De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.
Waarom wordt Stefaan De Clerck andermaal uit de wind gezet?
“Eén van de opdrachten luidde dat er volledige duidelijkheid moest worden verschaft over alle vragen met betrekking tot ‘Operatie Kelk’, het gerechtelijk onderzoek dat in 2010 werd gestart naar zedenfeiten gepleegd door leden van de katholieke Kerk.”
Er moest dus ook volledige duidelijkheid komen over de rol van de toenmalige justitieminister Stefaan De Clerck (CD&V). Was die tussengekomen in de procedure, hoe gebeurde dat en wat was er het gevolg van? In het rapport van de commissie lees je meerdere passages die toelaten een antwoord te geven.
In zijn beoordeling neemt de parlementaire onderzoekscommissie evenwel dezelfde houding aan als deze die destijds door de Bijzondere Kamercommissie er aan gegeven was:
“De bijzondere commissie oordeelde destijds als volgt: ‘Hoewel de ontmoetingen die zijn voorafgegaan aan de redactie van dat ‘protocol’, alsook de commentaren die er daarna op zijn gegeven, de interpretatie ervan dusdanig hebben bijgestuurd dat de tekst uiteindelijk de kritiek kon weerstaan, en hoewel het buiten kijf staat dat de opstellers van het protocol te goeder trouw handelden, kunnen we er niet omheen dat het om een gevaarlijk precedent kan gaan”.
De recente onderzoekscommissie onderschrijft in zijn eindrapport nog steeds dit oordeel. Net zoals de Bijzondere Kamercommissie het niet deed heeft ook de parlementaire onderzoekscommissie niet aangegeven op wat ‘de goede trouw’ van de minister is gesteund.
Nalezen van het parlementair rapport laat toe naar die beweerde ‘goede trouw’ te zoeken. Dat geeft evenwel een geheel ander antwoord op de gestelde vragen.
De Strafprocedure
Om te begrijpen waar dit over gaat is het noodzakelijk enkele principes in herinnering te brengen. De strafprocedure is van openbare orde.
“Een bepaling van openbare orde (public policy) wordt omschreven als een rechtsregel die de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht, de juridische grondslag vastlegt waarop de economische en morele orde van de maatschappij berust (Hof van Cassatie, 9 december Arrest Verbreking 1948, p. 615 en Hof van Cassatie, 10 maart 1994, Arrest Verbreking, 1994, p. 236).
Partijen in een rechtsgeding kunnen nooit rechtsgeldig afwijken van regelen die de openbare orde en de goede zeden betreft. De strafprocedure moet daarom worden toegepast zoals die door de wet wordt voorgeschreven en niemand mag ervan afwijken.
De wet-Franchimont heeft recent voorgeschreven wat de juiste opdracht is van zowel de onderzoeksrechter als van de procureur. De onderzoeksrechter moet alle maatregelen nemen die de rechtscolleges in staat stellen met kennis van zaken te oordelen.
De procureur heeft het monopolie over de beoordeling van de vervolging en kan oordelen dat die niet moet worden aangehouden en het dossier kan worden ‘geseponeerd’, zonder gevolg kan worden gelaten.
Ook de rol van de justitieminister is erg duidelijk. Tijdens zijn verhoor in de parlementaire commissie heeft Stefaan De Clerck zelf er de juiste omschrijving van gegeven: “Tijdens zijn hoorzittingen van 21 maart en 30 april 2025 verklaarde oud-minister van Justitie De Clerck over deze brief dat het zogenaamde positieve injunctierecht van de minister van Justitie enkel betrekking heeft op de mogelijkheid die de minister heeft om het openbaar ministerie de opdracht te geven om een strafvervolging in te stellen, maar dat de minister verder niet de mogelijkheid heeft tussen de komen in lopende strafprocedures.”
Onder Belgisch voorzitterschap maakte het Ministercomité van de Raad van Europa aanbevelingen met betrekking tot de onafhankelijkheid, de doelmatigheid en de verantwoordelijkheid van de rechters (Recommandation CM/Rec(2010)12) van november 2010.
Daarin lees je in punt 18: “Bij het becommentariëren van rechterlijke uitspraken dienen de uitvoerende en wetgevende machten kritiek te vermijden die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zou kunnen ondermijnen of het publieke vertrouwen daarin zou kunnen schaden. Zij dienen zich tevens te onthouden van handelingen die twijfel zouden kunnen zaaien over hun bereidheid om rechterlijke uitspraken na te leven, anders dan het uitspreken van hun voornemen om in beroep te gaan.”
En in punt 14: “De wet moet voorzien in sancties tegen personen die trachten rechters op oneigenlijke wijze te beïnvloeden.”
Rapport
In het rapport van de onderzoekscommissie lees je meerdere passages die de rol van de gewezen justitiemister aanbelangen. Stefaan De Clerck gaf zelf aan waar het over ging. “Ik heb het niet over het dossier an sich, maar het ging over vragen hoe er moest worden omgegaan met mogelijke discussies over het biechtgeheim, het beroepsgeheim, de scheiding tussen Kerk en Staat, en seksuele delinquentie.”
Hoe er moest worden “omgegaan” met deze elementen is erg duidelijk: omdat het over een strafprocedure gaat kan dat enkel zoals de wet dat voorschrijft. De commissie heeft duidelijk begrepen waar het probleem zat:
“doordat het protocol daarentegen het bestaan van een ‘filterorgaan’ bekrachtigt en het lijkt te institutionaliseren, zowel in het heden als in de toekomst, verwerft dat orgaan een belangrijke taak, die is weggelegd voor de gerechtelijke autoriteiten. Zich neerleggen bij de autonomie van een door de Kerk opgerichte commissie is één zaak; van een heel andere orde is echter dat de bevoegdheden van een dergelijke commissie worden opgenomen én officieel bekrachtigd in een stuk dat kan worden opgevat als het resultaat van een overeenkomst.”
Ook onderzoeksrechter De Troy gaf aan waar het over ging: “Ook de toenmalige onderzoeksrechter Wim De Troy heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van het protocol én dat hij er niet door gebonden was: ‘ik was niet op de hoogte van dat protocol. Trouwens, als ik daarvan op de hoogte geweest zou zijn, dan zou ik van mening geweest zijn dat die werkwijze niet kon en dat het gerecht daar moest optreden.”
Punt 41: “Waarom heb ik ook besloten om de dossiers van Adriaenssens in beslag te nemen? Wel, ik had daar eigenlijk drie redenen voor. (…) De derde reden is dat die commissie sowieso een orgaan is dat, hoe men het ook draait of keert, afhangt van de katholieke Kerk. Daarbij twijfelde ik eraan of die commissie, die alle gevallen aan justitie moest melden, dat wel zou doen.”
Punt 42: In dat kader verwees onderzoeksrechter De Troy ook naar een uitspraak van toenmalig procureur-generaal Schins in de bijzondere kamercommissie van de zitting 2010-2011: “Hij zei letterlijk dat het de bedoeling was – of toch een van de bedoelingen – van de Commissie-Adriaenssens om precies te beletten dat die dossiers in beslag genomen zouden moeten worden.”
Punt 43: Tot slot had onderzoeksrechter De Troy ook vragen bij de wettelijke grondslag van het protocol:“ De vraag of de huiszoeking dat protocol schond vind ik de verkeerde vraag. De vraag is of dat protocol een wet schendt of niet. Dat lijkt mij eerder de juiste vraag, maar ik zal daar niet op antwoorden.”
Protocol
“In de periode na de huiszoekingen van 24 juni 2010 en tijdens de zomermaanden vonden er relatief veel contacten plaats tussen procureur-generaal de Le Court, de minister van Justitie en diens kabinetsmedewerker, mevrouw Paule Somers, in verband met het dossier ‘Operatie Kelk’.”
“Zo werden namens deze laatsten ook zelf meerdere brieven en e-mails die aan hen werden gericht overgemaakt aan de procureur-generaal en werd input gevraagd om de Ministerraad te informeren en parlementaire vragen te behandelen. Deze contacten verliepen via diverse communicatiekanalen, waaronder briefwisseling, fax, email en telefoongesprekken met kabinetsmedewerkster Somers.”
“Wat er tijdens de telefoongesprekken precies werd gezegd kon de onderzoekscommissie niet meer achterhalen. In sommige schriftelijke communicatie werden termen gebruikt als “extrême urgence”, “zeer dringend” en “vertrouwelijk”. Er vond tevens een fysiek onderhoud plaats tussen de procureur-generaal en de minister van Justitie.”
“18 augustus 2010: brief minister van Justitie De Clerck aan procureur-generaal de le Court waarin wordt aangegeven dat de minister de opvatting van de procureur-generaal deelt om het College van procureursgeneraal te vatten om het protocol met de Commissie Adriaenssens en het strafrechtelijk beleid voor het behandelen van de klachten van slachtoffers die geen deel uitmaken van het onderzoek Kelk te bepalen.”
“Wat de rechterlijke macht betreft, heeft het College van procureurs-generaal een werkgroep opgericht om een strafrechtelijk beleid uit te stippelen voor de dossiers die door de Commissie-Adriaenssens aan het openbaar ministerie zouden worden voorgelegd. In die werkgroep zaten de procureurs-generaal van Gent en van Luik (covoorzitters), die van Bergen en van Antwerpen, de advocaten-generaal Jacques De Lentdecker en Lucien Nouwynck (Brussel) en federaal procureur Johan Delmulle.”
“Uit voorgaande elementen mag je besluiten dat er tussen de justitieminister en parketmagistraten bij het Hof van Beroep te Brussel voortdurend, zowel schriftelijk als mondeling, werd “overlegd” omtrent de wijze waarop er moest worden samengewerkt met een commissie die deel uit maakt van de organisatie van de betrokken procespartij, van de kerk. Bovendien werd daarin aangegeven dat het aan de commissie-Adriaenssens was om te oordelen welke dossiers aan het parket moesten worden overgemaakt.”
“Er is ook sprake van een andere instelling. ”Procureur Bulthé verklaarde dat hij in het dossier Kelk een keer ontboden was geweest op een vergadering bij het parket-generaal waar ook eerste advocaat-generaal De Lentdecker aanwezig was.”
Punt 110: “Deze laatste ontkent echter ooit lid te zijn geweest van een dergelijke werkgroep.
Punt 111: Uit de stukken waarover de parlementaire onderzoekscommissie beschikt, blijkt dat de werkzaamheden van deze zogenaamde “multi-confessionele werkgroep” beperkt zijn geweest tot het opmaken van de eerste vordering.” ”De “multi-confessionele werkgroep” binnen het parket-generaal.”
“In het rapport van 15 april 2024 inzake het bijzonder onderzoek “Kelk” stelde de Hoge Raad voor Justitie dat de procureur-generaal de regelmatigheid van de huiszoekingen van juni heeft laten bestuderen door een team van magistraten van het parket-generaal met een “multi-confessionele achtergrond”.
Punt 105: “De Hoge Raad voor de Justitie (HRJ) heeft in haar schriftelijke antwoorden aan de onderzoekscommissie verklaard dat de term afkomstig was van procureur-generaal de le Court: ‘De procureur-generaal heeft die term gebruikt toen hij door de HRJ werd gehoord, in zijn antwoord op de vraag om te omschrijven hoe het verzoek van het parket-generaal tot stand was gekomen op 30 juli 2010’.
“In de hoorzitting met de leden van de HRJ heeft men hierover ook verklaard: “Wat het multiconfessioneel team betreft, hebben we in ons verslag geschreven dat we daarover verwonderd waren. De geloofsovertuiging van een magistraat staat uiteraard niet op zijn voorhoofd geschreven. We hebben aan de betrokken korpschef de vraag gesteld hoe hij wist wie welke geloofsovertuiging heeft. Hij antwoordde vrij vraag “dat men dat toch wel weet”.
Dat men dat toch wel weet?
Het is inderdaad geen geheim. Binnen de magistratuur is geweten welke kleur en levensovertuiging iedere magistraat heeft. Er kan daarom ook weinig betwisting bestaan over de vaststelling dat de voornaamste magistraten die in het overleg en in de strafvordering zijn tussengekomen dezelfde katholieke overtuiging hebben als de toenmalige justitieminister.
Dat aan het team de omschrijving “multiconfessioneel” werd gegeven, een omschrijving die in de strafprocedure onbestaande is, geeft aan wat het belang van het “confessionele” hierin is.
“Toenmalig procureur des Konings Bulthé stelde anderzijds dat het in een normale procedure volgens hem niet normaal is dat een advocaat in een dossier dat in onderzoek zit, elders gaat dan bij de procureur des Konings. Hij meent dat het procureur-generaal niet de normale gesprekspartner is voor een advocaat en dat hij zich als onafhankelijk magistraat ongemakkelijk voelt bij deze situatie.”
“De onderzoekscommissie heeft ten slotte het verslag van deze ontmoeting opgevraagd bij het openbaar ministerie en als antwoord gekregen dat er “geen verslag gevonden” is.”
Het belang van de multiconfessionele werkgroep die het strafrechtelijk beleid bepaalde blijkt ook uit het gestelde doel: “Uit een handgeschreven nota, aangetroffen in de werkkaften van het parket-generaal van Brussel, blijkt dat de zogenaamde “multiconfessionele werkgroep” tijdens een interne vergadering had gekozen voor de minimalistische stelling.
Deze keuze werd vervolgens omgezet in het ontwerp van de vordering. Opmerkelijk is dat de vordering zoals uiteindelijk opgesteld, weliswaar de maximalistische stelling expliciet uitsluit doch de minimalistische stelling niet volledig volgt.
In plaats daarvan wordt een intermediaire positie ingenomen tussen de minimalistische stelling en de tussenstelling: er wordt immers niet enkel de nietigheid van de inbeslagname van de dossiers van de Commissie-Adriaenssens, maar ook die van de ongeopende brieven die in beslag zijn genomen tijdens de huiszoeking in het aartsbisschoppelijk paleis.
Hard bewijs
De HRJ stelde in haar besluit dat er geen hard bewijs was voor inmenging door de kerk. Op grond van voorgaande elementen kan de vraag gesteld worden of er een bewijs is dat er beïnvloeding was door de toenmalige justitieminister Stefaan De Clerck. Kan dat gezien de vele “aanwijzingen” worden ontkend?
Meer nog moet worden vastgesteld dat de minister overleg organiseerde om een eigen procedure te kunnen toepassen en die wijze van afhandeling volkomen tegengesteld is aan de bestaande strafprocedure die van openbare orde is zodat niemand, noch de minister en evenmin leden van het openbaar ministerie, er mogen van afwijken.
In het licht van de Aanbeveling van het ministercomité van de Raad van Europa, “De wet moet voorzien in sancties tegen personen die trachten rechters op oneigenlijke wijze te beïnvloeden”, roept dat ook een belangrijke vraag op. Bestaat er in de Belgische strafwet een voorziening die dat toelaat?
Samenspanning van ambtenaren
Het Strafwetboek omschrijft het misdrijf samenspanning van ambtenaren als volgt: ”Wanneer personen of lichamen die met enig gedeelte van het openbaar gezag bekleed zijn, maatregelen die in strijd zijn met de wetten of met koninklijke besluiten, beramen, hetzij op een bijeenkomst van die personen of die lichamen, hetzij door het zenden van afgevaardigden of van mededelingen aan elkaar”.
Overigens vereist de Strafwet niet dat het beoogde doel zou zijn bereikt, het samen komen of het nemen van maatregelen is voldoende voor de strafbaarheid. Dat er voortdurend, schriftelijk en mondeling overleg is geweest mag op grond van de verklaringen en stukken als “hard bewezen” worden beschouwd.
Dat het doel ervan in strijd was met de geldende strafprocedure kan evenmin worden betwijfeld. In deze werd het doel zelfs bereikt. Door de teruggave van de “overtuigingsstukken”, overigens in tegenspraak met een uitspraak van hetzelfde Hof, in een andere samenstelling, én met de uitspraak van het Hof van Cassatie dat de stukken op de griffie moesten worden bewaard, is het niet meer mogelijk te voldoen aan de vereisten van het “Eerlijk proces”.
Het Hof van Beroep gaf er echter een eigen interpretatie aan : “De 15de kamer van het Hof van Beroep te Brussel, zetelend als kamer van inbeschuldigingstelling, besliste dat de huiszoekingen op het aartsbisschoppelijk paleis en het kantoor en de woning van kardinaal Danneels het recht op een eerlijk proces van deze partijen schendt.”
Dat die vereisten inhouden dat een strafrechter moet oordelen over de schuld en boete, dat in een openbaar en tegensprekelijk proces moet gebeuren waarin de strafrechter oordeelt over het bewijs met een gemotiveerde uitspraak is hier over het hoofd gezien.
Strafrechtelijk beleid
Naar de uiteindelijke opdracht van de parlementaire commissie – het verbeteren van de wettelijke voorzieningen – moet worden opgemerkt dat het voornaamste element, de wijze waarop de justitieminister Stefaan De Clerck misbruik heeft gemaakt van zijn strafrechtelijk beleid om bij miskenning van de dwingende voorschriften van de strafprocedure, zo goed als onbesproken is gebleven.
Overigens is de huidige stand van zaken, de wettelijke toekenning van dat beleid als een persoonlijk monopolie van één enkele minister op zich reeds erg betwistbaar. Het is een ingreep die niet thuishoort in een democratische rechtsstaat.
Dat deze mislopen minister uit de wind werd gezet met de niet onderbouwde bewering dat hij ‘te goeder trouw’ handelde is een enkel politiek ingegeven besluit. Dat de minister nadien, bij herhaling een bestbetaalde job als voorzitter van Proximus verkreeg kan je daardoor helemaal als een politieke koehandel omschrijven.
Doordat de parlementaire onderzoekscommissie in zijn besluitvorming voorbij gaat aan de voor die commissie afgelegde verklaringen en vaststellingen toont hoe ver de “afstomping van de norm” – het voornaamste besluit van de parlementaire onderzoekscommissie Dutroux, is doorgedrongen in het politiek beleid.
Note:
- De Raad van Europa is een intergouvernementele organisatie met 49 lidstaten en werd opgericht in 1949, met als voornaamste organen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Parlementaire Assemblee. Het is geen onderdeel van de EU, die pas in 1957 werd opgericht als Europese Economische Gemeenschap (EEG) met slechts 6 lidstaten. Je mag het ook niet verwarren met de Europese Raad van regeringsleiders en ministers, die wel een onderdeel is van de EU.