Sluipend autoritarisme groeit ook – en misschien vooral – lokaal
Vorige week donderdag verscheen op deze site de analyse van onderzoeker Pascal Debruyne over het sluipende autoritarisme in België. Zijn centrale stelling is even eenvoudig als verontrustend: de democratische rechtsstaat wordt vandaag niet alleen uitgehold door partijen die haar bewust willen afbouwen. Ze verzwakt ook doordat anderen meestappen, zwijgen of zich neerleggen bij de logica van de macht.
Terwijl ik zijn analyse las, moest ik voortdurend terugdenken aan wat zich de weken voordien had afgespeeld. Eerst in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken tijdens de behandeling van het wetsontwerp over de woonstbetredingen. Maar vooral aan wat zich twee dagen daarvoor had afgespeeld in de Brugse gemeenteraad, waar ik als gemeenteraadslid voor Groen een voorstel tot beslissing had ingediend naar aanleiding van datzelfde wetsontwerp.
Wat mij vooral trof, was hoe die gebeurtenissen elkaar versterkten. Het sluipende autoritarisme dat Debruyne beschrijft, manifesteert zich niet alleen op federaal niveau. Op lokaal niveau wordt het volgens mij zelfs versterkt, precies omdat de democratische tegenmacht er veel zwakker is.
Het wetsontwerp
Over het wetsontwerp rond de woonstbetredingen schreef ik eerder op deze site al uitvoerig. Dat debat wil ik hier niet opnieuw voeren. Belangrijker is wat dit dossier blootlegt.
Voor het eerst zou de overheid woningen kunnen binnentreden om iemand zonder wettig verblijf administratief aan te houden. Niet in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar een misdrijf, maar om een administratieve maatregel uit te voeren.
Net daarom botste het voorstel op fundamentele kritiek van onder meer juristen, onderzoeksrechters, mensenrechtenorganisaties en de Raad van State. Die kritiek ging niet over de vraag óf een overheid een migratiebeleid mag voeren. Ze ging over de grenzen waarbinnen dat beleid moet blijven functioneren.
Maar uiteindelijk verontrustte mij vooral wat er daarna gebeurde.
Wie mag nog spreken?
Nog vóór de Kamercommissie zich inhoudelijk over het wetsontwerp kon buigen, ontstond tijdens de zogenaamde regeling der werkzaamheden een merkwaardig debat.
Op dinsdag 16 juni besliste de commissie om hoorzittingen te organiseren. De dag nadien werd uren gediscussieerd over welke organisaties en experten daarvoor zouden worden uitgenodigd. Op donderdag 18 juni legde de meerderheid vervolgens een nieuwe lijst op tafel. Er was eigenlijk maar één verschil. CIRÉ, een van de belangrijkste Franstalige middenveldorganisaties rond vluchtelingen en migratie, was geschrapt. Niet wegens een gebrek aan expertise of relevantie, maar omdat een campagnefilmpje volgens de meerderheid een "rode lijn" had overschreden.
Sluipend autoritarisme bestaat niet alleen uit wetten die grondrechten onder druk zetten
Dat lijkt misschien een procedurekwestie. Dat is het niet. Een democratie leeft niet alleen van verkiezingen en stemmingen. Ze leeft ook van de kwaliteit van het debat dat eraan voorafgaat. Van experten die gehoord worden. Van middenveldorganisaties die beleid kritisch kunnen bevragen. Van stemmen die machthebbers tegenspreken. Wanneer een meerderheid begint te bepalen welke kritische stemmen nog mogen deelnemen aan dat debat, wordt niet alleen de ruimte voor tegenspraak kleiner. Dan verzwakt ook een van de belangrijkste tegenmachten van een democratische rechtsstaat.
Precies daar moest ik opnieuw aan denken bij de analyse van Pascal Debruyne. Sluipend autoritarisme bestaat niet alleen uit wetten die grondrechten onder druk zetten. Het bestaat ook uit het langzaam verzwakken van de instellingen die die rechten bewaken: rechters, middenveldorganisaties, journalisten, adviesraden en oppositiepartijen.
En toen kwam Brugge
Tot daar speelde alles zich af op federaal niveau. Ik had toen nog niet door dat hetzelfde mechanisme zich twee dagen later, veel dichter bij huis, nog scherper zou tonen.
Op de Brugse gemeenteraad diende ik als gemeenteraadslid voor Groen een voorstel tot beslissing in naar aanleiding van datzelfde wetsontwerp. Niet om de federale wet goed of af te keuren. Net om die discussie te vermijden had ik mijn voorstel bewust anders opgebouwd.
Ik vroeg de gemeenteraad zich uit te spreken vóór een aantal fundamentele rechtsstatelijke principes: de onschendbaarheid van de woning, het belang van proportionaliteit en rechtsbescherming, en de bezorgdheden die daarover leefden bij meer dan veertig Brugse middenveldorganisaties, de Mondiale Raad, de Jeugdraad en uiteindelijk bijna 1.350 Bruggelingen. En ik lichtte dit ook uitvoerig toe in de begeleidende nota bij het voorstel tot beslissing die alle fracties bijna een week vooraf ontvingen. Waarbij ik ook de hoop uitsprak dat dit geen klassieke stemming tussen meerderheid en oppositie zou worden, maar een debat over rechtsstatelijke principes. Het tegenovergestelde gebeurde.
Hier leek de indruk te worden gewekt dat de meerderheid zelfs kon bepalen of de gemeenteraad zich nog over een voorstel zou uitspreken
Nog vóór het debat begon, liet de burgemeester verstaan dat er misschien zelfs niet over mijn voorstel zou moeten worden gestemd. Die uitspraak bleef bij mij hangen. Niet omdat een burgemeester uiteindelijk kan beslissen waarover een gemeenteraad stemt – dat kan hij niet – maar omdat er een vanzelfsprekendheid uit sprak die mij deed denken aan wat enkele dagen eerder federaal was gebeurd. Daar besliste een meerderheid welke organisatie niet langer gehoord mocht worden tijdens de hoorzittingen. Hier leek de indruk te worden gewekt dat de meerderheid zelfs kon bepalen of de gemeenteraad zich nog over een voorstel zou uitspreken.
Het zijn verschillende situaties, maar ze vertrekken volgens mij vanuit dezelfde politieke cultuur: een meerderheid die zich niet alleen eigenaar waant van de uitkomst van het debat, maar steeds meer ook van het debat zelf.
Partij boven inhoud
Wat daarna gebeurde, vond ik misschien nog onthutsender. Tijdens het debat ging het nauwelijks nog over de tekst die werkelijk voorlag. N-VA haalde de intussen gekende framing boven en maakte er een debat van over terroristen, verkrachters en zware criminelen. Vlaams Belang verklaarde vervolgens openlijk dat het wetsontwerp volgens hen zelfs niet ver genoeg ging en dat de voorwaarden rond gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid voor hen gerust mochten verdwijnen.
Dat N-VA en Vlaams Belang die lijn trokken, was voorspelbaar. Veel verontrustender was dat CD&V, Vooruit en ook de zogenaamd liberale oppositiepartij Anders daar geen enkele duidelijke rechtsstatelijke grens tegenover plaatsten. Uiteindelijk stemden zij het voorstel weg.
En precies daar gebeurde iets wat volgens mij veel verder gaat dan een verloren stemming van een oppositiepartij. De Brugse gemeenteraad stemde immers niet over het federale migratiebeleid. Zij stemde over de vraag of fundamentele rechtsstatelijke principes nog publiek bevestigd mochten worden op het moment dat zij onder druk stonden. Dat is een fundamenteel verschil. De avond voordien had de Leuvense gemeenteraad, na een gelijkaardig burgerinitiatief, precies dat wél gedaan. Ook daar maakte Vooruit deel uit van de meerderheid. In Brugge gebeurde het tegenovergestelde.
Het federale wetsontwerp schuift de grenzen van de rechtsstaat op
Dat verschil valt moeilijk te verklaren door de inhoud van het dossier. Veel aannemelijker is dat de partijpolitieke reflex sterker bleek dan de inhoud van het voorstel. Daardoor kon in Brugge iets gebeuren wat ik nog altijd hallucinant vind: een democratische meerderheid stemde uit partijpolitieke reflex tegen een publieke bevestiging van de rechtsstatelijke principes waarop diezelfde democratie gebouwd is.
En precies daar versterken de analyse van Debruyne en wat zich in Brugge afspeelde elkaar. Het federale wetsontwerp schuift de grenzen van de rechtsstaat op. De lokale democratie blijkt vervolgens steeds minder in staat daar nog een democratische grens tegenover te trekken. Niet omdat er geen tegenargumenten zijn, maar omdat de tegenmacht zelf steeds zwakker wordt.
Waarom lokaal nog kwetsbaarder is
Op lokaal niveau wordt dat misschien wel het scherpst zichtbaar. Gemeenteraadsleden beschikken niet over studiediensten. Oppositieraadsleden moeten complexe dossiers grotendeels zelf uitpluizen. Lokale media berichten begrijpelijkerwijs vaker over incidenten, persoonlijke conflicten of zichtbare beleidskeuzes dan over institutionele of rechtsstatelijke vraagstukken. Coalities zijn persoonlijker, sociale druk is directer en de afstand tussen meerderheid en oppositie is veel kleiner.
Eén gemeenteraadsstemming kantelt de democratische rechtsstaat natuurlijk niet
Daardoor kan lokaal iets gebeuren wat op het eerste gezicht paradoxaal lijkt: een wetsontwerp dat de grenzen van de rechtsstaat opschuift, wordt niet alleen onvoldoende gecorrigeerd. De logica erachter wordt zelfs nog versterkt doordat democratische meerderheden uit partijpolitieke reflex weigeren de rechtsstatelijke principes te bevestigen die daardoor onder druk komen te staan.
Eén gemeenteraadsstemming kantelt de democratische rechtsstaat natuurlijk niet. Maar ze toont wel hoe die rechtsstaat stukje bij beetje verzwakt wanneer ook de lokale democratische tegenmacht steeds minder functioneert.
Democratie is meer dan een meerderheid
Na de stemming in Brugge kreeg ik opvallend vaak dezelfde reactie: "Dat is nu eenmaal democratie. Je voorstel heeft geen meerderheid gehaald."
Die reactie bleef misschien nog het langst nazinderen. Niet omdat mensen het oneens waren met mijn voorstel. Dat kan perfect. Wel omdat ze iets blootlegt wat volgens mij minstens even verontrustend is als de stemming zelf: steeds meer mensen lijken democratie te herleiden tot de wil van de meerderheid.
Precies daarover schreef ik de voorbije maanden al uitvoerig op deze site. Een democratische rechtsstaat is niet gebouwd op het idee dat een meerderheid altijd haar zin krijgt. Hij is gebouwd op het inzicht dat ook meerderheden grenzen nodig hebben. Daarom bestaan grondrechten, onafhankelijke rechters, middenveldorganisaties, een vrije pers en een politieke oppositie. Niet om democratie te blokkeren, maar om haar mogelijk te maken.
Misschien schuilt daar vandaag wel een van de grootste gevaren. Niet alleen wanneer politici de rechtsstaat onder druk zetten, maar ook wanneer burgers stilaan gaan geloven dat elke meerderheidsbeslissing daarom automatisch democratisch is. Alsof de volkswil en de democratische rechtsstaat hetzelfde zijn.
Gedachteloosheid
Misschien moest ik daarom zo vaak terugdenken aan de televisieserie over Mussolini. Niet omdat België vandaag Italië van de jaren twintig zou zijn. Zulke vergelijkingen doen geen recht aan de geschiedenis. Maar de serie toont wel bijzonder scherp hoe parlementen hun eigen democratische rol stap voor stap kunnen uithollen.
Niet doordat plots iedereen fascist wordt, maar doordat steeds meer verkozen vertegenwoordigers wetten goedkeuren die hun eigen controle op de macht verzwakken. Niet uit overtuiging alleen, maar ook uit partijdiscipline, opportunisme of de gedachte dat het allemaal wel zal meevallen.
De partijpolitieke reflex was sterker geworden dan de vraag waar eigenlijk over werd gestemd
Ook vandaag hoor je geregeld dezelfde redenering: zonder ons zou het nog erger zijn. Maar wat als partijen die zichzelf democratisch noemen, op cruciale momenten zelfs niet meer bereid blijken een fundamentele rechtsstatelijke grens te trekken wanneer zij daar alle ruimte voor hebben?
Hannah Arendt noemde dat geen kwaadaardigheid. Zij noemde het gedachteloosheid: het moment waarop mensen ophouden zelfstandig politiek en moreel te oordelen en zich steeds vanzelfsprekender voegen naar de logica van het systeem waarin zij functioneren.
Misschien is dat uiteindelijk ook wat ik in Brugge zag gebeuren. Niet alleen een meerderheid die tot een andere conclusie kwam dan ik. Maar een meerderheid die nauwelijks nog leek te oordelen over de inhoud van het voorstel zelf. De partijpolitieke reflex was sterker geworden dan de vraag waar eigenlijk over werd gestemd.
De echte tegenmacht
Misschien is dat uiteindelijk ook de belangrijkste aanvulling die ik bij de analyse van Pascal Debruyne zou willen maken. Hij toont hoe de democratische rechtsstaat vandaag verzwakt doordat steeds minder instellingen nog werkelijk tegenmacht bieden. Brugge toont volgens mij hoe dat mechanisme lokaal nog sterker kan doorwerken.
Maar uiteindelijk begint de belangrijkste tegenmacht niet in een parlement of een gemeenteraad. Ze begint bij ons. Bij burgers die begrijpen waarom grondrechten bestaan. Die blijven onderscheiden tussen democratie en de loutere wil van de meerderheid. Die zich organiseren wanneer fundamentele rechten onder druk komen te staan. Die weigeren zich wijs te laten maken dat rechtsbescherming alleen geldt voor mensen die wij sympathiek vinden. En die van hun verkozen vertegenwoordigers blijven verwachten dat zij niet alleen hun partij volgen, maar ook hun eigen politieke oordeel gebruiken.
De democratische rechtsstaat wordt zelden frontaal aangevallen. Veel vaker wordt er stap voor stap aan geknaagd. Grondrechten worden hinderlijke obstakels. Kritische stemmen verdwijnen uit het debat. Partijpolitieke loyaliteit wordt belangrijker dan een onafhankelijke afweging. Geen van die stappen lijkt op zichzelf beslissend. Samen vormen ze wel precies het patroon dat vandaag steeds zichtbaarder wordt.
Daarom is de vraag uiteindelijk niet alleen wat onze politici doen. De vraag is vooral wat wij als burgers nog bereid zijn te verdedigen. Want een democratische rechtsstaat leeft niet alleen van wetten en instellingen. Hij leeft van burgers die begrijpen waarom die bestaan en die weigeren onverschillig te worden wanneer er stap voor stap aan wordt geknaagd.
Eva Vanhoorne is gemeenteraadslid voor Groen in Brugge.