidie-vermindering van 80 procent te slikken. Om financieel te overleven moeten ze daarom de studiegelden verdriedubbelen en de toegang tot hoger onderwijs voorbehouden aan de kinderen van de begoeden. Ziedaar het neoliberale paradijs.

Dit zou men moeten weten, men zou moeten weten wat het standpunt van de NVA inhoudt en welke gevolgen het heeft. Socialisten zouden hiertegen moeten handelen. Ze hebben immers recht van spreken; dit gaat over recepten uit hun eigen keuken.

De Homo Economicus

Een tweede punt dat volledig aanleunt bij het vorige, is dit. Socialisten zouden een alternatief moeten uitdragen voor de enorme, en steeds toenemende, dominantie van een pure en platte economische logica in alle domeinen van de samenleving. Zowel in Europese documenten als in de standpunten van nagenoeg alle maatschappelijke actoren in dit land ziet men dat de mens nog slechts één doel blijkt te hebben: werken. Werken tegen om het even welke voorwaarden, voor eender welk salaris, en volledig onderworpen aan wat men de ‘wetten van de arbeidsmarkt’ noemt. Concreet: volledig onderworpen aan de logica en de prioriteiten van de werkgever.

Socialisten draaien al vele jaren mee in deze retoriek. Meer nog, met thema’s zoals de ‘actieve welvaartstaat’ hebben ze bij momenten het voortouw genomen in de absolute prioritisering van de arbeidsmarkt in de trajecten van mensen in onze samenleving. De economische crisis van 2008 en volgende jaren heeft ervoor gezorgd dat dit motief nu volkomen domineert en dat men nog nauwelijks enige kritiek erop verdraagt. Wat heeft dat tot gevolg? Welnu, ik hoorde onlangs een vertegenwoordiger van een werkgeversorganisatie op de radio het volgende voorstellen. Men moet jonge mensen nu eindelijk maar eens wat duidelijker naar de juiste studiekeuze toeleiden. Er zijn immers nog veel te veel jongeren die ‘nutteloze’ opleidingen volgen: geschiedenis, moraalfilosofie, wijsbegeerte, fotografie, noem maar op. Dus, zegt deze meneer, we moeten die jongeren ten eerste goed en duidelijk voorlichten over de studies die ze willen volgen in relatie tot de arbeidsmarkt na de studies. Men moét kiezen voor opleidingen ‘met toekomst’. Die toekomst wordt weliswaar, eigenaardig genoeg, lineair afgeleid uit de stand van zaken in het heden waarvan men lijkt te vermoeden dat die eeuwig zal blijven bestaan, maar dat detail laten we even ter zijde.

En ten tweede, wie niet horen wil moet voelen. Jongeren die ondanks die duidelijke voorlichting toch nog voor ‘nutteloze’ studies kiezen moeten daar nadien de gevolgen van dragen: ofwel een strakke beperking van werkloosheidsuitkeringen in de toekomst, ofwel – en liefst van al voor deze meneer – gewoon geen werkloosheidsuitkeringen meer voor zo’n onbenullen. Kiezen voor een opleiding geschiedenis wordt dus gezien als een vorm van werk-weigering. Wie de geschiedenis wil begrijpen begaat een misdrijf tegen de arbeidsmarkt. Bart de Wever – zelf historicus – heeft naar verluidt oren naar dit argument. Zijn vriend en ideologische soulmate Cameron eveneens. Zoals gezegd schrapt deze laatste 80 procent van de toelagen aan universiteiten en dit voor alle richtingen, met uitzondering van diè opleidingen die ‘toekomst’ hebben: wiskunde, technologie, informatica, wetenschappen, management. Ziezo, de keuze van de neoliberalen inzake onderwijs is volkomen duidelijk.

Ik kan deze redenering voorzien van een ellenlang en gedetailleerd kritisch commentaar die er geen spaander heel van laat. Dat hoeft hier allicht niet. Dit soort redenering is kort samengevat niet enkel educatieve kletskoek en volkomen fout in de relatie die men legt tussen studies en arbeidsmarkt; ze getuigt daarenboven van een volledige verwerping van kennis als een ruim verdeeld goed in de samenleving – enkel bedrijven mogen genieten van de kennis van mensen – en is derhalve politiek verbijsterend destructief.
Kennis is net als solidariteit een aloud socialistisch thema. Socialisten hebben altijd geijverd voor een democratisering van kennis in de samenleving. Welnu, de standpunten van onze werkgever-vertegenwoordiger hierboven zijn te lezen in allerhande invloedrijke EU-documenten, men kan ze horen in de speeches van Sarkozy, Rutte, Cameron en vele anderen. Dirk Van Damme, gewezen kabinetschef van Frank Vandebroucke, verdedigt ze thans met vuur in de cenakels van de OESO.

Deze standpunten zijn, met andere woorden, in korte tijd en met verbluffend gemak de dominante standpunten geworden. Onderwijs heeft nog slechts één doel meer. Niet, zoals men zou kunnen opperen, verstandig, kritisch en geïnformeerd worden als mens, evenmin de broodnodige democratische en burgerschapswaarden verwerven, evenmin een mate van autonomie verwerven over de eigen situatie en het eigen leven, en dus evenmin de bevrijding en emancipatie van mensen. Neen, er is één doel, en dat doel is een naadloze en onmiddellijk rendabele instap in de arbeidsmarkt. Dat is wat men thans als ‘efficiëntie’ begrijpt als het over onderwijs gaat.
Die logica, waarbij de hele samenleving wordt gemobiliseerd voor een Totalkrieg op de arbeidsmarkt, gaat volledig in tegen het socialistische mens- en maatschappijbeeld. Het reduceert de mens, in goede klassieke Marxistische termen, tot slaaf – slaaf van de arbeid, en slaaf van het salaris dat men ervoor krijgt. De samenleving wordt anti-democratisch en zal dat in een dergelijk klimaat ook wel blijven.

Het aloude socialistische principe dat arbeid een middel is tot een doel – de menselijke bevrijding en emancipatie, de radicale democratie – is aan een afstofbeurt toe, en ook hier wacht ik vol ongeduld op tegengas vanuit die hoek.

Het vermelden waard

De twee punten hierboven zijn voor linkse mensen minstens het vermelden waard in de debatten die nu doorgaan onder de vlag van regeringsonderhandelingen. Het feit dat ze niet vermeld worden is onrustwekkend – het betekent ofwel dat niemand er een standpunt over heeft, wat ik niet geloof, of men wil ze doelbewust in de luwte  houden, weg van een breed maatschappelijk debat. In dat laatste scenario wil men ze stomweg, als voetnoten of kleine lettertjes binnen een groter pakket van meer spectaculaire maatregelen doorvoeren.

De twee punten die ik hier aanhaal passen vanzelfsprekend in een ruimer geheel. De Wever heeft in het verleden herhaaldelijk gewezen op de ‘rechtse revolutie’ die hij zou voltrekken in Vlaanderen. In die revolutionaire beweging vormt Siegfried Bracke naar eigen zeggen de ‘linkse’ vleugel. Het gaat dus wel degelijk om rechts, om héél erg rechts. Synoniem van, zoals je wel weet, extreem rechts.

Links heeft zich de afgelopen twintig jaar vastgepind op een heel erg nauwe definitie van extreem rechts. Extreem rechts, dat was het racistische en ruige Vlaams Blok – Belang van Dewinter en Annemans. Wel, het is de hoogste tijd dat men het vizier bijstelt en zich realiseert dat er een ander extreem rechts is, een sociaal-economisch extreem rechts dat onomwonden en zonder scrupules spreekt over een greep naar de totale macht. Een staatshervorming dient hiervoor enkel als  glijmiddel, want voor De Wever moet Vlaanderen niet alleen onafhankelijk zijn, maar ook rechts. Onafhankelijk en links, dat is voor De Wever onwenselijk. Beide dingen – de separatistische agenda en de extreem rechtse agenda – vormen in wezen één pakket, en noteer dat dit pakket een respectabele historische stamboom heeft. De Wever kent zijn klassiekers en weet dat de rechtse droom enkel kan verwezenlijkt worden wanneer de Vlaamse droom verwezenlijkt wordt. Want met de PS is het op ideologisch vlak om overduidelijke redenen moeilijk koeken eten.

Waar staat de sp.a nu in dit spel? Wel, zoals ik al zei bij de aanvang van dit opstel, ik zie ze niet, en ik ben niet alleen. Is het niet hoog tijd dat de partij klare wijn schenkt over haar ideologische marsrichting? En dat ze uitspraken doet over de fundamentele kwesties die mee op het spel staan – kwesties die ons mensbeeld en ons samenlevingsmodel in de kern definiëren. Of is de partij zodanig ver afgedreven naar een ideologisch niemandsland dat ze als enige bestaanreden deelname aan de macht beoogt – eender welke macht, onder alle denkbare voorwaarden? Al die vragen houden mij al jaren bezig; ik neem aan dat ik ook op dit punt niet de enige ben.

Dit stuk verschijnt ook in Samenleving en Politiek.
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!