8 augustus 1956: brute hebzucht vermoordde 262 mijnwerkers
Op 8 augustus 1956 in de vroege ochtend daalden 275 mijnwerkers af naar hun dagelijkse werkplaats op meer dan 1000 meter diepte in de mijn Bois du Cazier in de gemeente Marcinelle (1). Ongeveer een uur later duwde mijnwerker Antonio Ianetta een volle kolenwagen in een verkeerde liftkoker. Bij het plotse opstijgen van die lift tijdens zijn manoeuvre brak de lege wagen, die hij poogde weg te duwen, de hoogspanningskabels in de liftschacht, net als de oliedrukleiding en de persluchtleiding. Kort daarop veroorzaakte elektrische kortsluiting een uitslaande brand.
Ianetta ontsnapte zelf nipt samen met zeven collega's via de andere lift naar boven waar hij pas 25 minuten later alarm kon slaan. Terwijl de giftige rook van het vuur zich beneden verspreidde door de gangen was elke communicatie met de bovengrond onmogelijk. Even later brandde ook die andere liftkoker uit, waardoor de achterblijvende mijnwerkers geen enkele weg terug meer hadden.
Omdat de afzuigleidingen voor vervuilde lucht en de aanvoerbuizen voor zuivere lucht in dezelfde liftschacht naast elkaar stonden, werd de rook van het vuur via de ventilatiebuizen verspreid door de onderliggende mijngangen en de uit de lekken nog steeds doorstromende perslucht wakkerde het vuur verder aan.
‘Tutti cadaveri’
Vijftien uur later konden nog zes overlevenden boven gehaald worden via een snel gemaakte noodverbinding vanuit een andere mijnschacht. Het duurde daarna voor de toegestroomde familieleden nog 15 dagen voor de redders op 23 augustus boven kwamen met de melding dat ze tot bij de 262 achtergebleven collega’s waren geraakt. Hun boodschap was kort: ‘Tutti cadaveri’ (allemaal lijken). Het duurde daarna nog een maand voor alle lichamen geborgen waren.
136 Italianen, 95 Belgen, 8 Polen, 6 Grieken, 5 Duitsers, 3 Fransen, 3 Algerijnen, 3 Hongaren, 1 Brit, 1 Nederlander, 1 Rus en 1 Oekraïner kwamen om door verstikking en/of verbranding. Zij lieten 248 weduwen en 417 kinderen achter.
Bijna identieke technische incidenten werden jarenlang genegeerd
De schuld voor de ramp werd onmiddellijk bij mijnwerker Ianetta gelegd en bij de ingenieur verantwoordelijk voor de ondergrondse infrastructuur. De echte verantwoordelijken werden echter nooit vervolgd. Zij weigerden reeds jaren in te gaan op de eisen van de mijnwerkersvakbonden die in talrijke rapporten aandrongen om de installaties dringend veiliger te maken.
Bijna identieke technische incidenten werden jarenlang genegeerd. Van 1945 tot 1955 waren in de Belgische mijnen reeds meer dan 1000 mijnwerkers om het leven gekomen bij gelijkaardige geïsoleerde incidenten. Blokkerende liften, defecte karren, brekende leidingen, frequente kortsluitingen in de kabels waarbij telkens gewonden en doden vielen, het werd allemaal ijskoud genegeerd. Wat zich op 8 augustus 1956 afspeelde was dus niet nieuw, het was al meermaals eerder gebeurd.
Het is echter te eenvoudig om de verantwoordelijkheid alleen te leggen bij de winstkoorts van de mijnbazen. Zij konden hun hebzucht botvieren alleen omdat de regeringen hen dat toelieten. De overheid trad daarentegen zeer repressief op tegen elke vorm van protest of sociale actie tegen deze wantoestanden. Wél investeren in veiligheid en sociale rechten zou niet eens geleid hebben tot verliezen, enkel tot kleinere winsten.
België, onveiligste mijnland ter wereld
België had voor en na de Tweede Wereldoorlog (en in feite reeds lang daarvoor) de faam de meest onveilige mijnen ter wereld te hebben. Kleinschalige steenkoolmijnen bestonden weliswaar al sinds de 13de eeuw, maar België was na de Britse regio Engeland het tweede land ter wereld om grootschalige industriële koolmijnontginning te beginnen vanaf de 19de eeuw. Dat gebeurde met niets ontziende uitbuiting. Andere mijnbouwlanden met een traditie van harde anti-vakbondsrepressie als de VS, Zuid-Afrika, Groot-Brittannië, Rusland en China waren relatief beter op vlak van veiligheid.
De Belgische mijnen in Henegouwen waren tevens de diepste ter wereld: Bois du Cazier tot 1035 meter diepte, de mijn van Flénu 1150 meter en die van Quaregnon 1200 meter (2). Op die diepte werken was alleen mogelijk met ononderbroken aanvoer van verse lucht terwijl het er permanent tot 40 graden Celsius heet was. Van voorbereidende opleiding voor nieuwe mijnwerkers was geen sprake.
De mijn ging uiteindelijk toch dicht omdat ze niet meer rendabel was, niet omdat ze nog altijd zeer onveilig was
Na de ramp werden de installaties van de betrokken mijnschacht hersteld op hetzelfde technisch onveilige niveau als tevoren en ging de exploitatie van de mijn gewoon verder. Officieel legde de overheid wel de sluiting van de mijn op tegen 1961, maar de mijnbazen bleven exploiteren tot 1967, dankzij lakse regeringen die niet optraden. De mijn ging uiteindelijk toch dicht omdat ze niet meer rendabel was, niet omdat ze nog altijd zeer onveilig was. De moorddadige uitbuiting van mijnwerkers volstond niet langer om winsten te garanderen.
Interdit aux chiens et aux Italiens
De drijfveer voor de Belgische regering om deze wantoestanden toe te laten was de economische heropbouw van het land na de Tweede Wereldoorlog. Slecht betaalde mijnwerkers voor gevaarlijk werk waren de prijs die de regering daarvoor bereid was te betalen. Wat in deze periode van heropbouw daarentegen nooit in gevaar kwam waren de gegarandeerde winsten van de mijnbedrijven. Ook na de ramp werden rapporten van de mijnwerkersvakbonden door overheid en mijneigenaars straal genegeerd.
De verontwaardiging van de bevolking in Italië was echter niet meer te stoppen zodat de Italiaanse regering zich verplicht zag het steenkoolakkoord van 1946 met België stop te zetten. Dat akkoord voorzag in de levering van werkloze Italianen voor de Belgische mijnen. Italië kampte met torenhoge werkloosheid na de nederlaag in de oorlog en het sociaal rampzalige beleid onder fascistisch dictator Benito Mussolini. De naoorlogse Italiaanse regering gebruikte die emigratie van werkloze kandidaat-mijnwerkers ook om heel gericht vakbondsactivisten uit te wijzen, een praktijk die ze overnam van Mussolini voor de oorlog.
Italiaanse migranten kregen noch degelijk loon noch sociale rechten
Italië kreeg met dat akkoord per geleverde Italiaan 200 kilogram steenkool per dag. Ongeveer 50.000 Italianen emigreerden naar België. Zij waren bij aankomst – na een gratis treinreis enkele richting – totaal ongeïnformeerd over de ware aard van de werkomstandigheden ter plaatse.
Van de beloften om hen te lokken bleek niets te kloppen: ze kregen noch degelijk loon noch sociale rechten. In plaats van sociale woningen moesten ze overleven in barakken waar enkele maanden eerder nog Duitse krijgsgevangenen sliepen. Veel van die barakken hadden slechts zeildoeken als dak, waren bloedheet in de zomer, ijskoud in de winter en hadden elektriciteit noch waterleidingen.
De Belgen die werken in de mijnen te min vonden – alleen straatarme Belgen werkten in de mijnen – vonden die buitenlandse migranten maar niks. Fantasieloze scheldnamen voor Italianen waren ‘macaroni’ en 'spaghetti'. Café’s en restaurants plaatsten bordjes met ‘Interdit aux chiens et aux Italiens’ (Verboden voor honden en Italianen, nvdr).
Na de ramp viel de georganiseerde Italiaanse migratie naar België stil. Kandidaat-mijnwerkers kwamen daarna vooral vanuit de arme landelijke gebieden in Griekenland, Spanje en Portugal. Italianen bleven echter nog migreren tot de jaren 1970, onder meer naar de gloednieuwe fabriek van Ford in Genk. De Belgische overheid begon tevens actief te rekruteren in Turkije en Marokko. Vandaag houden de kinderen en kleinkinderen van de Italiaanse migratie de herinnering aan hun ouders en grootouders in ere. Een van die kinderen van Italiaanse migranten was van december 2011 tot oktober 2014 eerste minister van België (Elio di Rupo).
Een zeer degelijk historisch overzicht vind je in dit artikel in Visie en dit artikel in De Nieuwe Werker. Daarin onder meer een getuigenis van de laatste nog levende mijnwerker, Urbano Ciacci, van de mijn Bois du Cazier. Ciacci is nu 95: “Op de dag van de ramp was ik enkele dagen op verlof in Italië om te trouwen. Dat heeft mijn leven gered. Anders had ik hier niet meer gezeten. Onder de slachtoffers waren mannen van mijn dorp. Een van hen zong beter dan Pavarotti, dat herinner ik me nog.”
De volledige lijst van alle slachtoffers vind je op de website leboisducazier.be. In 2023 werden twee van de veertien nog niet geïdentificeerde lichamen met DNA-onderzoek geïdentificeerd.
Van 1 mei tot 29 november 2026 kan je de fototentoonstelling La Une, Marcinelle '56 bezoeken van toenmalig fotograaf Camille Detraux in het museum Bois du Cazier, rue du Cazier 80 in Marcinelle (Charleroi).
Notes:
- Sinds 1977 is Marcinelle een deelgemeente van Charleroi.
- In de jaren 1950 waren er diepere mijnen tot 2000 meter in Zuid-Afrika voor metalen en goud, niet voor steenkool.