Een leefbare planeet kan, maar dan moeten we de rijksten aanpakken
Het Global Justice Report schetst een hoopvol en concreet transitiepad voor de mensheid van 2026 tot het jaar 2100. De hoofdconclusie is eenvoudig: het is mogelijk om welzijn voor iedereen te verenigen met een leefbare aarde. Maar die transformatie rust op drie even belangrijke pijlers.
Ten eerste is een snelle decarbonisatie van onze energiesystemen noodzakelijk. Ten tweede moeten we drastisch overschakelen naar het principe van ‘genoeg’ (sufficiency): genoeg om goed te leven zonder de planeet te belasten. Dat wil zeggen: minder werkuren, kleinere materiële voetafdruk en andere consumptiepatronen. Ten derde moet de wereldwijde ongelijkheid drastisch en structureel aangepakt worden, zowel tussen als binnen landen.
Die ongelijkheidsvermindering is niet zomaar een sociaal wenselijk idee. Het is een voorwaarde om de nodige klimaatinvesteringen te kunnen financieren en het draagvlak voor een dergelijke transformatie te behouden. Zonder gelijkheid geen leefbare toekomst.
Het rapport werd gepubliceerd in juni 2026 en is geschreven door een kernteam van zeven onderzoekers, waaronder de bekende economen Thomas Piketty en Lucas Chancel. Het is een collectief initiatief van het World Inequality Lab en is gebaseerd op data die door meer dan 200 wetenschappers wereldwijd is verzameld.
Vijfduizend euro per maand
Wat stelt het rapport concreet voor? Het plan voorziet dat het gemiddelde maandinkomen per persoon in elk land tegen 2100 uitkomt op 5.000 euro. Vandaag gaapt er nog een kloof tussen 290 euro in Sub-Sahara Afrika tot 4.590 euro in Noord-Amerika. Een wereldwijd inkomen van 60.000 euro per jaar zou het nieuwe normaal worden.
Waar we nu wereldwijd gemiddeld 2.100 uur per jaar werken, zou dat tegen 2100 moeten dalen naar 1.000 uur
Die inkomensconvergentie gaat gepaard met een ware revolutie in vermogensverdeling. Het aandeel van de rijkste 50 procent van de wereldbevolking in het totale vermogen daalt van 6 procent naar 0,05 procent. Tegelijkertijd stijgt het aandeel van de onderste helft van 2 procent naar maar liefst 30 procent. Bijna 90 procent van de wereldbevolking verdubbelt zijn inkomen.
Minder werken, meer leven
Een van de meest opvallende voorstellen is de drastische vermindering van de arbeidstijd. Waar we nu wereldwijd gemiddeld 2.100 uur per jaar werken, zou dat tegen 2100 moeten dalen naar 1.000 uur. Dat is een historische trend die we kunnen voortzetten, al vraagt het om sterke collectieve mobilisatie.
De gewonnen tijd wordt niet zomaar opgevuld met nietsdoen. Het plan voorziet een verschuiving van materiële sectoren naar meer immateriële, zoals onderwijs en gezondheidszorg. Het aandeel van de wereldwijde arbeidsuren dat aan deze sectoren wordt besteed, stijgt van 11 procent naar 43 procent. Landen als Noorwegen en Zweden tonen al dat dit haalbaar is.
Daarbij komt ook het streven naar volledige gendergelijkheid: gelijke arbeidsparticipatie, gelijke uren betaald en onbetaald werk, en gelijk loon. Dat betekent een fundamentele herverdeling van macht en tijd, gekoppeld aan kleinere inkomensverschillen.
De wereld koelt af
Het plan toont aan dat we de opwarming kunnen beperken tot 1,8°C in 2100. Dat is een stuk beter dan de meer dan 4°C die ons te wachten staat als we niets doen. De combinatie van het principe van genoeg (minder werken en consumeren) en een snelle energietransitie is de enige weg.
Die transitie vraagt om een investering van 3 tot 4 procent van het wereldwijde bbp per jaar, gedurende de komende drie decennia. Dat geld moet vooral komen van de mondiale rijken, die onevenredig hebben geprofiteerd van de economische groei en een grote verantwoordelijkheid dragen voor de historische uitstoot.
De geplande belastingen treffen alleen de rijkste 1 procent van de wereldbevolking en komen bovenop de nationale belastingen
Belangrijk: het plan kiest niet voor een simpele krimp van de economie. Een gerichte verschuiving naar minder materiële sectoren en een andere voedselproductie is effectiever dan een algemene vermindering van de welvaart. Zo kan een welvaartsniveau van 60.000 euro per hoofd worden gecombineerd met een lagere temperatuurstijging dan bij een algemene krimp.
Wereldwijd rechtvaardigheidsfonds
De motor achter deze transformatie is het Global Justice Fund (GJF). Dit nieuwe internationale instituut moet de inkomsten uit wereldwijde vermogens- en inkomensbelastingen innen en beheren. Die belastingen treffen alleen de rijkste 1 procent van de wereldbevolking en komen bovenop de nationale belastingen.
Het fonds keert landdividenden uit op basis van gelijke bedragen per hoofd van de bevolking. Voor arme landen kan dat oplopen tot 9 procent van hun bbp, terwijl het voor rijke landen slechts 2 tot 3 procent is. Die dividenden zijn echter niet vrijblijvend: ze zijn gekoppeld aan strenge voorwaarden op vlak van klimaat, onderwijs, gezondheid en ongelijkheid.
Als we ook de waarde van vrije tijd en een leefbare planeet meerekenen, gaat meer dan 99 procent van de wereldbevolking erop vooruit
De jaarlijkse uitgaven van het fonds bedragen gemiddeld 10,3 procent van het wereldwijde bbp. Dat is een gigantisch bedrag, vergeleken met de huidige 0,4 procent die naar ontwikkelingshulp gaat. Maar de uitdaging is ook ongezien: alleen al de klimaatinvesteringen vragen om 3 tot 4 procent van het bbp.
Meerderheid wint, klein deel verliest
Wie profiteert er nu van dit plan? Een overweldigende meerderheid: 89 procent van de wereldbevolking verdubbelt zijn inkomen. In het mondiale Zuiden is dat zelfs 95 tot 98 procent van de bevolking. In het Noorden profiteert 85 tot 95 procent mee. Slechts een kleine minderheid, voornamelijk de rijken, ziet zijn inkomen dalen.
Als we ook de waarde van vrije tijd en een leefbare planeet meerekenen, gaat meer dan 99 procent van de wereldbevolking erop vooruit. Toch zal het plan op hevig verzet stuiten, niet alleen van miljardairs. Ook een deel van de middenklasse in rijke landen kan zich verzetten tegen de keuze voor meer vrije tijd in plaats van meer consumptie.
Democratische wereldorde
De uitvoering van dit plan vereist een fundamentele democratisering van de internationale instellingen. Vandaag hebben Europa en Noord-Amerika vier keer zoveel stemrecht bij het IMF en de Wereldbank als hun bevolkingsaandeel. Het plan pleit voor een stem per persoon, een overgang van mondiale plutocratie naar mondiale democratie.
Dat betekent ook het einde van de 'exorbitante privileges' van rijke landen, die nu profiteren van hogere rendementen op hun buitenlandse bezittingen dan ze betalen op hun schulden. Een nieuwe internationale munt en een Internationale Clearing Unie moeten daaraan een einde maken, waardoor niet alleen schuldenlanden maar ook landen met grote overschotten verplicht worden hun economie bij te sturen.
Tekorten
Het rapport is uniek en zeer belangrijk, omdat het de allereerste poging is om een volledig gekwantificeerd plan te presenteren. Het combineert herverdeling op wereldschaal, hervorming van de financiële orde, energietransitie en consumptieverschuivingen. Waar traditionele klimaatscenario's (zoals die van het IPCC) deze zaken scheiden, brengt dit model ze samen. Qua cijfermateriaal is het rapport monumentaal.
Volgens de huidige macro-economische trends stevent de wereld af op een catastrofale opwarming van meer dan 4°C. Het voorgestelde integrale model slaagt er in om de opwarming te beperken tot 1,8°C tegen 2100. Het rapport biedt daarmee een realistisch wetenschappelijk alternatief voor het destructieve hedendaagse kapitalisme.
Het rapport zet vooral in op de herverdeling van rijkdom, maar raakt weinig of niet aan de oorzaken van het probleem
Toch bevat het rapport een aantal fundamentele tekorten. De eerste is dat de tijdslijn onvoldoende dringend is. Het Global Justice Report mikt op grote veranderingen richting 2100. Dat maakt het ambitieus op papier, maar tegelijk ook erg traag gezien de klimaaturgentie, de sociale crisis en de ecologische verwoesting vandaag al bezig zijn.
Voor miljarden mensen in armoede, voor landen die nu al getroffen worden door klimaatrampen en voor ecosystemen die op instorten staan, is 2100 geen geruststellende horizon. De vraag is niet alleen of een rechtvaardige wereld mogelijk is, maar waarom die niet veel sneller moet worden afgedwongen.
Een tweede zwak punt is dat het rapport vooral inzet op de herverdeling van rijkdom, maar weinig of niet raakt aan de oorzaken van het probleem. Miljardairs belasten en rijkdom herverdelen is oké en noodzakelijk, maar zolang grote bedrijven, banken, energiebedrijven en techreuzen de investeringsbeslissingen blijven controleren, blijft de economie draaien rond winst in plaats van sociale en ecologische behoeften.
De focus op belastingen, herverdeling en publieke fondsen verandert niets aan de eigendomsverhoudingen en de winstlogica die de kloof tussen rijk en arm structureel veroorzaakt en vergroot, en het klimaat doet ontaarden. Deze maatregelen, hoe belangrijk ook, blijven hangen binnen dezelfde systeemlogica die de huidige problemen hebben veroorzaakt en zullen blijven veroorzaken.
Een derde tekort is de zwakke machtsanalyse. Het rapport toont technisch overtuigend aan dat een rechtvaardigere wereld mogelijk is, maar blijft veel vager over wie de macht heeft om dat af te dwingen. Volgens professor Duncan Green van de London School of Economics biedt het rapport geen overtuigende theorie van verandering.
Een dominante kern van 147 bedrijven heeft via vertakkingen in andere bedrijven gezamenlijk 40 procent van het wereldwijde vermogen in handen. 737 bedrijven bezitten 80 procent van het totale vermogen. Deze giganten, de fossiele bedrijven en de financiële elites, zullen hun enorme macht niet vrijwillig afstaan omdat een rapport bewijst dat een andere wereld beter en nodig zou zijn.
De echte uitdaging ligt niet alleen in het ontwerpen van rechtvaardige maatregelen, maar in het breken van de macht die ze vandaag verhindert
Daarvoor is georganiseerde tegenmacht nodig: vakbonden, sociale bewegingen, klimaatbewegingen, politieke partijen, stakingen, boycots en internationale solidariteit.
Het Global Justice Report is sterk als rekenkundig en moreel kompas, maar zwakker als strategie voor strijd. Tussen ‘mogelijk’ en ‘werkelijkheid’ staan klassenstrijd, geopolitiek, kapitaalvlucht, extreemrechts, fossiele belangen, oorlogseconomieën en zwakke internationale solidariteit. Wie een leefbare planeet en waardig leven voor iedereen wil, moet niet alleen aantonen dat het kan, maar zal ook de macht moeten organiseren om het af te dwingen.
Er wordt wel gesproken over een georganiseerd maatschappelijk middenveld, maar zonder concreet te analyseren welke coalities, organisaties en machtsverhoudingen nodig zijn om de voorgestelde omslag af te dwingen. Daarmee blijft het rapport deels technocratisch.
Belastingen, institutionele hervormingen en democratische procedures zijn noodzakelijk, maar ze volstaan niet als ze binnen dezelfde systeemlogica blijven functioneren die de crisis heeft veroorzaakt. Het rapport laat zien dat een betere toekomst rekenkundig wel mogelijk is, maar de open vraag is hoe de sociale kracht zal worden opgebouwd om die toekomst ook werkelijk tot stand te brengen.
Het Global Justice Report is belangrijk omdat het toont dat de toekomst niet vastligt. Toch is de weg ernaartoe minder helder dan de berekeningen zelf. De echte uitdaging ligt niet alleen in het ontwerpen van rechtvaardige maatregelen, maar in het breken van de macht die ze vandaag verhindert. Er is nog veel werk aan de winkel.