Analyse

De Grote Staking van 1960-1961: een kantelpunt in de Belgische Geschiedenis

Afbeelding
Een massale betoging voor de Beurs in Brussel (1960-12-27). Foto: Fotocollectie Spaarnestad. Pot, Harry / Anefo, CC0 1.0
Een massale betoging voor de Beurs in Brussel (1960-12-27). Foto: Fotocollectie Spaarnestad. Pot, Harry / Anefo, CC0 1.0
Vijfenzestig jaar geleden, in de winter van 1960-1961, werd België opgeschrikt door een van de meest ingrijpende sociale conflicten uit zijn geschiedenis: de Grote Staking. Hoe ontstond deze staking? En wat kunnen we eruit leren?

Deze Grote Staking, die exact vijf weken duurde van 20 december 1960 tot 23 januari 1961, bracht op haar hoogtepunt één miljoen arbeiders op de been. Meer dan een strijd om loon of arbeidsvoorwaarden, was het een fundamenteel conflict over de toekomstige richting van de Belgische economie en Staat.

De kiem: een structurele economische crisis

De wortels van de staking liggen in de structurele zwakte van de Belgische economie in de jaren 50. Terwijl de buurlanden hun industrie na de oorlog moderniseerden, teerden de Belgische bedrijven verder op hun ongeschonden, maar verouderde productieapparaat. De superwinsten uit de naoorlogse heropleving werden niet geherinvesteerd in nieuwe technologieën of spitssectoren zoals de auto- en chemische industrie. 

Vanaf 1957 wreekte dit gebrek aan investeringen zich: België belandde in een diepe structurele crisis, gekenmerkt door massale afdankingen, stijgende werkloosheid en een oplopende staatsschuld. De regering reageerde in 1959 met het plan om de helft van de mijnen te sluiten, wat leidde tot een algemene mijnstaking in Wallonië. Bovendien was de bevrijdingsstrijd in Congo in volle gang en moest België zich voorbereiden op het verlies van de kolonie.                                                                              

Het alternatief: structuurhervormingen

Binnen de socialistische vakbond ABVV groeide het besef dat een fundamentele hervorming nodig was. Twee buitengewone congressen in 1954 en 1956, geïnspireerd door de visionaire Luikse syndicalist André Renard, stelden een plan van "Structuurhervormingen" voor. 

Het doel was het Belgisch kapitalisme te dynamiseren

Dit omvatte controle op de holdings om investeringen af te dwingen, nationalisatie van de energiesector en meer economische planning en democratie. Het doel was het Belgisch kapitalisme te dynamiseren. 

De lont in het kruitvat

Op 4 november 1960 diende de rooms-blauwe regering-Eyskens de zogenaamde "Eenheidswet" in. Dit besparingsplan van 14 miljard Belgische frank was een kopie van een memorandum van het Verbond der Belgische Industrie (overkoepelende patroon organisatie, nu VBO, Verbond van Belgische Ondernemingen). 

Het bevatte steunmaatregelen voor bedrijven en rijken, maar legde de lasten bij de bevolking: nieuwe indirecte belastingen, besparingen in onderwijs en gezondheidszorg, verlaging van werkloosheidsuitkeringen en het optrekken van de pensioenleeftijd voor ambtenaren van 60 naar 65 jaar. Het parlementair debat hierover was gepland op 20 december, een datum die het startschot zou worden voor het verzet.

Het begin van de opstand

De onvrede was het hele jaar 1960 al voelbaar, met stakingen en betogingen. Toen de regering haar plannen bekendmaakte, volgden spontane stakingen, vooral in Wallonië. Op 14 december betoogden 20.000 mensen in Luik met spandoeken: "Syndicale leiders, we zijn klaar" en "Algemene Staking".

Wat volgde was een massale volksopstand

De reactie van de vakbondstop was verdeeld. Het ACV weigerde de wet principieel te verwerpen. Binnen het ABVV haalde een voorstel voor een voorzichtige nationale strijddag het nipt van Renards plan voor een onbeperkte staking. Het was aan de basis, aangestuurd door militanten van de Communistische Partij van België (KPB), dat de staking concreet vorm kreeg. 

Vijf weken van strijd en solidariteit

Wat volgde was een massale volksopstand. De staking breidde zich razendsnel uit naar havens, spoorwegen, openbaar vervoer, textiel en andere sectoren. De nationale leiding van het ABVV, verdeeld en onder druk van de Vlaamse vleugel, droeg al op de derde dag de leiding over aan de gewestelijke afdelingen. In Wallonië vormden deze onmiddellijk een Coördinatiecomité onder leiding van André Renard.

De regering antwoordde met harde repressie. De rijkswacht en het leger werden ingezet. Er vielen gewonden en bij straatgevechten in Luik op 6 januari twee doden. Toch was de solidariteit enorm: de middenstand steunde de stakers, er waren soepbedelingen en Franse vakbonden vingen kinderen van stakers op.

De fatale keuze: van eenheid naar verdeeldheid

Een cruciaal keerpunt kwam er op 3 januari 1961. André Renard, onder invloed van de Waalse vleugel van de BSP (Belgische socialistische partij), verschoof de doelstellingen van de staking. Hij deed een uitval naar "het klerikale Vlaanderen" en verwierp het actieordewoord "Mars op Brussel", dat bij veel militante stakers leefde.

Op 13 januari werd de Eenheidswet goedgekeurd

Deze wending dreef een wig tussen de Vlaamse en Waalse stakers. De KPB (Communistische Partij van België) kantte zich hier fel tegen en bleef hameren op eenheid en het oorspronkelijke doel: de intrekking van de Eenheidswet. De eerste werkhervattingen in Vlaanderen grijpen plaats vanaf donderdag 5 januari, terwijl ze in Wallonië verhardde, met zelfs sabotageacties.

Het einde

Het verval zette in na 10 januari 1961. De regering had op maandag 9 januari beslist dat elke leerkracht die de dag nadien het werk niet hervatte, afgedankt zou worden. Die nacht besliste de onderwijsbond ACOD eenzijdig en zonder raadpleging van haar leden het werk te hervatten. Op 13 januari werd de Eenheidswet goedgekeurd. Op 23 januari, na vijf weken, stopte het Waalse Coördinatiecomité de staking en eiste het meteen de splitsing van het ABVV. 

De laatste voorhoedekernen gaan de fabriekspoorten binnen met rode vlaggen, vuist omhoog en de internationale zingend. Hun moraal was hoog. 

De staking leed op het eerste gezicht een nederlaag. Ze had evenwel diepe politieke gevolgen. De nieuwe regering, nu rooms-rood met CVP en de BSP, (maart 1961) voerde de Eenheidswet gewoon door. Uitgezonderd twee maatregelen: de pensioenleeftijd van de ambtenaren bleef ongewijzigd op 60 jaar en er kwam geen wijziging in werkloosheidsuitkeringen. Er werden ook voor het eerst nationale cao's afgesloten voor de openbare diensten. 

Geen enkele regering durfde de volgende 20 jaar nog een globaal besparingsplan op te leggen

Bij nieuwe verkiezingen in 1965 verloor de BSP 20 zetels. Geen enkele regering durfde de volgende 20 jaar nog een globaal besparingsplan op te leggen. Het communautaire vraagstuk kwam centraal te staan. Renard richtte “Le Mouvement Populaire Wallon” (MPW) op. Aan Vlaamse kant kreeg de Vlaamse beweging weer wind in de zeilen. De splitsing van de nationale partijen volgens taalrol werd ingezet.

En wat met het protest tegen de Arizonaregering?

Op 24, 25 en 26 november ondergaat het land opnieuw een grote stakingsgolf. Het gaat over de pensioenen, het afpakken van werkloosheidsvergoedingen, langdurig zieken tegen de wil van de behandelende arts terug aan het werk zetten, het afromen van nachtvergoeding in bepaalde sectoren, enzovoort. 

Ook deze staking gaat over meer dan puur economische zaken. Het gaat over de visie die NVA, Vooruit, CD&V en de Franstalige regeringspartijen ons willen opleggen. Namelijk het meer en meer ondersteunen van de bedrijven en dit laten betalen door de arbeidende bevolking. 

 

Kristien Merckx is voormalig vakbondssecretaris BBTK Antwerpen en Bestuurlid van Masereelfonds Nationaal & Antwerpen.

Dit is een bijdrage voor de trimestriële rubriek "Sociale Mijlpalen" van MasereelFonds Antwerpen.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?