Recensie

NAZA: wanneer een mens 'collaterale schade' wordt

Afbeelding
Gaza via Deposit Photos
Gaza via Deposit Photos
De documentaire NAZA van Yuval Abraham en Rachel Szor is gebaseerd op anonieme getuigenissen van 24 Israëlische soldaten en inlichtingenofficieren die in Gaza dienden. De film toont het mechanisme van het verzamelen van informatie, het selecteren van doelwitten, het inschatten van het aantal burgers dat mogelijk getroffen zal worden en de rechtvaardiging daarvan. Wat zegt het over een samenleving wanneer het doden en verwonden van onschuldige mensen wordt herleid tot de neutraal klinkende term ‘collaterale schade’?

Er zijn films die een verhaal vertellen. Er zijn films waarbij de publieke storm rond de film zelf een verhaal wordt. En er zijn films waarin die twee verhalen samenvallen. De documentaire NAZA, ofwel 'Collateral Damage' van Yuval Abraham en Rachel Szor, die op het Filmfestival van Venetië een prijs won, behoort tot die laatste categorie. De film is gebaseerd op anonieme getuigenissen van 24 soldaten en inlichtingenofficieren die in Gaza hebben gediend. Het gaat niet alleen over de gevolgen van bombardementen, maar vooral over het mechanisme dat eraan voorafgaat: het verzamelen van informatie, het selecteren van doelwitten, het inschatten van het aantal burgers dat mogelijk getroffen zal worden en de vraag wanneer zulke burgerslachtoffers als gerechtvaardigde ‘collaterale schade’ worden beschouwd. Toch lijkt de publieke storm rond de film voorbij te gaan aan de diepere vraag die de film aan de Israëlische samenleving voorlegt.

Natuurlijk kan men de betrouwbaarheid van een specifieke getuigenis ter discussie stellen, nagaan of een herinnering met de feiten overeenkomt en onderzoeken of bepaalde gevallen aanleiding kunnen geven tot een juridische procedure. Maar een feit staat buiten kijf, en juist dat feit ligt besloten in de titel van de film: wat zegt het over het morele karakter van een samenleving wanneer zij het doden of verwonden van onschuldige mensen aanduidt met de professioneel neutrale term 'collaterale schade'? In deze terminologie wordt een huis een 'structuur', een gezin een 'aantal' en een gedood kind een burger die zich toevallig in de nabijheid van een doelwit bevond. De dood zelf wordt zo een factor in een systeem van professionele afwegingen. Zo ontstaat de psychologische en morele afstand die het mogelijk maakt een ramp op afstand te bekijken.

Precies daar verliest taal haar werkelijke betekenis - en verliest een samenleving haar vermogen om moreel geraakt te worden.

Nog voordat de film in Israël werd vertoond, werden de makers al zwartgemaakt. Ze werden als verraders bestempeld en ervan beschuldigd het Israëlische leger te schaden, alsof het leger een zelfstandig beleid zou voeren dat losstaat van dat van de regering. Netanyahu zette de toon door te stellen dat hun het staatsburgerschap moest worden ontnomen, kennelijk vanuit de veronderstelling dat kritiek op het beleid van zijn regering een dergelijke maatregel rechtvaardigt. Het is duidelijk dat de motieven achter deze ophitsing — electorale overwegingen en een poging om de aandacht af te leiden van de tekortkomingen van de regering naar 'verraderlijke linkse mensen' — opnieuw illustreren wat Samuel Johnson ooit zei: 'Patriottisme is het laatste toevluchtsoord van een schurk.'

Tegelijkertijd verdient niet alleen het gebrek aan inhoudelijke antwoorden op de beweringen in de film aandacht. Ook in verklaringen van officiële woordvoerders en ministers zijn aanwijzingen te vinden die deze beweringen ondersteunen. Volgens Israëlische schattingen bestond ongeveer een derde van de doden in Gaza uit Hamas-strijders. Met andere woorden: twee derde van de doden wordt daarmee als 'collaterale schade' beschouwd. Of neem, als ander voorbeeld, een tweet van enkele dagen geleden waarin minister Israel Katz er prat op ging dat er 'in Gaza vandaag een veiligheidszone bestaat die vrij is van inwoners en huizen', over ongeveer 70 procent van het grondgebied van de Gazastrook. Zelfs wanneer men de politieke context van die woorden buiten beschouwing laat, dringt zich de vraag op wat 'vrij van inwoners en huizen' eigenlijk betekent. Wat is er gebeurd met de mensen die in die huizen woonden? Waar zijn zij gebleven? En vooral: hoe kunnen emotieloze termen als 'veiligheidszone', 'vrij van inwoners' en 'collaterale schade' het voor een samenleving gemakkelijker maken zich aan haar morele verantwoordelijkheid te onttrekken?

Waar de film zich richt op het Israëlische besluitvormingsmechanisme, maakt de getuigenis van de Franse historicus Jean-Pierre Filiu het mogelijk het perspectief om te keren en de gevolgen vanuit de andere kant te bekijken. Filiu beschrijft deze getuigenis uitvoerig in zijn boek Un historien à Gaza. Hij kent Gaza goed en bezocht de Gazastrook in december 2024. Daar stelde hij vast hoe groot de kloof was tussen de plaats die hij kende en wat hij er nu aantrof.

Filiu begint zijn getuigenis met een beschrijving van landschappen van verwoesting die hem aan Dante’s hel doen denken. Een vrijwel ononderbroken keten van ruïnes verandert de verwoesting van een reeks afzonderlijke locaties in een uitgestrekte ruimte. In Khan Younis, de stad die hij goed kende, zag hij een landschap van kraters, puin en gebouwen die hun identiteit hadden verloren. Van een moskee was alleen een minaret overgebleven. Een hele straat was geblokkeerd door een ingestort gebouw en het Dar Essalam-ziekenhuis was veranderd in een berg puin. Filiu benadrukt dat hij verschillende oorlogsgebieden heeft bezocht, maar naar eigen zeggen nooit eerder iets vergelijkbaars had gezien.

De cijfers die hij aanhaalt maken de omvang van de verwoesting duidelijk: 87 procent van de woongebouwen is beschadigd, meer dan 80 procent van de bedrijven is verwoest en twee derde van het wegennet is buiten gebruik geraakt. Maar hoe indrukwekkend die cijfers ook zijn, ze vertellen niet het hele verhaal. Achter ieder ingestort gebouw schuilde een heel leven, achter iedere verdwenen wijk lag een sociaal weefsel, en achter ieder getal schuilen mensen, gezinnen, herinneringen en dromen.

De menselijke betekenis van de verwoesting wordt zichtbaar in de persoonlijke verhalen die Filiu vertelt. Hij beschrijft mensen die niet meer weten waar hun huis heeft gestaan, mensen die levend onder het puin zijn begraven en gezinnen die zowel hun leefomgeving als de gemeenschap waarin zij leefden zijn kwijtgeraakt. Volgens de gegevens die in zijn getuigenis worden aangehaald, zijn ongeveer 1,9 miljoen mensen meer dan een keer gedwongen hun woonplaats te verlaten. Aan het einde van dat proces wachtte hen geen ander huis, maar een tent en een ruimte van minder dan twee vierkante meter per persoon.

Een van de aangrijpendste voorbeelden van het verwoeste Gaza is het verhaal van de familie van Mahmoud al-Fassi. Nadat het gezin herhaaldelijk uit zijn woonplaats was verdreven, vond het onderdak in een tent aan de kust. Tijdens een koude en stormachtige nacht rilde hun dochter Sila, een baby van slechts drie weken oud. De volgende ochtend vonden haar ouders haar levenloos. In het Nasser-ziekenhuis werd vastgesteld dat het meisje aan onderkoeling was overleden. Het was het derde geval van dit type in hetzelfde ziekenhuis binnen achtenveertig uur, na de dood van een baby van drie dagen oud en een baby van een maand oud.

Het is moeilijk Filiu’s getuigenis te lezen en tegelijkertijd vast te houden aan de steriele taal van 'collaterale schade'. Achter die term schuilt een baby van drie weken oud. Daarachter staan een vader en een moeder die proberen haar lichaam warm te houden. En ’s ochtends vinden zij hun dode kind.

De 'collaterale schade' beperkt zich niet tot de dood en de verwoesting van het gezinsleven. Zij strekt zich uit tot de meest elementaire voorwaarden van het bestaan. Filiu beschrijft open vuilnisbelten, kinderen op blote voeten, tenten die geen bescherming bieden tegen wind en regen, beerputten die in het zand zijn gegraven, de geur van rioolwater en het ontbreken van privacy.

Water is misschien wel het scherpste voorbeeld van de ontwrichting van het basale bestaan. Volgens de cijfers die hij aanhaalt was aan de vooravond van de oorlog dagelijks ongeveer 80 liter water per persoon beschikbaar, terwijl die hoeveelheid eind 2024 was gedaald tot ongeveer 9 liter per persoon per dag, waarvan ongeveer twee liter bestemd was om te drinken. Ook hier verbergt het getal de werkelijkheid minstens evenzeer als het die beschrijft. Negen liter is niet alleen een statistisch gegeven. Het is een mens die met een jerrycan in de rij staat, een kind dat op water wacht, een gezin dat niet weet wanneer het zijn jerrycan opnieuw kan vullen.

De verwoesting is ook zichtbaar in het gezondheidszorgsysteem. Filiu beschrijft ziekenhuizen die van plaatsen van genezing zijn veranderd in ruimtes van angst, gebrek en belegering. Gewonden en zieken moeten onder extreme omstandigheden worden behandeld, terwijl een systeem dat niet in staat is basiszorg te bieden tegelijk kampt met tekorten aan middelen en personeel. Volgens de gegevens die hij aanhaalt hebben duizend dialysepatiënten en ongeveer tienduizend kankerpatiënten de essentiële toegang tot behandeling en medische controles verloren.

Uiteindelijk vormt Filiu’s getuigenis een aanvulling op de film. Waar de film zich bezighoudt met militaire beslissingen, richt Filiu zich op hun menselijke gevolgen. Hij begint bij de mens die zich aan de andere kant van de militaire beslissing bevindt: het ontheemde gezin, het kind dat naar water zoekt, de baby die van de kou is gestorven, de patiënt die op behandeling wacht, de arts die onder onmogelijke omstandigheden blijft werken, de stad die tot op de grond is verwoest en een samenleving die uiteen is gevallen.

Men kan discussiëren over cijfers, getuigenissen of een specifieke militaire beslissing. Maar een feitelijk debat kan de morele vraag niet wegnemen: wat gebeurt er wanneer een heel systeem eraan gewend raakt mensen te beschrijven in termen die het mogelijk maken afstand te nemen van de menselijke betekenis van zijn eigen handelen?

'Collaterale schade' is een term die de werkelijkheid ordent vanuit het perspectief van het militaire systeem. Hij sorteert, classificeert en berekent. Maar hij beschrijft niet de ervaring van degene die zich aan de andere kant van die term bevindt. In Gaza bestaat er geen 'collaterale schade'. Er is het verlies van een huis, van een gezin, van een lichaam, van herinneringen en van een toekomst.

Op het moment dat we het leed van mensen definiëren met een technische en professionele term, wordt het gemakkelijker ons van de betekenis ervan te distantiëren. Filiu’s getuigenis doet het tegenovergestelde: achter de termen en cijfers brengt het opnieuw mensen in beeld. Het laat hun gezichten zien en maakt de gezinnen, de angst, de pijn en de dood achter de cijfers zichtbaar. Zo plaatst het de concrete gevolgen tegenover de abstracte taal van de oorlog.

De Israëlische samenleving kan de werkelijkheid negeren, de makers van de film veroordelen en zich zelfs laten meeslepen door een inhoudsloze charlatan, maar niets daarvan zal haar van haar verantwoordelijkheid ontslaan. En zelfs als er duizend jaren voorbijgaan, zullen de onrechtvaardigheden die in haar naam zijn begaan niet worden witgewassen.

 

Ofer Chen is onderzoeker aan de Universiteit van Tel Aviv en het Leo Baeck Instituut in Jeruzalem, literair en cultuurcriticus, en vaste columnist voor The Times of Israel, waar hij in het Engels over politieke en culturele kwesties schrijft. Dit opiniestuk verscheen ook eerder in The Times of Israel. De Nederlandse vertaling is van de auteur zelf. 

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?