Van Operatie Ajax 1953 tot oorlog 2026: hoe VS Iran blijven gijzelen
Op 28 februari 2026 begonnen de VS en Israël een openlijke oorlog met Iran. Sindsdien doodden luchtaanvallen niet alleen Iraanse kopstukken als ayatollah Ali Khamenei, maar vielen er ook honderden burgerslachtoffers. Dit enorme geweld zou als doel hebben om de islamitische regering van Iran ten val te brengen.
Operatie Ajax
Het is niet de eerste keer dat de VS zich actief mengt in de Iraanse binnenlandse politiek. In 1953 werd in Iran een coup gepleegd die het premierschap van de democratisch verkozen Mohammed Mossadegh (1882-1967) ten einde bracht. De coup was onderdeel van ‘Operatie Ajax’, een samenwerking tussen Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten. Als gevolg van de coup kon de impopulaire en autocratische sjah Mohammed Reza Pahlavi (1919-1980) zijn macht verder uitbreiden.
Door de toenemende repressie, gesteund vanuit het buitenland, groeide het politieke verzet. De weerstand kwam voornamelijk uit de islamitisch-politieke beweging, met ayatollah Khomeini (1902-1989) als een van de centrale figuren. De islamitische beweging werd echter niet met dezelfde kracht onderdrukt.
Sterker nog, zij werden gesteund door de Westerse machten die het anticommunisme binnen de panislamistische beweging naar hun hand probeerden te zetten. Islamitisch-politieke leiders werden door het Westen gebruikt in hun strijd tegen de Sovjet-Unie. Het politieke klimaat van overheidsrepressie en islamitisch-politiek verzet, zouden uiteindelijk de grondbeginselen leggen voor de revolutie van 1979.
Pas toen in 2017 de CIA deze geclassificeerde documenten publiceerde, bleek dat de CIA en MI6 direct betrokken waren geweest bij de coup in 1953. Dit maakt de onderbouwing van de VS voor het huidige oorlogsgeweld tegen Iran des te meer opvallend. Want: is het aan de macht komen van de regering die zij nu omver willen werpen niet juist een gevolg van hun eigen eerdere interventies?
Waar de inmenging in 1953 lang verborgen bleef, is de interventie van de Amerikanen nu geen geheim. Aanvallen op Iraanse politieke en militaire leiders worden trots aangekondigd, met Israël als actieve deelnemer en aanstichter van dit geweld. De hedendaagse oorlogsretoriek van de VS richting Iran is dus niet los te zien van een langere geschiedenis van Amerikaanse interventies.
Hoewel de VS nu claimt de islamitische regering omver te willen werpen, is het juist de eerdere Amerikaanse inmenging die de voedingsbodem creëerde voor het opkomen van de huidige regering. Dit betekent dat de VS een zichzelf versterkend patroon van geweld en vernietiging kan veroorzaken in een land, een patroon dat zich vandaag de dag nog steeds voortzet.
Amerikaanse inmenging
Hoe kunnen we de huidige oorlogsretoriek van de VS begrijpen tegen de achtergrond van hun eigen ingrijpen in het verleden? En wat is er deze keer anders dan in 1953? Het aantreden van Mohammed Mossadegh als premier van Iran in 1951 leek het einde in te luiden van de imperialistische invloed van Engeland over Iran.
Mossadeghs belangrijkste agendapunt was de nationalisering van Iraanse onderdelen van de Anglo-Iranian Oil Company (AIOC, het latere British Petroleum BP). Het was duidelijk dat de nationalisering van de olie-industrie de economie van Iran de nodige kracht zou geven om zich als onafhankelijk land te ontwikkelen.
Tegelijkertijd vonden er op politiek niveau ook veranderingen plaats in de machtsverhoudingen binnen Iran. Dat Iran formeel een constitutionele monarchie was, betekende dat Mossadegh vanaf zijn aantreden als premier functioneerde als democratisch gekozen vertegenwoordiger naast de sjah.
Twee jaar na zijn verkiezingsoverwinning van 1951 werd Mossadegh tijdens de door het Westen aangestuurde coup gevangengenomen en zijn regering ontbonden. De sjah, die tijdens de chaos rondom de coup naar het buitenland was gevlucht, keerde terug en kon opnieuw alle macht naar zich toetrekken.
De sjah Mohammed Reza Pahlavi was al voor zijn machtsovername weinig populair onder de Iraanse bevolking. Zij hadden juist succesvol gestemd voor meer onafhankelijkheid van de sjah, die nu bovendien met buitenlandse machten tegen een Iraanse leider had samengewerkt. Tegelijkertijd leidde de coup ook tot een afbraak van de seculiere politiek in Iran.
Het Nationaal Front, de politieke partij van Mossadegh, werd verboden en het leiderschap gearresteerd. Daarnaast werd ook de Tudeh partij, de grootste communistische partij van Iran die Mossadeghs nationalisatiebeleid had gesteund, tot doelwit verklaard. Zowel leiders als leden van deze partij werden gearresteerd, en sommigen van hen zelfs geëxecuteerd.
Met een impopulaire sjah en de afbraak van de seculiere oppositie, bleef er op parlementair niveau een machtsvacuüm achter dat, zo stelt ook de Iraans-Amerikaanse historicus Ervand Abrahamian, uiteindelijk werd gevuld door de islamitische beweging in Iran. Hoewel we niet weten hoe het politieke landschap in Iran eruit zou hebben gezien zonder de Westerse inmenging in 1953, is het duidelijk dat de Islamitische Revolutie van 1979, waaruit de huidige Iraanse regering voortkomt, een gevolg is van deze verstoring van de macht.
Ondanks dat de liberale Mossadegh nooit officieel aan de Iraanse communistische Tudeh-partij was verbonden, waren de communisten voorstanders van zijn beleid om de olie-industrie te nationaliseren. In hun pogingen om Washington over te halen tot actie over te gaan, waarschuwden de Britten voor de invloed van de communisten op de Iraanse politiek. Dit was uiteindelijk het doorslaggevende argument dat de Amerikanen overtuigde, een argument dat perfect paste binnen de retoriek van de Koude Oorlog.
Tegelijkertijd ging het om meer dan alleen de Iraanse olie of het tegengaan van communistische invloed. Olie en communisme functioneerden vooral als bliksemafleider om militair ingrijpen te rechtvaardigen. Het grotere doel was imperiale controle. Met name voor de VS was het belangrijk dat Westerse belangen in het Iraanse buitenlandbeleid werden vertegenwoordigd. Abrahamian stelt het volgende over het aantreden van de sjah na de coup:
In het kort fungeerde de sjah willens en wetens als een regionale grootmacht met als doel om, onder de Nixon-doctrine, regionale stabiliteit te verzekeren door de voortzetting van pro-Westerse regimes. Het uiteindelijke ingrijpen van de Amerikanen had dus als doel om de regering in Iran te doen vallen om zo hun eigen belangen te laten vertegenwoordigen in de regio. Op deze manier gebruikten de Amerikanen Iran om hun internationale positie van macht te behouden.
Machtsvacuüm creëerde ruimte voor revolutie 1979
Het opnieuw aantreden van de sjah was een complexe, maar over het algemeen impopulaire gebeurtenis. Dat de val van Mossadegh – het symbool voor de onafhankelijkheid van buitenlandse machten – juist door buitenlandse inmenging tot stand was gekomen, riep onder Iraniërs veel boosheid en verdriet op.
Daarbij was het niet alleen de sjah die werd gesteund door de koloniale machten. Ook Iraanse religieuze leiders werden in aanloop naar de coup actief benaderd en financieel beloond voor hun steun aan de sjah. Hierin werden ze ook aangemoedigd om een meer fundamentalistische vorm van islam te prediken die mensen zou overtuigen om hun steun voor de seculiere Mossadegh ten minste te heroverwegen.
Een belangrijke rol was weggelegd voor ayatollah Abolqassem Kashani (1882-1962). Hij was de ideologische vader van Khomeini, die later ayatollah zou worden. Als religieus leider was Kashani vooral binnen de lagere economische klasse populair. Om de coup te laten slagen, was juist deze klasse belangrijk om te overtuigen. Dit waren immers dezelfde mensen die hadden geprofiteerd van de economische boost van Mossadeghs nationaliseringsbeleid.
Een forse onderschatting van het belang van de islam in de Iraanse maatschappij leidde tot een reeks Amerikaanse inschattingsfouten. Hoewel Khomeini’s populariteit door de VS werd opgemerkt, stelde een rapport van de Amerikaanse ambassade in Teheran in 1979 dat:
Door de Amerikaanse hyperfocus op islam als een anticommunistisch blok binnen Iran, zagen zij het zelfstandige politieke karakter van deze bewegingen over het hoofd. Uit het rapport wordt duidelijk dat Amerikaanse beleidsmakers de islamitische beweging wel degelijk als een belangrijke maatschappelijke en anticommunistische kracht herkenden, maar tegelijkertijd verwachtten dat een islamitische machtsorde zich uiteindelijk aan Westerse ideeën zou aanpassen.
De islam werd daarmee in belangrijke mate gezien als een instrument binnen de Koude Oorlog, en minder als een politieke ideologie met een eigen agenda die zich ook tegen Amerikaanse belangen kon keren. Juist daarin lag een belangrijke misrekening: de kracht van de islamitische beweging werd wel erkend, maar de politieke consequenties daarvan werden onvoldoende doorgrond.
Hoewel er ook vanuit de Amerikaanse ambassade werd gewaarschuwd voor de macht van Khomeini en de mogelijkheid dat een islamitische republiek zou worden opgericht, bleef de mate waarin religie zelf de basis kon vormen voor een nieuwe politieke orde ernstig onderschat.
Het geciteerde rapport verscheen slechts dagen voor de uiteindelijke revolutie van 1979. Dat dit voor de VS als een schok kwam, betekent echter niet dat de machtswisseling volledig onvoorzien was. Ook andere ontwikkelingen wezen al op de kwetsbaarheid van het regime van de sjah.
De Iraanse politiek-econoom Hamed Pasandideh betoogt in zijn artikel De vijand van mijn vijand is mijn vriend dat de sjah vlak voor de revolutie steeds minder voorspelbaar handelde. In een interview op Media Mondo, wijst Pasandideh daarnaast op de gezondheid van de sjah: de Amerikaanse inlichtingendienst was al vóór de revolutie op de hoogte dat de sjah ongeneeslijk ziek was.
De revolutie van 1979 kwam enerzijds als verrassing voor de VS, vanwege hun verkeerde inschatting van het belang van de islam. Anderzijds was Washington niet volledig blind voor de voortekenen dat de laatste dagen van de sjah waren geteld. De revolutie betekende een volledige omkering in de bilaterale relaties tussen Iran en de VS. De Amerikaanse ambassade werd in 1980 opgeheven waarna Iran de hoogst mogelijke economische sancties kreeg opgelegd.
Hedendaagse interventie
De aanvallen van de VS op Iran in februari 2026 zijn onderdeel van de grootste Amerikaanse militaire operatie in West-Azië en Noord-Afrika sinds de invasie van Irak in 2003. Tegelijkertijd is het de eerste keer sinds 1953 dat de VS door middel van een directe interventie probeert om de Iraanse regering omver te werpen.
De door Amerika gesteunde Israëlische aanvallen van 28 februari op Iraanse doelwitten leidden tot de dood van ayatollah Khamenei, de opvolger van Khomeini. Ook prominente politici en militairen waren specifiek doelwit van de aanvallen. Schattingen stellen dat er ongeveer veertig Iraanse ambtenaren zijn vermoord sinds het begin van de aanvallen in februari.[19]
Net als in 1953 heeft de VS het dus gemunt op een Iraanse leider en zijn regering. Ook de ideeën over wie de macht in Iran zou moeten overnemen, lijken onveranderd.[20] Opnieuw wordt het herstellen van de macht van de sjah geopperd, deze keer in de vorm van Reza Pahlavi, de zoon van Mohammed Reza Pahlavi. Tegelijkertijd heeft Iran vanwege haar geografische ligging ook eigen geopolitieke ambities.
De Straat van Hormuz geeft Iran niet alleen controle over de olieproductie, maar het biedt ook de mogelijkheid om het scheepvaartverkeer door de Golfregio te beïnvloeden. Op 23 maart 2026 kondigde Trump aan vijf dagen lang geen aanvallen meer uit te voeren. Niet vanuit humanitaire overwegingen: de stop gold alleen als onderhandelingsmiddel voor het heropenen van de Straat van Hormuz, in de hoop dat de olieprijzen hierdoor weer zouden dalen. Met deze onderhandelingstactieken probeert Trump de Iraanse controle binnen de regio te verzwakken, ten gunste van de VS.
In het streven naar controle schuwt de VS het maken van burgerslachtoffers niet. Bij de dodelijke aanval op Khamenei kwamen ook minstens vijf familieleden om die in het huis aanwezig waren. Hiernaast waren er ook een reeks aanvallen op civiele infrastructuur, zoals bruggen, spoorwegen en luchthavens.
Ook 1.300 scholen, dertig universiteiten, 55 bibliotheken, 120 musea, meerdere moskeeën en een historische synagoge werden geraakt. Het meest berucht is de aanval op de meisjesschool in de Zuid-Iraanse stad Minab waarbij meer dan 120 schoolkinderen werden gedood. Het totaal aantal doden in Iran sinds februari ligt volgens schattingen van de Iraanse overheid en de VN inmiddels rond de 3.700. Bijna de helft van deze doden zijn Iraanse burgers.
De islamitische identiteit van de Iraanse staat wordt door de VS expliciet voorgesteld als een ideologische bedreiging. Deze framing is onderdeel van de jarenlange demonisering van de islam in de context van de zogeheten ‘war on terror’ die Washington sinds 9/11 voert. Het openlijke geweld tegen de Iraanse bevolking valt minder zwaar op de maag wanneer het gaat om slachtoffers die al meer dan twee decennia worden weggezet als extremistisch, gewelddadig, en op elke mogelijke manier ‘anders’ dan de (christelijke) Amerikanen zelf.
Ook de bondgenoten van de VS zijn door de tijd veranderd. In 1953 werkten de Britten samen met de VS, in onze tijd vervult Israël de rol van de Britten. De Israëlische minister van Defensie Yisrael Katz beschreef de Israëlische aanvallen op Iran als een voorzorgsmaatregel, een die de bestaansveiligheid van de Israëlische staat zou moeten waarborgen. Hoewel nooit aangetoond, beweren de VS en Israël dat Iran nucleaire wapens in productie zou hebben en dat dit een veiligheidsrisico zou zijn voor de regio.
De Israëlische veiligheidsretoriek sluit daarmee aan bij de bredere Amerikaanse voorstelling van Iran als een existentiële bedreiging. Toch maakt juist de lange geschiedenis van confrontatie duidelijk dat de huidige oorlog niet uitsluitend als reactie op een ‘nucleaire dreiging’ kan worden begrepen. Ook de islamofobe voorstelling van Iran, de controle over een strategische positie aan de Straat van Hormuz en het bredere conflict over Amerikaanse en Israëlische invloed in West-Azië zijn met elkaar verweven.
Het verleden is nooit echt voorbij
De geschiedenis van 1953 werpt nog steeds een schaduw over het heden: een strategische ingreep om invloed en controle te behouden, heeft een politieke realiteit voortgebracht die nu opnieuw als rechtvaardiging dient voor geweld. De retoriek van de VS is veranderd in vorm, maar blijft in essentie geworteld in dezelfde logica van machtsbehoud door interventie.
Met Israël als bondgenoot in een ongekend openlijke inzet van geweld, is het huidige conflict niet een breuk met het verleden, maar juist een intensivering ervan. De regering van Mossadegh en de huidige regering mogen dan politiek en ideologisch van elkaar verschillen, wat hen verbindt is de strijd voor onafhankelijkheid van koloniale machten. Een onafhankelijkheid die beide keren sterk is ondermijnd door inmenging van de VS.
Wie het geweld van vandaag wil begrijpen, moet erkennen dat het verleden nooit echt voorbij is. Zolang neokoloniale machtsstructuren blijven voortbestaan, zullen ook de conflicten die eruit voortkomen zich blijven herhalen.
Dit is een redactioneel ingekorte versie van het artikel gepubliceerd door Media Mondo op 29 september 2026. Je vindt daar de voetnoten voor het bronnenmateriaal. Simone Flipse studeerde Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en Midden-Oosten-studies aan de KU Leuven. Voor haar studie deed zij in het afgelopen jaar in Egypte onderzoek naar de positie van Egyptische vrouwen die werkzaam zijn voor Westerse media. Momenteel schrijft zij vanuit Cairo over ontwikkelingen in West-Azië (Midden-Oosten).