Digitale mijnbouw: koloniale archieven en de nieuwe race om Congolese rijkdom
Al jaar en dag voeren grootmachten strijd om de rijkdommen van Congo, maar recent kreeg deze strijd een nieuwe laag. Zo weigerde het AfricaMuseum in Tervuren toegang tot geologische rapporten aan KoBold Metals, een Amerikaans mijnbedrijf van onder meer Bill Gates en Jeff Bezos. De vraag die hier echter moet worden gesteld is: is de controle over geologische data de hedendaagse equivalent van koloniale territoriale controle?
Koloniale kennis als strategische grondstof
In de kelders van het AfricaMuseum in Tervuren liggen miljoenen pagina’s geologische rapporten uit de koloniale geschiedenis. Gedetailleerde kaarten van koperaders, bodemanalyses van kobaltvelden, verslagen van prospecties die plaatsvonden in een tijd waarin Congo geen zeggenschap had over zijn eigen ondergrond. Wat toen werd verzameld om extractie te organiseren, blijkt vandaag opnieuw van goudwaarde.
Het Amerikaanse mijnbedrijf KoBold Metals, gesteund door techmiljardairs Bill Gates en Jeff Bezos, vroeg toegang tot die archieven om ze te digitaliseren en te gebruiken voor AI-gestuurde mijnexploratie. België weigerde exclusieve toegang. “Zulke informatie mag niet geprivatiseerd worden en moet open blijven, in het belang van Congo,” verklaarde het museum.
Het is een pijnlijk voorbeeld van hoe kennis uit de koloniale tijd nog steeds de inzet is van een geopolitieke en economische strijd
Op deze manier ontketent zich een pijnlijk voorbeeld van hoe kennis uit de koloniale tijd nog steeds de inzet is van een geopolitieke en economische strijd. Deze keer niet over fysieke grondstoffen, maar over informatie en technologische toegang. Het dringt dan ook een prangende vraag op: wie controleert de kennis over Congo’s bodem, en dus indirect over haar toekomst?
De nieuwe laag van extractie
Vroeger draaide de koloniale economie rond fysieke exploitatie van grondstoffen: vandaag is daar een digitale laag bovenop gegroeid. Congo bezit een aanzienlijk deel van de wereldreserves van kobalt, lithium en koper: mineralen die cruciaal zijn in de energietransitie voor batterijen, elektrische voertuigen en groene infrastructuur. Waar het vroeger volstond te weten dát de mineralen er waren, zit in de 21ste eeuw de echte macht in de data: historische bodemkaarten, geologische analyses en meetgegevens.
Bedrijven als KoBold Metals gebruiken artificiële intelligentie om nieuwe mijnlocaties te voorspellen. Het is met dat doel dat historische datasets, zoals die van het Africamuseum, een goudmijn op zich zijn. Wie ze kan digitaliseren, structureren en voeden in algoritmes, krijgt een beslissende voorsprong in de mondiale grondstoffenrace.
Digitale data als nieuw kolonialisme?
De komst van AI betekent niet enkel technologische vooruitgang, maar veroorzaakt ook een fundamentele verschuiving in het debat: van toegang tot archieven naar macht over informatie. Want wanneer data strategischer wordt dan de grond zelf, verandert dan niet ook de aard van koloniale macht?
Wanneer private technologiebedrijven exclusieve of bevoorrechte toegang krijgen tot koloniale geologische data, ontstaat namelijk een nieuwe asymmetrie. Het gaat niet langer om concessies of fysieke aanwezigheid, maar om een informatievoorsprong. Een voorsprong om te bepalen waar de volgende mijn komt, en dus, voor wie tussen de regels leest, waar arbeid zal worden ingezet, waar ecosystemen onder druk zullen komen te staan en waar gemeenschappen uiteindelijk zullen moeten wijken.
Kolonialisme draaide altijd om controle, of het nu over grond, arbeid of kennis gaat
Hoewel KoBold stelt dat het de data publiek wil maken, kan zelfs tijdelijke exclusiviteit private macht consolideren. In een wereld waarin Big Tech steeds meer strategische infrastructuur controleert, is “publiek maken” geen neutraal begrip meer. De vraag is wie de voorwaarden bepaalt, wie de technologie beheert en wie de economische vruchten plukt.
Kolonialisme draaide altijd om controle, of het nu over grond, arbeid of kennis gaat. Vandaag verschuift dat laatste element naar digitale infrastructuur en artificiële intelligentie.
Congo is geen passieve toeschouwer
Belangrijk is wel dat Congo, nog vóór de weigering van de directeur van het AfricaMuseum, Bart Ouvry, een samenwerkingsovereenkomst had gesloten met KoBold Metals om met behulp van AI nieuwe mineraalvoorraden in kaart te brengen.
Dit maakt dat Congo hier niet enkel object van buitenlandse interesse is, maar ook actor in een strategische positionering. In een wereld waarin China al jaren diep verankerd is in de Congolese mijnbouwsector, zoeken Congolese beleidsmakers naar tegengewichten.
De mondiale strijd om kritische grondstoffen wordt steeds explicieter geopolitiek. Onder de regering-Trump werd de toegang tot strategische mineralen expliciet benoemd als kwestie van nationale veiligheid. De Verenigde Staten willen minder afhankelijk zijn van China voor de aanvoer van batterijmaterialen. Congo wordt daardoor strategisch een sleutelstaat.
China controleert vandaag een aanzienlijk deel van de Congolese kobaltproductie via participaties en langlopende contracten. Amerikaanse betrokkenheid via bedrijven als KoBold past in een bredere poging om invloed te herwinnen in Centraal-Afrika. De strijd om archieven in Tervuren kan dus niet los worden gezien van de mondiale rivaliteit tussen Washington en Beijing.
België als morele arbiter?
De Belgische overheid positioneert zich in dit dossier als verdediger van open toegang. De archieven worden via een publiek project gedigitaliseerd, stelt Bart Ouvry, mét de belofte dat ook Congo volledig toegang zal krijgen, en deels al heeft. Volgens hem moet de informatie beschikbaar zijn voor Congolese instellingen en niet in private handen verdwijnen.
Hoewel dit standpunt principieel klinkt, roept het ongemakkelijke vragen op. Waarom bevinden deze fundamentele geologische gegevens zich nog steeds in Belgische instellingen, meer dan zestig jaar na de onafhankelijkheid? Wie beslist over de modaliteiten van toegang? En waarom wordt Congo opnieuw gepositioneerd als ontvanger van informatie die in de eerste plaats over haar eigen bodem gaat?
Het debat blijft westers gekaderd: Europa dat beslist wat “in het belang van Congo” is
Critici, zoals professor Bambi Ceuppens wijzen erop dat het debat sterk westers gekaderd blijft: Europa dat beslist wat “in het belang van Congo” is. Onder witwas-noemers als ‘ontwikkeling’, ‘transparantie’ en ‘open data’ dreigen Congolese prioriteiten te worden ingepast in een westers beleidskader.
Toch is het ook even problematisch om Congo louter als slachtoffer voor te stellen. Congolese machtsstructuren, elites en economische belangen spelen zelf een rol in de keuzes die worden gemaakt. De vraag is dus niet alleen wie van buitenaf invloed uitoefent, maar ook wie binnen Congo toegang heeft tot beslissingsmacht over data en mijnbouw.
Erfgoed, restitutie en data-soevereiniteit
Het conflict past in een bredere worsteling rond dekolonisatie van erfgoed. Het AfricaMuseum ligt zelf al jaren onder vuur rondom koloniale collecties en restitutie. Maar deze controverse toont dat de kern van de kwestie dieper zit dan symbolische teruggave van objecten. Het gaat om kennis, archieven en waardevolle data.
Europese landen worstelen steeds meer met de vraag hoe koloniale kennis moet worden gedeeld, teruggegeven of beheerd. Dekolonisatie betekent niet alleen het fysiek teruggeven van artefacten, maar ook het herdenken van wie zeggenschap heeft over informatie die tijdens koloniale overheersing werd verzameld.
Kritische stemmen stellen dat echte transformatie verder moet gaan dan symbolische restitutie. Zolang digitalisering, infrastructuur en technologische verwerking in Europese of Amerikaanse handen blijven, verschuift de machtsbalans slechts gedeeltelijk. Dat wordt in deze strijd nogmaals duidelijk.
Kolonialisme zonder vlag, maar mét servers?
Wat deze controverse blootlegt, is dat koloniale verhoudingen zich niet simpelweg in het verleden bevinden. Ze transformeren. Waar vroeger de ondergrond rechtstreeks werd ontgonnen, wordt vandaag eerst de databank ontgonnen. De energietransitie dreigt zo een nieuwe ronde van extractivisme te worden, waarbij Congo opnieuw leverancier is: ditmaal niet alleen van grondstoffen, maar ook van informatie.
De centrale vraag die we ons moeten stellen, blijft dus: kan Congo deze keer niet alleen partner zijn in contracten, maar ook soevereine beheerder van kennis en beslissingsmacht over zijn eigen grond? Wel kan worden geconcludeerd dat de strijd om Congo’s bodem nooit is gestopt, hij is alleen gemoderniseerd.