De leugens van Bart De Wever: een uitgebreide factcheck van 'Over Welvaart'
"Hij kan zo goed redeneren. Het is moeilijk om er als journalist iets tegenin te brengen", zo hoorde ik Isolde Van den Eynde op televisie nog maar eens doen alsof onze eerste minister op eenzame hoogte staat op intellectueel vlak. Nu moet ik toegeven dat De Wever retorisch sterk is, maar goed redeneren? Wie zijn boek 'Over welvaart' leest, moet toch opmerken dat er best wel wat schort aan zijn redeneringen.
“De uitdaging is groter dan ooit”, zo schrijft De Wever in het voorwoord van dat boek. “Als we niets doen, dreigt onze welvaartstaat in te storten. Het is to mend or to end. Dit essay wil duidelijk maken welke keuzes nodig zijn om het tij te keren - en waarom ze onvermijdelijk zijn.”
Er zit een opmerkelijke tegenstelling in die laatste zin. Keuzes zijn namelijk nooit onvermijdelijk. Het bestaan van keuzes impliceert altijd dat ook andere keuzes mogelijk zijn. Het illustreert wat de inzet is van de eerste minister zijn boek: de keuze om de sociale zekerheid af te bouwen voorstellen als onvermijdelijk.
Om dat te doen maakt De Wever gebruik van een ideologische constructie waarbij de vrije markt de sokkel van welvaart zou produceren en de staat zou bestaan uit zuilen die deze welvaart verdelen in naam van welzijn. Die simplistische ideologische constructie bekritiseerde ik reeds in een eerder artikel.
Om zijn beleid als onvermijdelijk voor te stellen verdraait De Wever echter ook de feiten op zo’n manier dat ze in zijn ideologische constructie passen. Om aan te tonen dat er weldegelijk ook andere keuzes mogelijk zijn, is daarom ook deze uitgebreide factcheck nodig.
De geschiedenis van de welvaartstaat
“Geen socialist, maar een pragmatisch nationalist legde de kiem van de moderne welvaartsstaat.” → Onwaar.
De Wever begint zijn boek met een lang uitgesponnen geschiedenis van de welvaartstaat die begint in de oertijd. Die geschiedenis is echter niet gebaseerd op nauwkeurig historisch bronnenonderzoek, maar dient louter om zijn ideologische stelling dat “het streven naar welvaart existentieel ingebakken zit in onze soort” te doen klinken als een bewezen feit.
In zijn economische geschiedenis verwijst hij voor zowel het denken van Adam Smith als dat van Karl Marx naar de interpretatie die de neoliberale econoom Milton Friedman van deze denkers geeft. Een invloedrijk econoom als John Maynard Keynes, die lijnrecht ingaat tegen de starre tegenstelling tussen markt en staat die De Wever samen met Friedman maakt, wordt eenvoudigweg weggelaten.
Opmerkelijk is dat De Wever de sociale zekerheid historisch als een uitvinding van de staat beschouwt, terwijl die - zoals Wim Van Lancker recent nog eens uitlegde - door de arbeidersbeweging is opgebouwd, onafhankelijk van de staat. De Wever verwijst naar Bismarck om te doen alsof de uitbouw van de sociale zekerheid de verdienste is van het nationalisme, maar op die manier herschrijft hij de geschiedenis.
“Nadenken over welvaart kan zonder de geschiedenis te misbruiken voor het eigen grote gelijk"
In heel de geschiedenis die De Wever schrijft, van de oertijd tot nu, is er welgeteld één historisch werk waar hij naar refereert. Dat is Arm Vlaanderen van Maarten Van Ginderachter. Laat het nu net Van Ginderachter zijn die brandhout maakt van wat De Wever schrijft over de periode die hij bestudeerd heeft.
“Ten eerste stelt De Wever dat de Vlaamse beweging van bij haar ontstaan streed voor meer dan taalrechten alleen, voor een alomvattende ‘sociale rechtvaardigheid’. Ten tweede schrijft hij de opbouw van de welvaartstaat vanaf de jaren 1880 exclusief toe aan conservatieve nationalisten, de katholieke kerk en de voorlopers van de christendemocratie. Beide stellingen kloppen historisch gezien niet”, aldus Van Ginderachter.
En hij voegt eraan toe: “Nadenken over welvaart kan zonder de geschiedenis te misbruiken voor het eigen grote gelijk. Arm Vlaanderen verdient beter dan historische amnesie.”
Om het in de woorden van De Wever te zeggen: Game, set, match.
Wie heeft er schuld aan de staatsschuld?
“Het valt niet te ontkennen dat onze samenleving zich de voorbije decennia schuldig maakte aan decadentie.” → Misleidend.
Uiteindelijk dient heel de geschiedenis die De Wever met veel grote woorden en weinig gevoel voor nuance doorloopt, slechts als opstapje om de kern van zijn boek meer gewicht te geven. Waar op die historische opstap in verschillende media reeds wat kritiek kwam, is dat voor de kern van zijn boek veel minder het geval. "Zijn centrale stelling overtuigt”, zo schrijft Bert Bultinck in Knack in een artikel waarin hij verder een aantal historische onwaarheden rechtzet.
De centrale stelling van De Wever is deze: “De welvaartssokkel die alles recht houdt is aan het afbrokkelen en kan de steeds breder wordende zuilen van de verzorgingsstaat amper nog torsen.” We zijn, zo verwoordt hij het later nog net iets minder subtiel, "decadent" geworden. We zijn alleen nog maar bezig met in naam van welzijn en ecologie te herverdelen en overreguleren en zo maken we onze economie kapot.
Om die stelling kracht bij te zetten gooit De Wever met feiten en cijfers. Het probleem is alleen: aan die cijfers schort het één en het ander.
Ons land heeft een grote staatsschuld. Dat is een feit. De vraag is echter waar die staatsschuld vandaan komt. Als we Bart De Wever mogen geloven, is dat de schuld van alles wat links is. De uitgaven van de sociale zekerheid en onze publieke diensten zouden uit de pan rijzen en dus moet er drastisch worden bespaard, maar is dat wel zo?
Een blik op de evolutie van de Belgische staatsschuld van de afgelopen jaren vertelt een heel ander verhaal.
De overheidsschuld, zo leren we uit de sociaal-economische barometer van het ABVV, bedraagt 105 procent van het bbp. Het grootste deel van die schuld dateert van veertig jaar geleden: tussen 1979 en 1983 is de schuldgraad gestegen van 66,6 procent naar 106,8 procent. België boekte toen hoge begrotingstekorten net op het moment dat de internationale rente historisch hoog stond.
Sindsdien is het Belgische begrotingstekort echter vooral gedaald. België boekte van 1985 tot 2009 primaire overschotten. Als die trend de afgelopen jaren wat gekeerd lijkt, is dat volgens De Wever de schuld van de regering-Verhofstadt en zou de regering-De Croo die fout herhaald hebben.
Daarmee gaat hij gemakshalve voorbij aan twee belangrijke gebeurtenissen die de grootste stijgingen van de overheidsschuld tot gevolg zullen hebben. Ten eerste was er de financiële crisis van 2008, waarin de overheid miljarden euro’s uitgaf om de banken te redden. Ten tweede was er de coronacrisis, waarin de overheid opnieuw serieus geld uitgaf om de economie overeind te houden.
Helemaal ironisch is overigens dat het begrotingstekort dat De Wever als een existentiële bedreiging voor onze welvaart presenteert, onder zijn regering alleen maar gegroeid is en volgens de voorspellingen ook verder zal toenemen. Wie naar de feiten kijkt, moet concluderen dat het De Wever niet om de begroting te doen is, maar om iets anders, met name: de afbraak van de sociale zekerheid.
De sociale zekerheid: starve the beast
"De koe is leeggemolken." → Misleidend.
Volgens De Wever is de Belgische sociale zekerheid te gul. Ons land zou “een van de gulzigste staten van de ontwikkelde wereld” zijn en ons sociaal systeem eenvoudigweg onbetaalbaar.
Wie de cijfers bekijkt, ziet echter dat onze sociale uitgaven niet veel hoger zijn dan in andere Europese landen. “De koe is leeggemolken”, zo schrijft De Wever, maar in de realiteit zijn het niet zozeer de uitgaven van de sociale zekerheid die ontspoord zijn, maar wel de inkomsten die gedaald zijn.
De belangrijkste bron van inkomsten voor de sociale zekerheid zijn de bijdragen van werknemers en werkgevers. Een deel van je brutoloon – in de meeste gevallen 13,07 procent – gaat naar de sociale zekerheid. Die werknemersbijdragen zijn de afgelopen decennia relatief constant gebleven.
ACV berekende dat het overheidstekort voor 2024 vrijwel samenvalt met de inkomsten die de staatskas door de taxshift misloopt
De werkgever legt hier bovenop de werkgeversbijdrage. Dat deel is systematisch gedaald in de afgelopen decennia. Waar eind jaren 90 de werkgeversbijdragen nog ongeveer 34 procent van de loonmassa bedroegen, ligt dat cijfer vandaag bijna 10 procent lager. Dat is het gevolg van een reeks vrijstellingen en de zogenaamde taxshift. In 2014 verlaagde toenmalig minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) de patronale bijdragen op arbeid, waardoor de sociale zekerheid vandaag jaarlijks miljarden aan inkomsten verliest.
“Die belastingverlaging”, zo schrijft algemeen secretaris van ACV Puls Lieveke Norga, “zou zichzelf terugverdienen door jobcreatie, klonk het toen. Intussen is gebleken dat zo’n cadeau doorgaans rechtstreeks naar de aandeelhouders gaat. Dat zijn miljarden minder om onze levensstandaard te beschermen tegen inkomensverlies bij ziekte, ontslag of ouderdom. Als het doel van de taxshift was om onze sociale zekerheid veilig te stellen, dan kunnen we dat een dure mislukking noemen.”
De studiedienst van het ACV berekende dat het overheidstekort voor 2024 vrijwel samenvalt met de inkomsten die de staatskas door de taxshift misloopt, samen met de loonsubsidies die werkgevers kregen van diezelfde regering.
De Wever past met andere woorden de strategie toe die de Amerikaanse conservatieven starve the beast noemen: eerst snoeien in de inkomsten om dan luid te roepen dat de overheid zonder geld zit en er dus geen andere mogelijkheid is dan te besparen op sociale uitgaven.
Langer leven, langer werken?
“Als het aantal werkenden per gepensioneerde halveert, moet elke werknemer dus in theorie dubbel zoveel bijdragen als voorheen - alleen al om het bestaande systeem overeind te houden.” → Onwaar.
Om de focus weg van de inkomsten toch op de uitgaven te leggen, herhaalt De Wever nog eens het intussen gekende riedeltje over de vergrijzing en de onhoudbaarheid van de pensioenen.
Het is natuurlijk een feit dat onze samenleving een groeiend aantal gepensioneerden telt. Maar dat we daardoor "dubbel zo veel moeten bijdragen als voorheen", klopt niet. Wat De Wever er namelijk niet bij vertelt, is dat de vergrijzing eveneens betekent dat onze samenleving ook minder kinderen, jongeren en werkzoekenden telt. Dat zijn ook allemaal groepen mensen die niet werken. Als je het hebt over het aandeel van de mensen die de kosten van de sociale zekerheid moeten betalen, moet je met die volledige verhouding rekening houden.
Vandaag zijn er 1,6 niet-werkenden per werkende; dat is de economische afhankelijkheidsratio. In 2070 blijft die verhouding volgens het Planbureau ongeveer hetzelfde. Dat de kosten voor de pensioenen bij ongewijzigd beleid zullen stijgen, klopt wel, maar die meerkost is lang niet zo dramatisch als De Wever ze voorstelt, zo legde ook demograaf Patrick Deboosere eerder uit.
Langdurig zieke profiteurs?
“Meer dan een kwart van de mensen die ingeschreven staan als langdurig ziek tot aan het pensioen heeft helemaal geen recht op een invaliditeitsuitkering.” → Onwaar.
Een van de meest groteske onwaarheden die De Wever in zijn boek verkondigt, is ongetwijfeld die over langdurig zieken. De Wever stelt dat uit een studie bij mensen die ingeschreven zijn als langdurig ziek, meer dan een kwart helemaal geen recht op een uitkering bleek te hebben. De steekproef in die studie is helemaal niet gebeurd bij 'de langdurig zieken', maar bij een specifiek deel van de langdurig zieken met een ziektecode die geen erkenning tot de pensioenleeftijd rechtvaardigt. De resultaten ervan zijn op geen enkele manier te veralgemenen naar de gehele groep, zo zegt het Riziv, dat de studie uitvoerde zelf.
Gemakshalve zet De Wever een heleboel mensen die ziek zijn weg als profiteurs
Maar daar heeft De Wever geen boodschap aan. Gemakshalve zet hij een heleboel mensen die ziek zijn weg als profiteurs. En dat ze profiteren is natuurlijk de schuld van de socialisten. “De PS”, zo schrijft hij, “heeft een grote groep perfect gezonde mensen afhankelijk gemaakt van de overheid en zo politiek aan zich gebonden - met nefaste gevolgen voor onze economie en sociale zekerheid.”
Qua zondebokpolitiek kan dat tellen. Niet alleen langdurig zieken worden afgeschilderd als profiteurs. Ook werkzoekenden worden verdacht gemaakt. Vermeend misbruik wordt als argument gebruikt om uitkeringen te verlagen of af te nemen, terwijl uit onderzoek blijkt dat hogere uitkeringen de kans op het vinden van een job net vergroot.
Ecologische crisis van de baan?
“In het Westen gaan economie en ecologie al decennia hand in hand.” → Onwaar
De toon van De Wever zijn boek is naar goede gewoonte alarmistisch. De ontsporende uitgaven in de sociale zekerheid vormen het perfecte doembeeld, waarna hij zichzelf als redder kan opwerpen. Maar het discours dat we de sociale zekerheid betaalbaar willen houden voor de volgende generatie, vloekt met hoe vrolijk onbezorgd De Wever lijkt over de ecologische crisis.
“In het Westen gaan economie en ecologie al decennia hand in hand”, zo schrijft De Wever doodleuk. Stapels wetenschappelijke rapporten over klimaatverandering, uitstervingsgolven, verzurende oceanen; De Wever schuift het allemaal terzijde. Als ‘bewijs’ voor het aan de kant schuiven van de wetenschappelijke consensus, geeft De Wever één feit: “De gemiddelde energieconsumptie van een Amerikaan ligt vandaag lager dan een halve eeuw geleden”, zo schrijft hij.
Niet dat de ecologische crisis of de verantwoordelijkheid van Westerse landen daarin van de baan zouden zijn als die zin zou kloppen, maar zelfs die zin is op z’n minst misleidend. Volgens Amerikaanse energiewaakhond EIA ligt de energieconsumptie van de gemiddelde Amerikaan vandaag namelijk ongeveer even hoog als in de jaren ‘70.
De zwakken moeten lijden?
“De Melische Dialoog duidt op het belang van hard power.” → Misleidend.
Ondertussen pleit De Wever voor militaire uitgaven die niet alleen die ecologische crisis sterk zullen verergeren, maar ook het door hem als zo dramatisch voorgestelde begrotingstekort zullen doen toenemen. Om die uitgaven te rechtvaardigen vertelt hij een verhaal uit de geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog, geschreven door Thoukydides. “De sterksten doen wat ze kunnen, de zwakken lijden wat ze moeten”, zo citeert De Wever de Griekse historicus. Maar wat moeten we nu uit dat verhaal onthouden?
Het moment waar het verhaal op teruggaat is het einde van de vijfde eeuw, als in Griekenland de Peloponnesische Oorlog woedt. Op een moment tijdens dat conflict, meer bepaald in 416, bedreigt het machtige Athene het veel zwakkere eiland Melos. Er vinden zogezegd onderhandelingen plaats die Thoukydides zogezegd woordelijk weergeeft.
Athene eist de volledige overgave, wanneer de Meliërs dat onrechtvaardig noemen antwoorden de Atheners: "Recht en onrecht zijn irrelevante begrippen in deze context. Rechtvaardigheid mag gelden onder gelijken. In de huidige situatie geldt een andere waarheid en die is dat wie sterk is, doet wat hij wil, terwijl wie zwak is, ondergaat wat hij moet ondergaan." En verder: "Het recht van de sterkste is een natuurwet waaraan zelfs de goden gehoorzamen."
De Melische Dialoog duidt met andere woorden juist op het gevaar van hard power
De Meliërs van hun kant hebben het in het gesprek over gemeenschappelijke waarden als gerechtigheid, over de haat die de Atheners over zich afroepen, over het feit dat ze door hun optreden meer vijanden zullen maken, maar niets helpt. Het conflict eindigt als volgt: “De Atheners doodden alle volwassen Meliërs die ze gevangennamen en verkochten kinderen en vrouwen als slaaf. Ze vestigden zich zelf in de stad en stuurden er later vijfhonderd kolonisten heen.”
“De Melische Dialoog duidt op het belang van hard power,” schrijft De Wever. Best een enge conclusie als je weet wat die hard power waar het hier over gaat concreet inhoudt. Best een gevaarlijke gedachte ook als je weet hoe het internationaal systeem dat minstens deed alsof het gebaseerd was op gemeenschappelijke waarden en gerechtigheid nu zo sterk onder druk staat. Het is ook een verkeerde conclusie.
Het verhaal is namelijk niet ten einde waar De Wever het afbreekt. Op het moment dat in 404 de Atheners de Peloponnesische Oorlog uiteindelijk verliezen, is de angst voor wraakacties namelijk volop voelbaar in de stad. Een andere historicus, Xenofon, beschrijft de stemming in Athene kort voor de overgave: “Niemand deed in die nacht een oog dicht, want ze treurden niet alleen om de gesneuvelden, maar nog veel sterker om zichzelf. Ze verwachtten dat ze nu hetzelfde zouden ondergaan als wat zij de Meliërs hadden aangedaan toen ze het eiland hadden belegerd en veroverd.”
De Melische Dialoog duidt met andere woorden juist op het gevaar van hard power. Een wereld waarin de sterken doen wat ze kunnen en de zwakken lijden wat ze moeten is misschien inderdaad het soort wereld waar De Wever en zijn ideologische geestesgenoten ons naar op pad zetten. Zo schrijft De Wever dat "Europa's postkoloniale model van eenzijdige ontwikkelingshulp compleet achterhaald is", en we daardoor steeds meer aan invloed verliezen. Precies hetzelfde soort discours met heimwee naar het koloniale tijdperk als Rubio afstak in Munchen dus.
Als we iets kunnen leren uit de geschiedenis, dan is het wel hoe het in zo’n wereld niet goed afloopt. Net daarom is het belangrijk om te beseffen dat de keuzes die ons door hen worden opgedrongen helemaal niet onvermijdelijk zijn. Dat besef is de eerste stap om ons een andere wereld die zo noodzakelijk is te kunnen voorstellen.
Lees ook: Neen, Singapore is niet het vrijemarktsparadijs dat Bart De Wever ervan maakt