Opinie

Artikel 23 is geen blokkade maar bescherming tegen politieke willekeur

Afbeelding
Stijn De Roo (CD&V). Foto: Bruno Van Gasse, Wikipedia / CC BY-SA 4.0
Stijn De Roo (CD&V). Foto: Bruno Van Gasse, Wikipedia / CC BY-SA 4.0
“De Grondwet mag geen blokkade worden.” Met die titel opende CD&V-politicus Stijn De Roo onlangs in Knack de aanval op Artikel 23 van de Belgische Grondwet en het zogenaamde 'stand-still'-beginsel. Volgens hem zouden rechters zich steeds meer moeien met politiek beleid en noodzakelijke hervormingen blokkeren.

Ook vakbonden, middenveldorganisaties en burgers die naar de rechtbank stappen, worden daarbij voorgesteld als hinderpalen voor democratisch bestuur. Dat discours komt niet uit het niets. Al jaren klinkt vanuit N-VA kritiek op rechters en grondrechten die volgens hen democratisch beleid zouden blokkeren. 

Ook Open VLD (intussen Anders) mengde zich de voorbije jaren expliciet in het debat over de “modernisering” van het stand-still-beginsel. Dat beginsel bepaalt dat een eenmaal bereikt beschermingsniveau niet zomaar mag worden afgebouwd, tenzij om redenen van algemeen belang. Rapporten, opiniestukken en juridische essays waarschuwen steeds vaker dat ook Artikel 23, dat het recht op een menswaardig leven beschermt, hervormingen zou “verstikken”.

Dat nu ook CD&V mee opschuift in die aanval op sociale en ecologische grondrechten, is politiek veelzeggend

Maar dat nu ook CD&V expliciet mee opschuift in die aanval op sociale en ecologische grondrechten, is politiek veelzeggend. Zeker voor een partij die vandaag de Vlaamse minister van Landbouw én Omgeving levert.

Waar gaat Artikel 23 eigenlijk over?

Artikel 23 van de Grondwet stelt dat iedereen recht heeft op een menswaardig leven. Het beschermt onder meer het recht op arbeid, sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid, behoorlijke huisvesting, culturele ontplooiing én het recht op een gezond leefmilieu. 

Het gaat dus niet over een technische juridische discussie, maar over fundamentele democratische verworvenheden waarvoor generaties sociale strijd gevoerd hebben. Toen Artikel 23 in 1994 in de Grondwet werd opgenomen, was dat een historische stap: sociale en ecologische rechten werden niet langer alleen politieke doelstellingen, maar ook grondwettelijke principes. Net daarom is het vandaag zo’n ideologisch strijdpunt geworden.

Uit dat artikel heeft het Grondwettelijk Hof het zogenaamde stand-still-beginsel afgeleid: overheden mogen bestaande bescherming van die rechten niet zomaar aanzienlijk afbouwen zonder ernstige maatschappelijke verantwoording.

Dat betekent niét dat hervormingen onmogelijk zijn. Het betekent alleen dat een overheid degelijk moet motiveren waarom een achteruitgang noodzakelijk en proportioneel zou zijn. En blijkbaar is zelfs dát voor sommige partijen al een probleem geworden.

De framing van “activistische rechters”

Gelukkig kwam er snel een scherpe reactie van grondwetspecialist Patricia Popelier in Knack. Zij fileerde de framing van De Roo met cijfers, rechtspraak en juridische ernst.

Want wat blijkt? Het Grondwettelijk Hof vernietigt maar zelden beleid op basis van Artikel 23. En wanneer dat wél gebeurt, gaat het meestal om maatregelen die slecht onderbouwd, disproportioneel of juridisch slordig zijn voorbereid.

Elke vorm van tegenmacht wordt steeds vaker verdacht gemaakt zodra ze macht effectief begrenst

Dat is geen “activistische rechter”. Dat is een rechtsstaat die werkt. Toch wordt steeds vaker het omgekeerde beeld gecreëerd. Rechters zouden “de politiek gijzelen”. Vakbonden zouden hervormingen saboteren. Burgers en middenveldorganisaties die hun rechten verdedigen zouden “misbruik” maken van procedures en grondrechten.

Maar wat hier werkelijk gebeurt, is fundamenteler: elke vorm van tegenmacht wordt steeds vaker verdacht gemaakt zodra ze macht effectief begrenst. 

Het primaat van de politiek of van de macht?

Van vakbonden tot adviesraden. Van middenveldorganisaties tot milieuverenigingen. Zolang ze beleid legitimeren, zijn ze welkom. Zodra ze beleid kritisch bevragen, worden ze plots “activistisch”, “vertragend” of “obstructief”.

Het zogenaamde “primaat van de politiek” wordt daarbij steeds vaker gebruikt als argument om inspraak, controle en juridische bescherming af te bouwen. Maar in werkelijkheid gaat het al lang niet meer over het primaat van de politiek. Het gaat steeds vaker over het primaat van de uitvoerende macht - van regeringen en partijleidingen die steeds minder tegenspraak verdragen.

Adviezen worden genegeerd. Participatie wordt herleid tot een formaliteit. Rechterlijke controle wordt voorgesteld als sabotage. En wat begint als een pleidooi voor “daadkracht”, eindigt al snel in bestuurlijke arrogantie.

Democratie zonder tegenmacht is echter geen sterke democratie

Dat zie je niet alleen federaal, maar ook lokaal. Gemeenteraden worden steeds vaker gereduceerd tot stemmachines. Burgers mogen hun mening geven, zolang ze vooral niets fundamenteels in vraag stellen. 

Zodra protest of juridische procedures daadwerkelijk impact hebben, verschuift het discours snel naar “misbruik”, “vertraging” of “activisme”. Democratie zonder tegenmacht is echter geen sterke democratie. Het is macht zonder rem.

Waarom milieu hier centraal in staat

Dat net milieubescherming steeds vaker geviseerd wordt, is geen toeval. Wanneer natuurorganisaties naar de rechtbank stappen tegen het stikstofbeleid, PFAS-vervuiling of de afbouw van milieuregels, worden zij steeds vaker weggezet als “blokkeerders van vooruitgang”. Rechters die milieuwetgeving afdwingen zijn plots “activistisch”. Alsof de echte bedreiging niet de klimaatcrisis of vervuiling is, maar de mensen die daar juridische grenzen aan proberen te stellen.

Nochtans tonen dossiers zoals PFAS precies waarom die tegenmacht noodzakelijk is. Keer op keer zien we hetzelfde patroon terugkomen: normen die versoepeld worden, uitzonderingen die verlengd worden, definities die aangepast worden, communicatie die minimaliseert, en overheden die maatschappelijke onrust proberen te beheersen in plaats van de vervuiling zelf aan te pakken.

Dossiers zoals PFAS tonen precies waarom die tegenmacht noodzakelijk is

En telkens opnieuw zijn het burgers, wetenschappers, journalisten, activisten en lokale mandatarissen die die tegenstrijdigheden blootleggen. Niet omdat zij “vooruitgang blokkeren”, maar omdat officiële instanties vaak pas bewegen wanneer anderen blijven doorvragen.

Precies daarom is het zo problematisch dat net partijen die vandaag verantwoordelijkheid dragen voor milieu- en landbouwbeleid mee beginnen inbeuken op de juridische bescherming van datzelfde leefmilieu.

Een recht op een gezond leefmilieu heeft immers alleen betekenis als burgers en organisaties dat recht ook effectief kunnen afdwingen wanneer overheden tekortschieten. Anders blijft het een lege belofte.

Een Grondwet beschermt burgers tegen willekeur

Democratie verzwakt zelden door één grote breuk. Ze verzwakt wanneer kritiek systematisch verdacht wordt gemaakt, wanneer tegenmacht als lastig wordt gezien en wanneer burgers leren dat ze beter niet te veel in vraag stellen.

Rechters zijn plots “activistisch”, vakbonden “saboteurs”, milieuorganisaties zouden “vooruitgang blokkeren” en burgers die hun rechten verdedigen zouden “misbruik” maken van de Grondwet.

Maar een Grondwet dient niet om politici carte blanche te geven. Ze dient om burgers te beschermen tegen willekeur. Ook wanneer een meerderheid dat lastig vindt.


 

Steun ons!

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?